Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.4.2.3
4.2.3 De (on)deelbaarheid van schulden bij toepassing van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a BW
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948269:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3 van hoofdstuk 10 voor de werking van zaaksvervanging bij giraal betalingsverkeer, met name voor beantwoording van de vraag wat er gebeurt wanneer er ‘privégelden’ worden bijgeschreven op een bankrekening waarvan het saldo daarvóór volledig tot de huwelijksgemeenschap behoorde (zie paragraaf 3.3.1), en hetgeen er gebeurt (‘toerekening’) wanneer er vervolgens ten laste van die bankrekening uitgaven worden gedaan (zie paragraaf 3.3.3).
Zie artikel IV lid 2 (overgangsrecht), Stb. 2017, 177. Zie tevens paragraaf 2 van dit hoofdstuk.
342. Een laatste vraag die in het kader van de toepassing van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a BW nog van belang kan zijn, is of een schuld deels wel en deels niet tot de huwelijksgemeenschap kan gaan behoren. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie dat een echtgenoot een bedrag van € 100.000 leent, en van dat geleende bedrag € 60.000 besteed aan de verwerving van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot zijn privévermogen gaat behoren; een bedrag van € 40.000 laat hij aan zichzelf uitkeren, ten laste waarvan hij later andere uitgaven doet. Valt de geldschuld van € 100.000 dan wel, niet, of slechts gedeeltelijk in de huwelijksgemeenschap waarin de betreffende echtgenoot is gehuwd? Daarbij zij herhaald dat de geldschuld te allen tijde in de huwelijksgemeenschap valt als het bedrag van € 60.000 niet rechtstreeks van de geldverstrekker aan de verkoper van het betreffende privégoed is voldaan (zie randnummer 338 hiervóór). Is dat wél gebeurd, dan zijn er verschillende opties.
343. De eerste optie is dat men een geldschuld als een ondeelbaar geheel beschouwt bij beantwoording van de vraag of deze wel of niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen. In dat geval zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de schuld in de huwelijksgemeenschap valt als deze niet volledig als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeert. Gaat men van deze opvatting uit, dan kwalificeert de lening van € 100.000 als een gemeenschapsschuld omdat de geleende gelden niet volledig zijn aangewend ter verwerving van een goed dat buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen. Dat heeft tot gevolg dat óók het geleende bedrag van € 60.000 als ‘gemeenschapsgeld’ kwalificeert, ook al heeft de geldverstrekker dat deel van de geleende gelden rechtstreeks voldaan aan de verkoper van het goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot het privévermogen van een van de echtgenoten is gaan behoren. Door deze besteding is dat gemeenschapsgeld in het privévermogen van die betreffende echtgenoot gevloeid, waardoor de huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:95 lid 2 BW een vergoedingsvordering op de betreffende echtgenoot in privé heeft verkregen. De tweede mogelijkheid is dat voor de vaststelling of sprake is van een privéschuld wordt aangesloten bij de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW. In dat geval is voor de vraag of een schuld in de huwelijksgemeenschap is gevallen beslissend of meer dan de helft van het geleende geld (rechtstreeks) is aangewend ter financiering van een goed dat tot het privévermogen van een echtgenoot is gaan behoren. Is dat het geval, dan kwalificeert de volledige schuld als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’. In het hiervoor geschetste voorbeeld betekent dit dat ook het deel van de lening van € 40.000 als een ‘privéschuld’ van de betreffende echtgenoot kwalificeert, en dat het geleende bedrag van € 40.000 dus ook niet tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren. Hetgeen met die gelden wordt aangeschaft, zal dan op grond van artikel 1:95 lid 1 BW ook weer buiten de huwelijksgemeenschap vallen.1 Tegen deze tweede mogelijkheid kan worden aangevoerd dat artikel 1:95 lid 1 BW slechts betrekking heeft op de verkrijging van goederen, niet op het ontstaan van schulden. Bovendien is hiervóór reeds uiteengezet dat een schuld alleen maar als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeren als de geleende gelden niet eerst aan de betreffende echtgenoot zélf zijn uitgekeerd (zie randnummer 338 hiervóór). Ten aanzien van het bedrag van € 40.000 kan dit nu eenmaal niet volgehouden worden. Als men een schuld voor de toepassing van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/1:94 lid 5 sub a oud BW als een ondeelbaar geheel beschouwt, moet volgens mij dus de eerste mogelijkheid worden gevolgd. Dat betekent dat een schuld alléén maar als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kan kwalificeren als het geleende geld volledig is aangewend voor de voldoening van de tegenprestatie van een goed dat tot het privévermogen van een van de echtgenoten is gaan behoren; is het geleende geld daar niet volledig voor aangewend, dan gaat de schuld in zijn geheel tot de huwelijksgemeenschap behoren.
