Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.4.2.1
4.2.1 Welke schulden kwalificeren als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’?
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948252:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur bestonden hier verschillende opvattingen over. Zie voor een korte samenvatting van de verschillende standpunten Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 214.
Zie Parl. Gesch. Inv. Boek 1 BW, p. 1187.
Zie Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 225-226. Vgl. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/310 en 312.
Zie Kamerstukken I 2008/09, 28 867, C, p. 4-5.
Zie Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 226-227 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 116. Vgl. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/310.
Zie Kamerstukken II 2016/17, 33 987, nr. 17. Zie tevens C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 154; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 136; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/15 en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/291.
Zie Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 226-227 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 116. Zie tevens Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/310. Zie in dit verband ook de discussie hierover naar het recht dat vóór 1 januari 2012 gold tussen W.R. Meijer en C.A. Kraan in WPNR 2001/6440 en WPNR 2001/6450.
Zie over artikel 1:95 lid 1 BW uitvoerig hoofdstuk 7. Daar wordt in paragraaf 3.6 ook uiteengezet dat een echtgenoot voor de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW niet kan bepalen of een schuld als ‘eigen vermogen’ in de zin van dat artikel kwalificeert en aldus kan bewerkstelligen dat een door hem met die geleende gelden verworven goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt. Een derde kan dat onder omstandigheden wel. Zie daarvoor ook paragraaf 3.6 van hoofdstuk 7, onder verwijzing naar HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378.
Zie Kamerstukken I 2008/09, 28 867, C, p. 4-5. Zie tevens Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 22.
Zie voor die terminologie van ‘volgen’ Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 208.
Zie anders Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 229-230. Hij meent dat een dergelijke schuld altijd als een gemeenschapsschuld zal kwalificeren. Deze opvatting kan na de toelichting van de minister in Kamerstukken I 2008/09, 28 867, C, p. 4-5 niet meer volgehouden worden. Wel kan een dergelijke schuld naar mijn mening alléén als een privéschuld kwalificeren, als de geleende gelden nimmer – ook niet een ondeelbaar moment – tot het vermogen van de betreffende echtgenoot zijn gaan behoren. Zie daarover paragraaf 4.2.2 hierna.
Zie paragraaf 3.5.2.3 hiervóór, onder verwijzing naar HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378.
334. Artikel 1:94 lid 7 sub a BW en artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW bepalen dat van de gemeenschap zijn uitgezonderd ‘schulden betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen’. Artikel 1:94 lid 5 oud BW is per 1 januari 2012 ingevoerd. Daarvóór bestond een dergelijke bepaling niet. Vóór 1 januari 2012 bepaalde artikel 1:94 lid 2 oud BW dat de gemeenschap wat haar lasten betreft alle schulden van ieder der echtgenoten omvatte, en konden schulden slechts op grond van bijzondere verknochtheid buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Hoe ver die bijzondere verknochtheid van schulden reikte, was niet duidelijk.1 Bij de parlementaire behandeling van artikel 1:94 lid 3 oud BW werd als voorbeeld van verknochte schulden vermeld dat onder meer te denken valt aan het geval dat een echtgenoot goederen heeft geërfd onder uitsluitingsclausule, in welk geval op grond van bijzondere verknochtheid ook de schulden van de nalatenschap als privéschulden moesten worden aangemerkt. En ook schulden die later ten aanzien van deze goederen ontstonden, zouden dan als bijzonder verknocht buiten de huwelijksgemeenschap kunnen vallen.2
335. Met de invoering van artikel 1:94 lid 5 oud BW per 1 januari 2012 is de regeling van de bijzondere verknochtheid van schulden naar de achtergrond verdwenen.3 Met artikel 1:94 lid 5 oud BW maakte de wetgever duidelijk welke schulden in ieder geval van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd. Ter toelichting op deze uitzondering merkte de minister op dat gedacht kan worden aan schulden die worden aangegaan met betrekking tot privégoederen, bijvoorbeeld tot onderhoud daarvan, alsmede aan schulden die aan een echtgenoot met betrekking tot een tot diens privévermogen behorend goed worden opgelegd, zoals onroerendzaakbelasting, of aan een aansprakelijkheid uit artikel 6:174 BW (bezittersaansprakelijkheid voor