Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.4.2.2
4.2.2 Een nadere beschouwing over schulden die zijn aangegaan in verband met de verwerving van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot het privévermogen van een echtgenoot is gaan behoren
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948253:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in dat kader paragraaf 2.2 en 3.4 van hoofdstuk 8 waar nader wordt ingegaan op het zogenoemde verbod op ‘vliegend onroerend goed’.
Zie Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/238-245.
Zie hierover paragraaf 3.6 van hoofdstuk 7.
Hetzelfde geldt wanneer men zou aannemen dat op grond van artikel 1:96 lid 5 BW niet de echtgenoot zelf, maar de huwelijksgemeenschap rechtstreeks, een vergoedingsrecht op de andere echtgenoot verkrijgt. In dat geval zal de schuld eveneens in de huwelijksgemeenschap vallen, omdat deze dan aan dat vergoedingsrecht is ‘verbonden’.
Vgl. de hiervoor in paragraaf 4.2.1 (randnummer 336) reeds geciteerde passage uit Kamerstukken I 2008/09, 28 867, C, p. 4-5.
Zie over (de reikwijdte van) beide artikelen paragraaf 4.4 van hoofdstuk 7.
337. In de vorige paragraaf is gebleken dat als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ óók kwalificeert een schuld die een echtgenoot is aangegaan in verband met de verwerving van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot zijn privévermogen is gaan behoren. Daarbij is echter nog niet uitgediept wat precies de reikwijdte van die uitzondering is. Daarbij dienen zich in ieder geval twee vragen aan. De eerste vraag is wanneer de schuld moet zijn aangegaan om het goed te kunnen volgen dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen; is het mogelijk dat een echtgenoot eerder geleende gelden pas op een láter moment gebruikt voor de verwerving van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot zijn privévermogen gaat behoren, waardoor die lening (alsnog) als een privéschuld in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a BW gaat kwalificeren? Bij beantwoording van deze vraag komt aan het licht dat aan de (wijze van) uitbetaling van de geleende gelden nadere eisen moeten worden gesteld om de daar tegenover gestelde schuld als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ te kunnen kwalificeren. De tweede vraag is wie de schuld moet zijn aangegaan om in dergelijke gevallen als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ te kunnen kwalificeren; kan een lening die door de ene echtgenoot is aangegaan op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a BW buiten de huwelijksgemeenschap vallen wanneer de geleende gelden zijn aangewend voor de verkrijging van een goed dat door de andere echtgenoot is verkregen, en dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen?
338. Om antwoord op deze vragen te kunnen geven is het belangrijk om eerst helder te hebben wat er gebeurt wanneer een geldlening wordt afgesloten. Een echtgenoot die een overeenkomst van geldlening sluit zal op grond van die overeenkomst eerst een vordering tot uitbetaling van een geldbedrag verkrijgen. Die vordering kwalificeert als een goed in de zin van artikel 3:1 BW, en zal op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW in de huwelijksgemeenschap vallen. Dat geldt zowel wanneer het een beperkte huwelijksgemeenschap betreft, als wanneer het om een algehele wettelijke gemeenschap van goederen gaat. Als de vordering vervolgens wordt geïnd, dus het geleende geld wordt uitbetaald, treedt het geïnde bedrag in de plaats van die vordering. Tegelijkertijd ontstaat een verplichting tot terugbetaling. Er ontstaan door inning dus een nieuw goed én een nieuwe schuld (i.e. het geïnde bedrag en de terugbetalingsverplichting). Als de betreffende echtgenoot het geïnde bedrag aan zichzelf laat uitbetalen, vloeit het geïnde bedrag in zijn vermogen. Is hij in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zal op dat moment vastgesteld moeten worden of het uitbetaalde bedrag tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. In beginsel is dat het geval. Het geïnde bedrag is immers niet krachtens erfrechtelijke titel of schenking verkregen, en kwalificeert ook niet als een vervanging van een goed dat daarvóór tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoorde. De vordering tot inning viel immers óók in de huwelijksgemeenschap. Precies hetzelfde geldt voor de schuld die door inning van het bedrag is ontstaan. Ook daarvan kan op het moment van ontstaan niet worden gesteld dat het onder een van de uitzonderingen van artikel 1:94 lid 7/artikel 1:94 lid 5 oud BW valt. Staat eenmaal vast dat een goed en een schuld tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren, dan kan dat resultaat later niet meer wijzigen, althans niet zonder dat een nieuwe verkrijging heeft plaatsgevonden.1 Dat geldt óók als het door een echtgenoot geïnde bedrag direct daarna door hem wordt aangewend ter verkrijging van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot zijn privévermogen gaat behoren. Ook in dat geval zijn het geïnde bedrag, en de daaraan verbonden terugbetalingsverplichting, eerst tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. Pas daarná is met het geleende geld een ander goed verworven. Dat dit andere goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen, kan het resultaat ten aanzien van de geleende gelden (dus) niet meer veranderen. Die geleende gelden