Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.3.1
4.4.3.1 Uiteenlopende invulling: regionaal (proces)recht
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577088:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover in kritische zin Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 26, alsmede de Conclusie van A-G Asser (sub 3.21) voor HR 10 september 1993 (Fonville/Woningbouwvereniging), N] 1994, 507 m.nt. HJS.
Zie hierover § 2.2.
Zie art. 12.3 LRr; zie over het uit deze bepaling voortvloeiende 'regionaal overgangsrol-procesrecht' Adv.bl. 2001, p. 182-183.
Zie art. 6.3 LRk.
Bij het landelijk rolreglement voor de rechtbanken werd met het oog op dit probleem een 'helpdesk' in het leven geroepen, die door middel van adviezen een landelijke uniforme toepassing van het reglement diende te bevorderen. Zie hierover Uniken Venema 2001, p. 147.
Zie hierover Ten Haaft 2004, p. 66-67.
Zie hierover uitgebreid Ynzonides 1994, p. 10-13; zie voorts § 2.3.
Zie hierover § 2.3.
Zie hierover Freudenthal 1996, p. 52-57.
Zie hierover Margadant 2001.
Zie hierover Jellinghaus & De Bont 2004.
Zie § 2.7.
De C-factor kan immers met het oog op de bijzondere omstandigheden van het geval worden ingevuld. Zie hierover ook § 2.7.
Zie Ktr. Leiden 11 oktober 2000, Prg. 2001,5751, resp. Ktr. Amsterdam 19 december 2000, Prg. 2001, 5752.
Zie voor een voorbeeld Ktr. Utrecht 4 juli 2001 en Ktr. Rotterdam 12 juli 2001, JAR 2001, 169: bij een reorganisatie zagen twee werknemers van dezelfde werkgever hun functie vervallen. De Utrechtse kantonrechter oordeelde dat de (verwijtbare) handelwijze van de werkgever aanleiding gaf voor een correctiefactor van 1,5; de Rotterdamse kantonrechter oordeelde daarentegen dat de handelwijze van de werkgever binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid was gebleven en stelde de correctiefactor vast op 1.
Behoudens gevallen waarin dit rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken op de grond dat de rechter de desbetreffende bepaling ten onrechte heeft toegepast dan wel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of deze heeft toegepast met verzuim van essentiële vormen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor. Zie hierover Snijders & Wendels 2003, nrs. 315-323.
Zie over rolbeschikkingen Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 141; Wiersma 1998, nr. 116 e.v.; Ras 1966, nrs. 51-53.
Tenzij het gaat om een beslissing die moet worden gekwalificeerd als een (tussen)uonms: in dat geval is hoger beroep wel mogelijk, zij het thans in beginsel nog slechts tegelijk met beroep tegen het eindvonnis (zie art. 337 lid 2 Rv en art. 401a lid 2 Rv). Zie hierover ook § 6.3.6.2.
In de voorgaande paragraaf is uiteengezet dat rechters in een aantal gevallen over 'beleidsruimte', en eigenlijk (vrijwel) altijd over 'interpretatieruimte' beschikken. De kans is daarom niet denkbeeldig dat deze ruimte door rechters op uiteenlopende wijze wordt ingevuld.
Bekend voorbeeld hiervan is het verschijnsel 'regionaal procesrecht':1 per gerecht uiteenlopende regelingen ten aanzien van (een bepaald aspect van) de procesvoering. Hoewel de laatste jaren in toenemende mate een uniformering van rolreglementen heeft plaatsgevonden,2 blijven verschillen tussen de gerechten op het gebied van het procesbeleid mogelijk. In de eerste plaats wordt ook bij landelijke reglementen soms ruimte gelaten voor aanvullende plaatselijke (overgangs)regelingen. Zo kende het landelijk rolreglement voor de rechtbanken gedurende de eerste twee jaar een overgangsperiode waarin de rechtbanken een van het reglement afwijkende regeling omtrent de termijn-handhaving mochten aanhouden,3 en biedt het landelijk rolreglement voor de kantonsectoren de mogelijkheid om plaatselijk afwijkende uitsteltermijnen te hanteren.4 Daarnaast is het uiteraard mogelijk dat een landelijk reglement plaatselijk op verschillende wijze wordt toegepast.5 Bij het landelijk rolreglement voor de rechtbanken bestaan bijvoorbeeld grote verschillen tussen de rechtbanken ten aanzien van de gang van zaken tijdens een comparitie na antwoord.6
Ook buiten het door rolreglementen bestreken terrein bestaan regionale verschillen op het gebied van de procesvoering. Een voor de rechtspraktijk belangrijk voorbeeld is de procedure bij het leggen van conservatoir beslag. Hiervoor is verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank vereist (art. 700 lid 1 Rv). In § 4.4.2.2 bleek al, dat de rechter ten aanzien van de hierbij te volgen procedure een zekere beleidsruimte heeft: hij kan op grond van art. 279 lid 1 Rv een verzoek tot verlof 'aanstonds toewijzen', maar hij kan op grond van deze bepaling ook de verzoeker of andere belanghebbenden (in het bijzonder de aspirant-beslagene) oproepen voor een mondelinge behandeling.
