Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.2.2:3.2.2 Terminologie
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.2.2
3.2.2 Terminologie
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584044:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit komt onder andere doordat de uitoefening van het retentierecht zich niet noodzakelijk op een andere manier manifesteert dan houderschap in een andere hoedanigheid, zie hierna par. 3.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
47. Het juridisch spraakgebruik kent allerlei manieren om het retentierecht aan te duiden. Om te kunnen spreken van het ‘hebben’ van een retentierecht is mijns inziens voldoende dat de bevoegdheid tot opschorting bestaat. Aan de wettelijke vereisten voor de opschortingsbevoegdheid moet cumulatief zijn voldaan. Een schuldeiser ‘heeft’ het retentierecht, indien hij bevoegd is om op te schorten. Hoewel hij opschortingsbevoegd is, kan de schuldeiser gegronde (bijvoorbeeld bedrijfseconomische) redenen hebben om het retentierecht niet uit te oefenen. De bevoegdheid is dan aanwezig, maar blijft ongebruikt. Het zou het meest zuiver zijn om de termen ‘ontstaan’ van het retentierecht en ‘hebben’ van het retentierecht te reserveren voor het moment dat aan de door de wet gestelde vereisten voor de opschortingsbevoegdheid is voldaan. De termen ‘inroepen’ of ‘uitoefenen’ zouden dan kunnen worden gebruikt voor het gebruikmaken van de bevoegdheid. In de praktijk zal dit onderscheid doorgaans niet zo scherp worden gemaakt.1 Daartegen is weinig bezwaar, maar het door elkaar gebruiken van de begrippen kan wel leiden tot een misverstand. Dat misverstand doet zich voor, wanneer zelfstandige betekenis wordt toegekend aan het moment van het uitoefenen van het retentierecht. Dat moment is namelijk niet bepalend. Hierna, in paragraaf 3.2.3, zal ik uiteenzetten dat het relevante moment het moment is dat de bevoegdheid tot opschorting bestaat, dus op het moment dat de schuldeiser een retentierecht heeft.
Er is mijns inziens weinig bezwaar tegen om in het taalgebruik het onderscheid tussen het hebben van het retentierecht en het inroepen ervan achterwege te laten. Maar voor het begrip van het retentierecht en de manier waarop het in ons BW is neergelegd, is wel van belang om het onderscheid te begrijpen tussen het hebben van een opschortingsbevoegdheid en de uitoefening ervan.