Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.4.3
4.3 Schulden die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd (artikel 1:94 lid 7 sub b BW)
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948287:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/46.4. Zie voorts Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/310a.
Zie C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 154. Zie tevens Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/310a, alsmede Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 245, onder verwijzing naar R.E. Brinkman, ‘Schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7209.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 11, p. 3. Zie tevens C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 141; Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/46.4 en Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 209.
Vgl. Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 209.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 11, p. 3.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvA II), p. 627. Zie tevens Asser/Perrick 4 2021/473; Asser/Perrick 3-V 2023/78 en Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/35. Zie hierover ook paragraaf 6.7.3 van hoofdstuk 3.
In hoofdstuk 9 zal nog blijken dat de kwalificatie van een schuld als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ ook belangrijke gevolgen heeft voor de figuur van de tweetrapsmaking. Daar zorgt deze kwalificatie ervoor dat schulden die niet als een schuld in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub a BW kwalificeren, maar wel als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’, na het intreden van de voorwaarde waaronder de making is geschied alsnog op de goederen van het tweetrapsvermogen verhaald kunnen worden, ook al is de verwachter voor deze schulden niet aansprakelijk geworden. Zie daarover paragraaf 3.4.1 en 3.4.3 van hoofdstuk 9.
Zie Kolkman, Schulden van de nalatenschap (AN nr. 132) 2006, p. 238-239 en 241. Vgl. Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/35.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 97.
Vgl. hetgeen geldt voor de categorie van ‘schulden betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 oud BW. Zie paragraaf 4.2.1 hiervóór, onder verwijzing naar Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 226-227 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 116.
Zie Parl. Gesch. Inv. Boek 1 BW, p. 1186. Zie tevens C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 154; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 117; B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 116 en Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/240.
345. In de vorige paragraaf is ingegaan op de schulden ‘betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW. De tweede categorie van schulden die van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd wordt voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen in artikel 1:94 lid 7 sub b BW genoemd. Het betreft ‘schulden die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd’. Dit artikellid is nieuw ten opzichte van hetgeen voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen gold. Alhoewel artikel 1:94 lid 7 sub b BW dit niet met zoveel woorden vermeldt, gaat het hier uitsluitend om schulden van een nalatenschap waar een echtgenoot als erfgenaam toe gerechtigd is. Het gaat dus niet om lasten die bijvoorbeeld aan een legataris opgelegd kunnen worden.1 Heeft de erflater bij uiterste wilsbeschikking aan de verkrijging van het erfdeel door een echtgenoot de insluitingsclausule van artikel 1:94 lid 3 sub b BW verbonden, dan vallen de goederen van de nalatenschap in de beperkte huwelijksgemeenschap waarin de erfgenaam of begiftigde mocht zijn gehuwd. Dat geldt vervolgens óók voor de tot die nalatenschap behorende schulden. In dat geval is de uitzonderingsgrond van artikel 1:94 lid 7 sub b BW dus niet van toepassing, ook al betreft het schulden ‘die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd’. De tekst van artikel 1:94 lid 7 sub b BW brengt dat niet voldoende tot uitdrukking.2
346. Met dit alles is echter nog niet duidelijk welke schulden dan wél onder de categorie van artikel 1:94 lid 7 sub b BW vallen. Dat zijn ten eerste de ‘schulden van de nalatenschap’ die artikel 4:7 lid 1 BW noemt.3 In deze categorie van schulden kan een doublure zitten met de in artikel 1:94 lid 7 sub a BW uitgezonderde schulden.4 Als bijvoorbeeld een echtgenoot die als erfgenaam tot een nalatenschap is gerechtigd een woning heeft verkregen waaraan nog een hypothecaire geldlening is verbonden, kwalificeert die hypothecaire geldlening als ‘een schuld van de nalatenschap’, maar ook als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’. Uit de parlementaire toelichting bij artikel 1:94 lid 7 sub b volgt verder dat onder de daar genoemde schulden óók schulden kunnen vallen die ná het openvallen van een gemeenschappelijke nalatenschap zijn ontstaan die niet onder de reikwijdte van artikel 4:7 lid 1 BW vallen (en dus geen ‘schulden van de nalatenschap’ zijn), maar wel ‘tot de nalatenschap behoren’. In dat verband wordt er in die parlementaire toelichting op gewezen dat een gemeenschap van nalatenschap als een bijzondere gemeenschap in de zin van artikel 3.7.2 BW kwalificeert, en dat daar ook ná het ontstaan van de gemeenschap schulden toe kunnen gaan behoren.5 Alhoewel dit niet met zoveel woorden uit de toelichting blijkt, gaat het dan met name om schulden die gedurende het bestaan van de nalatenschap worden aangegaan door of namens de gezamenlijke erfgenamen ten behoeve van het beheer van de goederen van de gemeenschap (zie ook randnummer 347 hierna). Dat kunnen bijvoorbeeld kosten zijn van een noodzakelijke reparatie van een zaak die tot de nalatenschap behoort.6 Dergelijke schulden zijn geen ‘schuld van de nalatenschap’ in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW, maar kwalificeren wel als ‘schulden die tot de nalatenschap behoren’. Daarbij zij opgemerkt dat daar óók sprake van kan zijn wanneer er slechts één erfgenaam is. Ook dan kunnen er na het openvallen schulden ontstaan die niet onder artikel 4:7 lid 1 BW vallen, maar die wel ‘tot de nalatenschap behoren’. Het belang daarvan is er in gelegen dat wanneer de erfgenaam de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, de schuld mede op het afgescheiden vermogen van de nalatenschap kan worden verhaald (artikel 4:184 lid 1 BW).7 Dit laat onverlet dat deze schuld in dat geval óók op de overige goederen van de betreffende erfgenaam kan worden verhaald, nu deze niet als een ‘schuld van de nalatenschap’ in de zin van artikel 4:7 lid 1 jo. 4:184 lid 2 BW kwalificeert.