Door de gerechten zijn in het verleden op dit gebied uiteenlopende regelingen ontwikkeld, die wel worden aangeduid als het systeem van 'zwart', dan wel 'grijs maken'.7 Een schuldenaar die vermoedt dat onder hem beslag zal worden gelegd, kan zich gedurende een bepaalde periode op een 'zwarte', respectievelijk 'grijze' lijst laten plaatsen. Wanneer vervolgens inderdaad verlof tot beslaglegging wordt verzocht, dan kan de voorzieningenrechter van de rechtbank hetzij (in geval van een zwart gemaakt beslag) de beslagene, c.q. diens advocaat of procureur horen, hetzij (in geval van grijs maken) de beslaglegger horen. De mogelijkheden tot grijs en zwart maken zijn de laatste jaren overigens sterk teruggedrongen, doordat verscheidene rechtbanken hun regelingen op dit gebied hebben afgeschaft.8
Andere voorbeelden van regionaal procesrecht zijn de per arrondissement uiteenlopende mogelijkheden tot het voeren van een 'incassokortgeding',9 de verschillende oproepingsvereisten die door kantonrechters worden gehanteerd voor het aanhangig maken van een kantonrechterskortgeding (art. 116 lid 3 (oud); thans art. 254 lid 3 Rv)10 en de verschillende wijzen waarop door de kantonrechters wordt omgegaan met zogeheten 'pro forma' verzoeken tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst.11
Op materieelrechtelijk gebied bestaat evenzeer de kans dat rechters in vergelijkbare gevallen tot verschillende beslissingen komen. Het welhaast klassieke voorbeeld hiervan is de toekenning van een vergoeding aan één der partijen bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst (art. 7:685 lid 8 BW). Teneinde op dit gebied tot meer uniformiteit te komen, zijn enkele jaren geleden door de Kring van Kantonrechters enige 'Aanbevelingen' vastgesteld, waarvan de 'kantonrechtersformule' voor de berekening van ontbindingsvergoedingen deel uitmaakt.12 Mede gezien het tamelijk onbepaalde karakter van de daarin opgenomen correctiefactor (de 'C-factor'),13 behoren de verschillen tussen rechters op dit gebied echter nog geenszins tot het verleden.
Een fraaie illustratie van deze stelling wordt gevormd door twee uitspraken van de kantonrechters te Leiden, respectievelijk te Amsterdam, in opeenvolgende ontbindingsprocedures tussen dezelfde partijen.14 Naar aanleiding van het ontbindingsverzoek van werkgeefster KCA stelde de Leidse kantonrechter, op basis van de kantonrechtersformule met C-factor 1, aan werknemer Blok een vergoeding van ƒ59.940,- in het vooruitzicht. KCA trok daarop het ontbindingsverzoek in. Op het vervolgens door Blok van zijn kant ingediende ontbindingsverzoek, kende de kantonrechter te Amsterdam echter slechts een vergoeding van ƒ 40.000,- toe, dat wil zeggen ruim 30% minder dan het bedrag waartoe zijn Leidse ambtgenoot zou zijn gekomen. Waar de oordelen van twee rechters in exact dezelfde casus al zo ver uiteen kunnen liggen, zal dit a fortiori het geval zijn wanneer het niet gaat om volstrekt gelijke, maar 'slechts' om vergelijkbare gevallen.15
De kans op uiteenlopende beslissingen wordt nog vergroot doordat in sommige situaties een rechtseenheidsvoorziening ontbreekt. Zo kan tegen bescWkkingen van de kantonrechter inzake de ontbinding van een arbeidsovereenkomst volgens art. 7:685 lid 11 BW geen hoger beroep of beroep in cassatie worden ingesteld.16 Ook tegen zgn. rolbeschikkingen17 - 'administratieve' maatregelen van ondergeschikte betekenis, waarbij door de rechter bijvoorbeeld de termijn voor het nemen van een conclusie wordt bepaald of een datum voor een comparitie of pleidooi wordt vastgesteld - staan in beginsel geen rechtsmiddelen open.18 In deze gevallen is er derhalve niet één hoogste rechter die ervoor kan waken dat beslissingen van de lagere rechters niet te veel uiteenlopen. Echter, ook wanneer wel beroep in cassatie mogelijk is, kan of wil de Hoge Raad niet steeds een volledige controle uitoefenen op de lagere rechter. Ik verwijs hier naar § 4.4.2.5, waarin al aan de orde is gekomen dat de invulling van beleidsruimte, waarvan bijvoorbeeld sprake is wanneer de lagere rechter over als discretionair te beschouwen bevoegdheden beschikt of de hoogte van een vergoeding moet bepalen, in cassatie slechts beperkt wordt getoetst. Met betrekking tot de toepassing van vage of open normen geldt vaak min of meer hetzelfde. Dit betekent dat ook ten aanzien van dergelijke onderwerpen de facto geen volwaardige rechtse«nheidsvoorziening aanwezig is.