opstallen).4 Uit deze toelichting volgt dat van de werking van boedelmenging in ieder geval zijn uitgezonderd schulden die rechtstreeks verband houden met goederen die zelf buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Dat zijn bijvoorbeeld nog niet betaalde nota’s van onderhoud of verbetering van een privégoed, of de over een gift verschuldigde schenkbelasting.5 In paragraaf 3.2.3 werd in dit kader bovendien op de figuur van het legaat tegen inbreng van de waarde gewezen; als het gelegateerde goed buiten de huwelijksgemeenschap valt kwalificeert de verplichting tot inbreng op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a BW als een privéschuld van de betreffende echtgenoot.6 Niet duidelijk is echter wat geldt wanneer het een schuld betreft die niet rechtstreeks verband houdt met een goed dat buiten de huwelijksgemeenschap valt, zoals een lening die wordt aangegaan om het onderhoud of een verbouwing van een privéwoning te bekostigen. Met Breederveld ben ik van mening dat een dergelijke lening niet rechtstreeks onder de werking van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW valt.7 De schuld vloeit immers niet direct voort uit de (eigendom van de) privéwoning, zodat deze op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 7 BW/artikel 1:94 lid 5 oud BW gewoon tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. Zoals in paragraaf 4.3 nog zal blijken kwalificeert een dergelijke schuld óók niet als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 7 sub b BW (zie met name randnummer 349). Ook op die grond zal een dergelijke schuld dus niet buiten de huwelijksgemeenschap kunnen vallen. Hooguit zou een dergelijke schuld op grond van ‘schuldvervanging’ buiten de huwelijksgemeenschap kunnen vallen. Dat zal echter alléén het geval zijn wanneer het geleende geld door de geldverstrekker rechtstreeks is voldaan aan de schuldeiser van de schuld ter voldoening waarvan de geleende gelden zijn verstrekt, en die geleende gelden dus niet eerst tot het vermogen van de betreffende echtgenoot zijn gaan behoren. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 4.4 nog over opgemerkt zal worden. Het gevolg van het feit dat een dergelijke schuld tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren is niet alleen dat de echtgenoten deze schuld ieder bij helfte moeten dragen, en dat de schuldeiser zich ter verhaal van zijn vordering op (de volledige op opbrengst van) de goederen van de huwelijksgemeenschap kan verhalen, maar óók dat de huwelijksgemeenschap een vergoedingsrecht op de betreffende echtgenoot in privé verkrijgt. Het geleende gemeenschapsgeld wordt immers aangewend ter delging van een schuld die wél tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot is gaan behoren (i.e. de kosten van onderhoud of verbouwing van de privéwoning). Aldus ontstaat op grond van artikel 1:96 lid 4 BW een vergoedingsrecht van de huwelijksgemeenschap op de betreffende echtgenoot in privé.
336. Bij de parlementaire behandeling van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW werd verder ook duidelijk gemaakt wat rechtens is wanneer ter verkrijging van een goed een geldlening is aangegaan, en dat goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt.8 De minister merkte hierover op dat wanneer een goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt, ook de schuld die in verband met de voldoening van de tegenprestatie voor de verkrijging van dat goed is aangegaan op grond van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW buiten de huwelijksgemeenschap zal vallen. Bij de beperkte huwelijksgemeenschap geldt op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW hetzelfde. Daarbij gaf de minister de volgende toelichting:9
“De bedoelde leden geven het voorbeeld van een in gemeenschap gehuwde echtgenoot die voor 100 000 euro een huis koopt en op zijn naam doet stellen, waarbij de betaling voor 60 000 euro geschiedt met onder uitsluitingsclausule verkregen gelden en voor 40 000 euro met gelden uit een door hem aangegane hypothecaire lening waarvoor de andere echtgenoot zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld. Het huis zal ingevolge het voorgestelde artikel 95 lid 1 niet in de gemeenschap vallen. Naar het huidige recht is dit evenmin het geval, als gevolg van analogische toepassing van artikel 124 lid 2. Ook de schuld van 40 000 euro zal op grond van het voorgestelde artikel 94 lid 5 niet in de gemeenschap vallen (zie de memorie van toelichting, blz. 22). De omstandigheid dat de vrouw zich naast de man hoofdelijk voor de schuld heeft verbonden, doet niet af aan het privékarakter van de schuld, doch brengt wel mee dat zij door de bank kan worden aangesproken, in welk geval dan een vergoedingsaanspraak jegens de man ontstaat. Naar huidig recht bestaan over het privékarakter van een dergelijke schuld uiteenlopende opvattingen.