347. De vraag is vervolgens wel hoe ver deze categorie van ‘schulden die tot de nalatenschap behoren’ kan worden opgerekt. Kolkman bepleit dat op grond van de verkeersopvattingen vastgesteld zal moeten worden welke schulden tot de nalatenschap behoren.8 Dit sluit aan bij hetgeen in het Ontwerp BW voor de algemeenheid van goederen werd bepaald. Artikel 3.1.1.11 lid 1 Ontwerp BW luidde:9
“Goederen, of goederen en schulden, kunnen tezamen als algemeenheid van goederen het voorwerp van rechtsverhouding zijn, indien zij volgens verkeersopvattingen, gezien de aard van de rechtsverhouding, bijeen horen.”
Wat mij betreft brengen deze verkeersopvattingen met zich mee dat schulden die zijn ontstaan na het openvallen van de nalatenschap, en die niet onder een van de categorieën van artikel 4:7 lid 1 BW vallen, als ‘schulden die tot de nalatenschap behoren’ kwalificeren wanneer deze rechtstreeks verband houden met goederen of verplichtingen die tot de nalatenschap behoren. Daaronder vallen niet alleen schulden die uit de (eigendom van de) goederen van de nalatenschap voortvloeien, zoals de eigenaarslasten (OZB, etc.), maar ook onbetaalde nota’s in het kader van het beheer van een nalatenschapsgoed (voor een noodzakelijke reparatie of onderhoud) en schulden die ontstaan uit hoofde van wanprestatie omdat de erfgenamen een verplichting van erflater niet nakomen. Wordt ter voldoening van deze kosten echter een geldlening afgesloten dan kwalificeert de schuld uit hoofde van die geldlening niet als een ‘schuld die behoort tot de nalatenschap’.10 Niet valt in te zien waarom de schuldeiser van een dergelijke schuld een betere positie zou moeten krijgen dan de schuldeisers van andere schulden die de erfgena(a)m(en) op eigen naam is/zijn aangegaan. Dit geldt temeer nu die betere positie ten koste gaat van de andere schuldeisers van de nalatenschap. Als de schuld uit hoofde van geldlening tot de nalatenschap zou gaan behoren, zou deze op de goederen van de nalatenschap verhaald kunnen worden. In dat geval zijn er meer schuldeisers die zich exclusief op de goederen van de nalatenschap kunnen verhalen, hetgeen de positie van iedere individuele ‘nalatenschapsschuldeiser’ verzwakt en dus in strijd komt met de verkeersopvattingen.
348. Voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen waarin een erfgenaam is gehuwd betekent dit alles dat schulden die rechtstreeks voortvloeien uit de eigendom of het beheer van de goederen van de nalatenschap als ‘schulden die behoren tot de nalatenschap’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub b kwalificeren, en dus buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen. Ook hier ligt overigens een belangrijke overlap met de categorie schulden die in artikel 1:94 lid 7 sub a BW is genoemd, omdat deze schulden in beginsel ook als ‘schulden met betrekking tot een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ zullen kwalificeren. Schulden die met de eigendom of het beheer van de goederen van de nalatenschap verband houden, maar daar niet rechtstreeks uit voortvloeien, kwalificeren niet als ‘schulden die tot de nalatenschap behoren’, en vallen dus niet onder de uitzondering van artikel 1:94 lid 7 sub b BW. Zoals in paragraaf 4.2.1 reeds aangegeven kwalificeren deze schulden óók niet als schulden ‘betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub a BW. Dat heeft tot gevolg dat deze schulden in principe – want behoudens de mogelijkheid van ‘schuldvervanging, zie paragraaf 4.4 hierna — in de beperkte huwelijksgemeenschap zullen vallen.
349. Is een erfgenaam in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan ontbreekt een bepaling als die van artikel 1:94 lid 7 sub b BW. Algemeen wordt echter aangenomen dat óók bij een algehele wettelijke gemeenschap van goederen schulden die tot een van de huwelijksgemeenschap uitgesloten nalatenschap behoren, en die niet onder de uitzonderingscategorie van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW vallen, toch van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. Als grond wordt daarvoor dan aangevoerd dat deze schulden op grond van artikel 1:94 lid 3 oud BW als bijzonder verknocht buiten de huwelijksgemeenschap blijven.11 Ik sluit mij bij deze opvatting aan, en meen dat dit dan niet alleen geldt voor schulden van de nalatenschap zoals genoemd in artikel 4:7 lid 1 BW, maar óók voor schulden die daar niet onder vallen maar wel als ‘schulden die tot de nalatenschap behoren’ kwalificeren, en die niet reeds onder de werking van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW zouden vallen. Daarbij kan met name worden gedacht aan schulden die uit hoofde van wanprestatie ontstaan, omdat de erfgenaam/erfgenamen na het openvallen van de nalatenschap een bepaalde verplichting van erflater niet is/zijn nagekomen. Aldus geldt voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen precies hetzelfde als hetgeen voor de beperkte huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 sub b BW geldt, maar dan op grond van de regeling van de bijzondere verknochtheid.