344. Wat mij betreft zijn er echter onvoldoende gronden om een geldschuld voor de toepassing van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/1:94 lid 5 sub a oud BW als een ondeelbaar geheel te beschouwen. Als de door de schuldeiser te vorderen prestatie deelbaar is, is de daar tegenover staande schuld dat ook. Een vordering tot terugbetaling van een geleend bedrag is een deelbare prestatie.2 Door deze deelbaarheid kan de schuld die daaruit voortvloeit óók als ‘deelbaar’ worden beschouwd. Deze deelbaarheid heeft tot gevolg dat een geldschuld deels wel en deels niet tot een huwelijksgemeenschap kan gaan behoren. In het hiervoor onder randnummer 342 geschetste voorbeeld betekent dit dat van het totaal geleende bedrag van € 100.000, een bedrag van € 60.000 als een ‘schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ kwalificeert, en een bedrag van € 40.000 als een gemeenschapsschuld. Dit heeft gevolgen voor zowel de echtgenoten, als voor de schuldeiser van de betreffende geldschuld. Voor de echtgenoten is het gevolg dat de ene echtgenoot een bedrag van € 60.000 met uitsluiting van de ander dient te dragen, omdat dit deel van de schuld tot zijn privévermogen behoort; het restant van € 40.000 dienen beide echtgenoten ieder bij helfte te dragen (althans ‘de huwelijksgemeenschap’) omdat dit deel in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Voor wat betreft de gevolgen voor de schuldeiser dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de situatie dat de echtgenoten in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, en de situatie dat het een beperkte huwelijksgemeenschap betreft. Ervan uitgaande dat de echtgenoot die met het geleende geld een privégoed heeft verworven de lening als enige is aangegaan, kan de schuldeiser bij een algehele wettelijke gemeenschap van goederen de volledige schuld krachtens artikel 1:96 lid 1 BW verhalen op zowel het privévermogen van die echtgenoot als op volledige executieopbrengst van de goederen van de huwelijksgemeenschap.3 Artikel 1:96 lid 3 BW is immers niet op de algehele wettelijke gemeenschap van toepassing.4 Zijn de echtgenoten in de beperkte huwelijksgemeenschap getrouwd, dan geldt artikel 1:96 lid 3 BW wél. In dat geval kan de schuldeiser de schuld nog steeds volledig verhalen op het privévermogen van de echtgenoot die de lening is aangegaan, maar is zijn verhaal op de goederen van de huwelijksgemeenschap voor een bedrag van € 60.000 beperkt tot de helft van de executieopbrengst van de goederen van de huwelijksgemeenschap. Dat deel van de lening kwalificeert immers als een privéschuld van de betreffende echtgenoot, zodat ten aanzien van dat deel van de lening het bepaalde in artikel 1:96 lid 3 BW geldt. Voor het andere deel van € 40.000 geldt artikel 1:96 lid 3 BW niet. Aldus kan de schuldeiser zich voor dat deel van de schuld wél volledig op de opbrengst van de goederen van de huwelijksgemeenschap verhalen; dit deel van de lening is immers wel als schuld in de huwelijksgemeenschap gevallen.