blijven als ‘gemeenschapsgelden’ kwalificeren, en de daar tegenover staande schuld als ‘gemeenschapsschuld’. Dit alles betekent dat geleende gelden, en de daar tegenover staande schuld, alléén buiten de huwelijksgemeenschap kunnen blijven als de geleende gelden niet eerst aan de betreffende echtgenoot zélf worden uitbetaald. Alleen dan blijven deze gelden buiten het vermogen van de betreffende echtgenoot, waardoor deze ook niet door boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. Dit maakt de weg vrij om óók de tegenover deze geleende gelden staande schuld buiten de huwelijksgemeenschap te laten vallen. Als een echtgenoot met behulp van een lening een goed verwerft dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt, zal die lening dus alléén als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kunnen kwalificeren als het op grond van de overeenkomst van geldlening geïnde bedrag door de geldverstrekker rechtstreeks aan de verkoper van het goed is voldaan, enniet eerst in het vermogen van de betreffende echtgenoot is gevloeid. Alleen dán is het geïnde bedrag niet tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, en zal de tegenover die geleende gelden staande schuld op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Daarbij heeft dan nog wel te gelden dat bij de verkoop en levering van vastgoed (registergoederen) de betaling van de koopprijs normaliter via de kwaliteitsrekening van de notaris zal lopen (zie artikel 25 Wna). Aangenomen mag worden dat in dat geval het door de kredietverstrekker ter beschikking gestelde bedrag het vermogen van de kopende echtgenoot niet passeert, althans dat dit bedrag nimmer in zijn macht komt.2 Aldus zal (ook) in dat geval het geleende geld als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeren, indien en voor zover het registergoed dat met dat geleende geld is verworven op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot is gaan behoren.3 Zou betaling daarentegen via (een bankrekening van) de echtgenoten zélf plaatsvinden, dan geldt dat de tegenover de geleende gelden staande schuld op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 7/artikel 1:94 lid 5 oud BW onverminderd tot de huwelijksgemeenschap zal gaan behoren.
339. Gaat men van deze uitgangspunten uit, dan kan er ook geen onduidelijkheid bestaan over de vraag hoe veel tijd er tussen het aangaan van de schuld en de verkrijging van het privégoed moet zitten om die schuld als een schuld ‘betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ te kunnen kwalificeren. Zou men aannemen dat een schuld óók als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap goed’ kan kwalificeren als het geleende geldbedrag eerst aan de betreffende echtgenoot is uitbetaald, dan kan zich de situatie voordoen dat een echtgenoot een geldbedrag leent, en dat pas later gebruikt voor de verwerving van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot zijn privévermogen gaat behoren. Waar ligt in dat geval de grens? Moet het eerder geleende geld binnen een paar dagen zijn aangewend voor de verwerving van het privégoed, of kan het ook om weken of zelfs maanden gaan? En wat als een echtgenoot geld heeft geleend zónder dat hij op dat moment concreet van plan was een goed te kopen, en hij pas later besluit om dat geld voor de verwerving van een bepaald goed aan te wenden (en dat goed vervolgens op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt). Kan die schuld dan alsnog als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeren, en aldus van een gemeenschapsschuld in een privéschuld veranderen? Het ligt voor de hand dat dit niet kan, maar op grond van de tekst van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW is het niet uitgesloten. Daar wordt immers uitsluitend gesproken over ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’. Nergens wordt de eis gesteld dat die schuld moet zijn aangegaan met het oogmerk dat goed te verwerven. Hooguit zou men in dergelijke gevallen een parallel kunnen trekken met hetgeen artikel 1:125 oud BW voor de gemeenschap van vruchten en inkomsten bepaalde. De laatste zin van dat artikel luidde (onderstreping TS): “Een schuld die een echtgenoot met medeweten van de schuldeiser in verband met de verwerving van een goed aangaat, valt niet in de gemeenschap valt.” Erg sterk is deze parallel echter niet, omdat algemeen werd aangenomen dat artikel 1:125 BW niet analoog mocht worden toegepast op de wettelijke gemeenschap van goederen.4 Volgt men de hiervóór in randnummer 338 uitgewerkte benadering, dan bestaan deze vragen allemaal niet. Een schuld kan dan alleen als een privéschuld kwalificeren als de geleende gelden niet eerst – al is het maar heel even – tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren. In dat geval kan een echtgenoot eerder een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan (waardoor hij een vordering tot betaling van die geleende gelden heeft verkregen), en die geleende gelden pas later hebben aangewend voor de verwerving van een goed dat tot zijn privévermogen gaat behoren, zo lang hij de door hem geleende gelden in de tussentijd maar niet aan zichzelf heeft laten uitkeren. De schuld die door inning ontstaat zal dan nog altijd als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeren, indien en voor zover het goed dat mede onder aanwending van die geleende middelen is verworven op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt.
