Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.2
II.2 Praesumptio innocentiae in het Romeinse recht?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600890:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Naast de reeds genoemde auteurs die de oorsprong zoeken in de Codex van Hammurabi, wijs ik op Greenleaf 1853, § 29, p. 31, die meent het principe te kunnen herleiden tot de Bijbel. Hij beroept zich daartoe op Deuteronomium 17:4. De Herziene Statenvertaling luidt: “en dat wordt u verteld en u hoort dat, dan moet u het goed onderzoeken. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo'n gruwelijke daad in Israël gedaan, [...].” Deze passage bevat evenwel niet meer dan de opdracht een zaak goed te onderzoeken alvorens ter dood te veroordelen.
Zie bijv. Glaser 1883, p. 65; Weng 1947, p. 17-21; Elibol 1965, p. 35; Quintard-Morénas 2010, p. 111 e.v. Zo ook het Amerikaanse Supreme Court 4 maart 1895, 156 U.S. 432, 454 (Coffin/United States). Diverse auteurs volstaan met verwijzing naar dit arrest ter onderbouwing van dezelfde stelling, zoals Cascarelli 1996, p. 230-233. Zie ook het Kamerlid Wiebinga in Handelingen II 1987/88, nr. 101, p. 5662.
Dig. 48.19.5. Tekst en vertalingen zijn hierna steeds ontleend aan Spruit e.a.
Zie over deze stelregel vanuit een rechtshistorisch perspectief en met diverse vindplaatsen Volokh 1997. Van Sliedregt (2009) verbond de titel van haar oratie over de onschuldpresumptie eraan (Tien tegen één). Tussen stelregel en onschuldpresumptie wordt onvoldoende scherp onderscheiden in Amerikaans Supreme Court 4 maart 1895, 156 U.S. 432, 455 (Coffin/United States).
Codex Iustinianus IV.19.25. Een tevens in verband met de overtuigingskracht van het bewijs regelmatig aangehaalde anekdote is van Ammianus Marcellinus (Rerum gestarum libri qui supersunt,boek 18, 1, 4), die vrij vertaald neerkomt op het volgende. Numerius, die terechtstond, volstond gedurende een proces met het ontkennen van zijn schuld. De aanklager riep bij gebrek aan bewijs wanhopig uit: “Oh keizer, als het voldoende is schuld te ontkennen, wat komt er dan terecht van de schuldigen?” Hierop antwoordde de keizer: “Als het voldoende is om iemand aan te klagen, wat komt er dan terecht van de onschuldigen?”
Dig. 42.1.38.
Dig. 48.19.42; Dig. 50.17.155, § 2. Vgl. dienovereenkomstig voor het ‘civiele’ proces Dig. 50.17.56; Dig. 50. 17.192, §1.
Van Hattum 2012, p. 47-48.
Quintard-Morénas 2010, p. 112-113.
Respectievelijk Dig. 48.3.1, Codex Iustinianus IX.4.1, en Dig. 48.19.8.9.
Dig. 3.2.6.1.
Quintard-Morénas noemt het recht van beschuldigden hun vermogen te beheren (Dig. 49.14.46.6), het recht terugbetaling van debiteuren te incasseren (Dig. 46.3.41) of schulden af te betalen (Dig. 46.3.42). Overleed de verdachte ten slotte, voordat een veroordeling was uitgesproken, dan mochten zijn eigendommen tevens niet aan zijn nalatenschap ontnomen worden (Dig. 48.21.3.7).
Zie over het verband tussen beide hierna § III.4.1.
Vgl. Motzenbäcker 1958, p. 3 e.v.; Köster 1979, p. 2. In het klassieke Romeinse recht was de rechter niet gebonden aan wettelijke bewijsregels. Wettelijke rechtsvermoedens lagen dan ook niet in de rede. Zie ook Foret 2007, p. 13, die met het stelsel van volledig vrije bewijswaardering in het klassieke Rome direct het bestaan van een onschuldpresumptie uitsluit, en wel zeer stellig: “[L]e principe de la présomption d’innocence n’est, il faut le souligner, nullement évoqué.”
Mommsen 1899, p. 400 en 436; zie voor nadere verwijzingen ook Henrion 2006, p. 91. Vgl. ook Dig. 22.3.2.
Vgl. Meyer 1971, p. 1441.
Zie Köster 1979, p. 3-5, i.h.b. de voetnoten 1, 2 en 5 op p. 4.
Bijv. Fernhout 1982; Keijzer 1987; Reijntjes 1996; Stolwijk 2007; Pelsser, ‘Art. 271 Sv’, in: T&C Sv, aant. 3.
