Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.6.1
2.6.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451876:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Daaronder is begrepen het beleid van de rechtspersoon met betrekking tot dochtervennootschappen. Op deze wijze kan het onderzoek zich indirect ook op die dochtervennootschappen richten. Omdat dit geen toerekeningsvraag oproept, ga ik hier verder niet op in. Vgl. Van der Vlis 2000, p. 315-317.
Niet alle rechtspersonen hebben alle drie de organen. Het instellen van een raad van commissarissen is facultatief en een stichting heeft geen algemene vergadering. Ook is denkbaar dat een rechtspersoon meer organen heeft dan hier genoemd.
Haantjes & Olden 2013, p. 28 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3).
Vgl. Van Solinge 1998, p. 39-40.
Zie hierover Soerjatin 2012, p. 339-346.
Zie § 2.6.2.
Zie § 2.6.3.
Het onderzoek richt zich tegen de rechtspersoon. Artikel 2:350 lid 1 BW bepaalt dat de Ondernemingskamer het verzoek tot het houden van een enquête slechts toewijst, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Onderzocht wordt het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon, of delen van dat beleid en de gang van zaken, als de Ondernemingskamer het onderzoek heeft beperkt.1 De rechtspersoon heeft als organen het bestuur, soms een raad van commissarissen (waaronder in het navolgende tevens is begrepen een raad van toezicht bij een vereniging of stichting) en de algemene vergadering (van aandeelhouders of leden).2 Het gedrag van alle organen kan gevolgen hebben voor de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming. Daarom kunnen de gedragingen van alle organen van de rechtspersoon relevant zijn voor het antwoord op de vraag of er sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen c.q. of er sprake is van wanbeleid.3 De rechtspersoon is echter een juridische fictie. In feitelijke zin kan de rechtspersoon zelf niet handelen. In juridische zin kan hij dat wel, omdat het handelen van bepaalde natuurlijke personen (of rechtspersonen die uiteindelijk ook alleen kunnen handelen via natuurlijke personen) die deel uitmaken van zijn organen aan de rechtspersoon wordt toegerekend.4 Het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon richt zich dus op het handelen van die personen die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon. De vraag die ik in deze paragraaf wil beantwoorden, is of, en zo ja in welke mate en onder welke voorwaarden, het onderzoek zich ook kan richten op iets anders dan het gedrag van de personen die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon, en of de Ondernemingskamer daartoe opdracht mag geven.5
Daartoe bespreek ik eerst van welke personen het handelen in enquêterechtelijke zin aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.6 Het gedrag van die personen kan in het onderzoek zonder meer aan de orde komen. Het betreft immers handelen dat aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Vervolgens bespreek ik of, en zo ja onder welke restricties, ook gedrag of (voorgenomen) handelen van derden dat niet aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, voorwerp van onderzoek kan zijn.7