340. De tweede vraag die aan het begin van deze paragraaf is gesteld, is of het nog uitmaakt wie de schuld is aangegaan waarmee een deel van de tegenprestatie van een goed is gefinancierd dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen. Daarbij kunnen twee situaties worden onderscheiden. De eerste situatie is dat de echtgenoot tot wiens privévermogen het betreffende goed is gaan behoren die schuld niet zelf is aangegaan, maar uitsluitend de andere echtgenoot het geld heeft geleend. De tweede situatie is dat het geld door beide echtgenoten is geleend. Gaat het om de eerste situatie, dan kan de schuld uit hoofde van geldlening naar mijn mening nimmer als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeren, (dus) óók niet als het geleende geld rechtstreeks door de geldverstrekker aan de verkoper van het betreffende goed is voldaan. Weliswaar gaat het geleende geld in dat geval niet eerst tot het vermogen van de andere echtgenoot behoren (en dus krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap, vgl. mijn opmerkingen in randnummer 338 hiervóór), maar op het moment dat het door de ene echtgenoot geleende geld wordt aangewend voor de gedeeltelijke voldoening van de tegenprestatie van een goed dat tot het privévermogen van de andere echtgenoot gaat behoren, verkrijgt eerstgenoemde echtgenoot een vergoedingsvordering op de ander. Die andere echtgenoot verkrijgt zijn goed immers mede ten laste van het vermogen van de echtgenoot die het geld leende. Dat doet op grond van artikel 1:87 lid 1 BW een vergoedingsrecht ontstaan. Daarmee wordt het door de echtgenoot geïnde geldbedrag ‘vervangen’ door een vergoedingsrecht. Dat vergoedingsrecht gaat op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW/artikel 1:94 lid 2 oud BW tot de huwelijksgemeenschap behoren. Het is niet krachtens erfrechtelijke titel of schenking verkregen, en kwalificeert evenmin als vervanging van een goed dat daarvóór tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoorde. Datzelfde geldt vervolgens voor de terugbetalingsschuld die door inning van het geleende geldbedrag is ontstaan. Ook die schuld gaat tot de huwelijksgemeenschap behoren. Deze schuld is immers ‘verbonden’ aan het vergoedingsrecht dat tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren, en niet aan het door de andere echtgenoot krachtens artikel 1:95 lid 1 BW in privé verkregen goed. Daarmee kan de schuld uit hoofde van geldlening die de andere echtgenoot is aangegaan niet als een schuld ‘betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeren. Aldus valt deze schuld op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 7/artikel 1:94 lid 5 BW gewoon in de huwelijksgemeenschap die tussen de echtgenoten bestaat, en gaat deze niet tot het privévermogen behoren van de echtgenoot die het geld geleend heeft.5
341. Dit alles ligt anders wanneer de overeenkomst van geldlening door beide echtgenoten is aangegaan (de tweede situatie). Is het geleende geld in dat geval rechtstreeks door de geldverstrekker aan de vervreemder van het goed voldaan, dan kwalificeert de terugbetalingsschuld wél als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’. Dat komt doordat in dat geval de echtgenoot die het goed in privé heeft verkregen in de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten de schuld volledig dient te dragen (zie artikel 6:10 lid 1 BW). Er is daardoor dus (nog) geen vergoedingsrecht van de ene op de andere echtgenoot ontstaan. Aldus is de schuld die uit hoofde van de inning is ontstaan rechtstreeks ‘verbonden’ aan het goed dat door een van de echtgenoten in privé is verkregen. Daardoor kan de schuld wél als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeren. Deze schuld valt dus buiten de huwelijksgemeenschap, ook al zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk.6 Die hoofdelijke aansprakelijkheid brengt vervolgens wel met zich mee dat de andere echtgenoot door de geldverstrekker kan worden aangesproken tot voldoening van de schuld. Verhaalt de geldverstrekker zich op het privévermogen van die echtgenoot, dan ontstaat alsnog een vergoedingsaanspraak/regresvordering jegens de andere echtgenoot. Die vordering valt dan op grond van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap waarin de echtgenoten zijn gehuwd. De vordering is immers ontstaan doordat de ene echtgenoot met zijn privémiddelen een privéschuld van de ander heeft gedragen. De vergoedings-/regresvordering die daardoor ontstaat, treedt dus in de plaats van die privémiddelen, en kwalificeert daarmee als een ‘vordering tot vergoeding’ in de zin van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW.7 Aldus gaat de vergoedingsvordering op die grond tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoren. Verhaalt de geldverstrekker de privéschuld op het vermogen van de huwelijksgemeenschap, dan verkrijgt de huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:96 lid 5 BW een vergoedingsrecht. Dat is dan een vergoedingsrecht uitsluitend jegens de echtgenoot die met de geleende middelen het privégoed heeft verkregen (en dus niet jegens beide echtgenoten in privé). In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten ging de schuld immers hem alleen aan, zodat de huwelijksgemeenschap ook alleen op hem een vergoedingsrecht heeft verkregen.