Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.4.4:III.4.4 tussenconclusie
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.4.4
III.4.4 tussenconclusie
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595125:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor kwamen drie grondslagen van de onschuldpresumptie aan bod: het voorkomen van veroordeling van onschuldigen, bevordering en bescherming van een rechtsstatelijke verhouding tussen de overheid en haar burgers en de vrijheid van de verdachte op autonome wijze en met gebruikmaking van zijn zwijgrecht zijn procespositie te kunnen bepalen. De uit de bewijsdimensie in paragraaf 3 afgeleide normen, worden niet alle op dezelfde wijze uit deze belangen verklaard.
De eerlijke, niet-vooringenomen bewijswaardering, een strenge bewijsmaatstaf en het bewijsrisico aan de kant van de overheid, en dus per definitie ook in dubio pro reo, beogen nadrukkelijk bij te dragen aan het voorkomen van de veroordeling van onschuldigen. Dat de verdachte bij twijfel wordt vrijgesproken, draagt er tevens toe bij dat de overheid haar recht tot bestraffing telkens moet waarmaken, zoals het in een rechtsstaat betaamt. Zou dit anders zijn dan zouden ook de waarde van het zwijgrecht, het nemo-teneturbeginsel en de daarin tot uitdrukking komende vrijheid van de verdachte zich passief op te stellen, onrealiseerbaar worden. Een strikte bewijsmaatstaf wordt minder door die derde grondslag verklaard. Wanneer weliswaar het bewijsrisico op de overheid zou rusten, maar met een lichtere bewijsmaatstaf genoegen zou worden genomen, zou dat vooral meer (onterechte) veroordelingen tot gevolg hebben.
De gedachte dat de verdachte in beginsel ook geen pure bewijsvoeringslast zou hoeven dragen, dat hij dus niet actief hoeft bij te dragen aan de waarheidsvinding, laat zich anders dan de andere normen niet baseren op de eerste grondslag. Het risico van onterechte veroordeling is klein, nu van de verdachte daarbij niets wordt verwacht wat voor een onschuldige verdachte niet eenvoudig te voldoen zou zijn. Toch zijn bewijsvoeringslasten niet geheel zonder bezwaren. In het licht van de rechtsstaatidee kan een bewijsvoeringslast problematisch zijn, omdat het de overheidstaak tot het waarmaken van diens bevoegdheidsaanspraak verlicht en druk op de verdachte legt om zijn zwijgrecht niet te gebruiken. Naarmate de overheid reeds stappen heeft gezet om het strafwaardige gedrag van de verdachte aan te tonen door bijvoorbeeld wezenlijke elementen van het strafbare feit te bewijzen, neemt vooral het rechtsstatelijke bezwaar tegen een bewijsvoeringslast af. Het zwijgrecht en de daarmee gepaard gaande partijautonomie blijven wel steeds in het geding. De onschuldpresumptie vervult in dat verband echter vooral een faciliterende rol ten behoeve van het directer geraakte zwijgrecht (en het nemo-teneturbeginsel). Het is daarom te begrijpen dat een bewijsvoeringslast ten aanzien van één onderdeel of enkele ondergeschikte onderdelen van de strafbare gedraging in de Anglo-Amerikaanse doctrine niet als een wezenlijke inbreuk op de bewijsdimensie wordt beschouwd. Daarbij geldt wel het voorbehoud dat een als bewijsvoeringslast gekwalificeerde last niet altijd louter een opdracht tot verklaren of aanleveren van materiaal is en dat steeds goed moet worden nagegaan wat de daadwerkelijke consequenties van een bepaalde last zijn. Wordt bijvoorbeeld verwacht dat de verdachte het door hem te stellen aannemelijk (of zelfs: waarschijnlijk) maakt, dan kan toch ook de eerste grondslag in zicht komen.
Uit de grondslagen voor de bewijsdimensie komt naar voren dat de bewijsdimensie vooral in het geding is, wanneer in het strafrecht enige redelijke twijfel omtrent de schuld van de verdachte aan diens veroordeling en bestraffing niet in de weg staan. Daarnaast is weinig ruimte voor een strafprocedure waarin een grote bijdrage van de verdachte wordt verlangd voordat de overheid het bewijs van schuld tot op zekere hoogte heeft geleverd.