Enkele auteurs menen ten onrechte dat het beginsel nog ouder is,1 maar één van de meest courante opvattingen is dat de onschuldpresumptie een Romeinsrechtelijke oorsprong heeft.2 Enige teksten uit het Corpus Iuris Civilis strekken tot onderbouwing van die laatste stelling. De voornaamste bron is een door Ulpianus aan keizer Trajanus toegeschreven rescript uit de Digesten:
“[...] dat men iemand ook niet op verdenkingen mag veroordelen, heeft de vergoddelijkte Trajanus [...] geschreven: dat het immers beter is dat het misdrijf van een dader ongestraft wordt gelaten dan dat een onschuldige veroordeeld wordt.”3
Het laatste deel van deze passage (hierna: Trajanusregel) is een beroemde stelregel geworden en tot op de dag van vandaag in uiteenlopende numerieke verhoudingen met de onschuldpresumptie verbonden.4 Het daarmee onderstreepte belang niet tot een onterechte strafrechtelijke veroordeling te komen, spreekt tevens uit het volgende, in de Codex Iustinianus aangetroffen vereiste:
“alle aanklagers die zaak [dienen] aan [te] brengen, die gesterkt is door geschikte getuigen of voorzien van volstrekt duidelijke bescheiden […] voor het bewijs die geen twijfel laten bestaan en helderder dan het daglicht zijn”.5
Ook andere passages van het Corpus verwoorden de gedachte dat de verdachte het voordeel van de twijfel toekwam. Zo stelt Paulus dat in ‘gedingen betreffende de vrijheid’ bij een staking van de stemmen ten gunste van de verdachte moet worden beslist.6 Andere digestenteksten gebieden bij twijfel over wetsinterpretatie de voor de verdediging meest gunstige lezing te volgen.7
Dat bij twijfel over de feitelijke of juridische schuld van de betrokkene geen ruimte was voor een strafrechtelijke veroordeling, betekende intussen niet dat in de late Romeinse republiek en in het keizerrijk de verdachte bij twijfel ook steeds vrijuit ging. Leden van de jury dienden slechts voor vrijspraak te opteren als zij van onschuld overtuigd waren. Was men van schuld noch onschuld overtuigd dan moest gekozen worden voor de tussenbeslissing, non liquet. Te weinig stemmen voor veroordeling of vrijspraak resulteerden in een herstart van het proces.8
De meeste auteurs die de stelling verdedigen dat de onschuldpresumptie in het Romeinse recht wortelt, doen dat op grond van deze op het bewijs betrekking hebbende regels. Agerend tegen een tot bewijsregels beperkte interpretatie van de onschuldpresumptie, laat Quintard-Morénas zien dat daarnaast de rechtspositie van de verdachte een beduidend andere en betere was dan die van de veroordeelde.9 Zo had de verdachte – afhankelijk van zijn reputatie en de ernst van het feit waarvan hij werd beschuldigd – het recht in afwachting van zijn strafproces op borgtocht vrij te komen, mocht de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis niet hardvochtiger zijn dan noodzakelijk en mocht deze geen punitief doel dienen.10 Hoger beroep had schorsende werking.11 En de verdachte kon aan het economisch verkeer blijven deelnemen, zolang hij niet was veroordeeld.12
Verschillende aspecten van een behoorlijk strafproces die wij vandaag de dag met de onschuldpresumptie zouden onderbouwen of waarvan wij thans menen dat de onschuldpresumptie ze vordert, bestonden in het Romeinse recht dus al wel. De door de Trajanusregel geschetste belangenafweging is bovendien nog altijd een belangrijke grondslag voor de bewijsrechtelijke uitwerking van de onschuldpresumptie.13 Van een vermoeden van onschuld of een gebod iemand als onschuldig te beschouwen, was als zodanig echter nog geen sprake. Dat verbaast niet. In de eerste plaats kende het Romeinse recht in de klassieke periode (tot ca. 250 n.Chr.) voor zover bekend de rechtsfiguur van het vermoeden nauwelijks. Rechtsvermoedens ontwikkelden zich eerst in de na-klassieke periode van het Romeinse rijk.14 Het bestaan van een onschuldvermoeden in deze na-klassieke tijd is eveneens onaannemelijk. De toen ontstane presumpties waren billijkheidscorrecties op de hoofdregel dat wie iets stelde dat moest bewijzen. Voor het strafproces bracht die hoofdregel evenwel reeds mee dat de aanklager de gehele aanklacht diende te bewijzen.15 Een uitzondering op de bewijslastverdeling ten gunste van de verdachte was derhalve overbodig.16 Kösters analyse van de in het Corpus voorkomende rechtsvermoedens bevestigt een en ander.17 Hoewel de in de Nederlandse literatuur gangbare aanduiding praesumptio innocentiae wellicht andersdoet vermoeden,18 was een vermoeden van onschuld als zodanig het Romeinse recht echter hoogst waarschijnlijk vreemd.