Voor zover tijdens huwelijk ten laste van de gemeenschap op de lening wordt afgelost, profiteert ook de gemeenschap van de waardestijging. Dit vloeit inderdaad voort uit de in dit verband door de leden genoemde artikelen 96 lid 4 en 87 lid 2. Anders evenwel dan de leden veronderstellen, zou de gemeenschap niet in verdergaande mate profiteren van een waardestijging, als de financieringsschuld tot de gemeenschap zou behoren. Het door de leden genoemde artikel 95 lid 1, tweede volzin, is op deze situatie niet van toepassing, aangezien de tegenprestatie slechts ‘ten laste van de gemeenschap komt’ indien en voor zover deze daadwerkelijk met middelen uit de gemeenschap is voldaan. De bepaling ziet dus niet op een tegenprestatie die is voldaan uit middelen, verkregen door middel van een lening door een derde, waarvan de aflossing nog niet heeft plaatsgevonden. Ook als de schuld van 40 000 euro zou moeten worden beschouwd als een gemeenschapsschuld, zou voor een vergoedingsrecht slechts grond bestaan voor zover de schuld daadwerkelijk is verminderd met betalingen ten laste van de gemeenschap.”
Uit deze toelichting blijkt dat wanneer een goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt een schuld die in verband met de verwerving van dat goed is aangegaan dat goed op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a BW ‘volgt’,10 en zelf ook buiten de huwelijksgemeenschap valt.11 Dat geldt naar mijn mening dan óók voor de rente en andere kosten die uit een dergelijke schuld kunnen voortvloeien. Artikel 1:94 lid 7 sub a BW en artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW zijn bovendien van toepassing op de schuld die resteert wanneer bij de verkrijging van een goed meer dan de helft van de verschuldigde tegenprestatie dan wel een voor de voldoening van die tegenprestatie aangegane geldlening wordt kwijtgescholden, waardoor dat goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt maar er nog wel een gedeelte van de tegenprestatie of de geldlening (van minder dan de helft) resteert.12 Ook in dat geval kwalificeert het restant van die tegenprestatie of geldlening als een ‘schuld betreffende van een van de gemeenschap uitgezonderd goed’, zodat deze schuld op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW buiten de huwelijksgemeenschap valt. En ervan uitgaande dat ook een gift in de vorm van een materiële bevoordeling ertoe kan leiden dat een goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt (zie paragraaf 3.5.2.4 hiervóór), zal de te lage tegenprestatie die in dat geval is verschuldigd, maar wellicht nog niet volledig is voldaan, óók als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed ‘kwalificeren, en dus op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW het van de gemeenschap uitgezonderde goed volgen. En precies hetzelfde geldt wanneer zou worden aangenomen dat in dat soort gevallen het goed zélf als object van de gift zou moeten worden gekwalificeerd (zie randnummer 323 hiervóór); ook dan zal de te lage tegenprestatie die alsdan is verschuldigd, maar nog niet (volledig) is voldaan, als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed‘ kwalificeren, en dus op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW buiten de huwelijksgemeenschap vallen waarin de begiftigde is gehuwd.