Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.11:II.11 Afsluiting
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.11
II.11 Afsluiting
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595122:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sommige tegenwoordig met de onschuldpresumptie verbonden grondgedachten bestonden al in het Romeinse en het Germaanse recht. Varianten van de stelregel dat het beter is een schuldige ongestraft te laten dan een onschuldige te veroordelen en van de gedachte dat niet een beschuldigde, maar pas een veroordeelde een misdadiger is, waren toen al onderdeel van het over strafrecht levende rechtsgevoel. Van een daaruit afgeleid rechtsbeginsel als het vermoeden van onschuld was evenwel nog geen sprake.
Een eerste vorm van een vermoeden van onschuld, een vermoeden van goedheid dat ook op het strafrecht van toepassing was, ontstond pas in de late middeleeuwen. Glossatoren en commentatoren beschouwden dit vermoeden als onvolmaakt bewijsmiddel. De empirische basis ervan in de status en levenswandel van de betrokkene gaf eraan een betekenis die ver verwijderd is van de huidige status en uitleg van de onschuldpresumptie als aan eenieder individu toekomend mensenrecht. Door de met de vervanging van het positief-wettelijk bewijsstelsel gepaard gaande afschaffing van de vele gedetailleerde volmaakte en onvolmaakte bewijzen ten gunste en ten nadele van de verdachte, is een dergelijk bewijsmiddel bovendien opgehouden bij de bewijsbeslissing een functie te vervullen.
Parallel aan dit goedheidsvermoeden ontwikkelde zich in het canonieke recht, het humanisme en het moderne natuurrecht een goedheidsvermoeden dat eenieder toekwam. Aanvankelijk berustte dit vermoeden vooral op de christelijke overlevering, later zijn daarvoor ook seculiere grondslagen aangevoerd zoals de menselijke waardigheid (Von Pufendorf), de algemene ervaring dat de meeste mensen normconform handelen (Thomasius & Ludovici) en de absolute waarde en vrijheid van de mens ten opzichte van ieder ander (Kant). Dit onschuldvermoeden, dat overigens afwisselend als vermoeden van goedheid (bonus), als vermoeden van rechtsconformiteit (iustus), en als vermoeden van onschuld (innocens) is aangeduid, kreeg de functie de bewijslast in strafzaken te verdelen. Omdat ieder mens van nature een goed, wettig handelend of onschuldig mens is, moet voor de bewering van het tegendeel bewijs worden geleverd. Toen in de negentiende eeuw het Angelsaksische strafproces een meer adversarieel karakter kreeg, maakte de onschuldpresumptie in deze betekenis vooral daar naam. De onschuldpresumptie is sindsdien in op dat strafproces gebaseerde rechtsstelsels in grote mate gelijkgesteld aan de regel dat de overheid de burden of proof draagt en gekoppeld aan de regel dat de uit die bewijslast voortvloeiende taak eerst met succes is volbracht indien het bewijs met een hoge mate van waarschijnlijkheid, beyond reasonable doubt, is geleverd.
Tijdens de Verlichting kreeg het onschuldvermoeden op het Europese continent een bredere betekenis. Het nieuwe denken over het publiekrecht in het algemeen en het strafrecht in het bijzonder als een middel tot beperking van staatsmacht en het voorkomen van willekeur, had verstrekkende consequenties voor de opvattingen over het geldende strafrecht. Bestraffing zonder voorafgaande vaststelling van schuld is een misdaad, zo stelde Hobbes. Met name Beccaria heeft deze gedachte met de onschuldpresumptie verbonden. Volgens hem, en na hem diverse andere hervormingsgezinden, schrijft de onschuldpresumptie voor hoe de verdachte tot aan veroordeling dient te worden bejegend. Dit bejegeningsrecht verving de oorspronkelijke betekenis als bewijslastregel niet, want ook deze beklijfde. De verhouding tussen beide is onduidelijk. Het bejegeningsrecht lijkt in elk geval niet expliciet te zijn afgeleid uit de bewijslastregel, maar eerder rechtstreeks uit het onschuldvermoeden als adagium zelf. Tussen beide lijkt dan ook geen hiërarchie te hebben bestaan in die zin dat de onschuldpresumptie primair of in de kern het bewijs van schuld zou betreffen en dat meer in het verlengde daarvan ook bij de bejegening van de verdachte ermee rekening moest worden gehouden dat schuld moet worden bewezen. Conceptuele consensus over de precieze door het onschuldvermoeden voorgeschreven en/of verboden bejegening, is eveneens moeilijk te ontwaren. Talrijke en uiteenlopende gebruiken van het vigerende strafrecht achtte men met het beginsel als bejegeningsrecht in strijd. Wel valt op dat de noodzaak van een bepaalde behandelingswijze een belangrijk gezichtspunt is. Men problematiseerde de verhouding tussen onschuldpresumptie en voorlopige hechtenis en zag daartussen spanning, maar toelaatbaar bleef het dwangmiddel wel, mits zowel de oplegging als de tenuitvoerlegging zo terughoudend mogelijk plaatsvonden. De relevantie van de noodzakelijkheid van een bejegeningswijze voor de verenigbaarheid daarvan met de onschuldpresumptie, komt tevens tot uitdrukking in de wijze waarop het beginsel in artikel 9 DDHC is neergelegd.
In de negentiende-eeuwse Franse, Duitse en Nederlandse doctrine zijn rudimenten te vinden van de onschuldpresumptie. Zowel de verdeling van de bewijslast als de wijze waarop niet-veroordeelden behoren te worden bejegend, keren terug. Doordat de verbreiding van de onschuldpresumptie in de doctrine evenwel stagneerde en niet resulteerde in een significante mate van positiefrechtelijke neerslag van het beginsel zelf, heerste na de Tweede Wereldoorlog ten onrechte de opvatting dat de onschuldpresumptie van Angelsaksische herkomst is. Zonder dat een en ander expliciet onder ogen is gezien, is het contrast tussen de Angelsaksische interpretatie van de onschuldpresumptie en het bredere Europees-continentale begrip ervan, te herkennen in de totstandkomingsgeschiedenis van de UVRM, het IVBPR en het EVRM.
Kortom, de onschuldpresumptie is een strafrechtelijk rechtsbeginsel van respectabele leeftijd. Als gevolg van de roerige ontstaansgeschiedenis bestaan grote betekenisverschillen tussen twee varianten: de onschuldpresumptie als bewijsregel en als bejegeningsregel. Van een afhankelijkheidsrelatie of hiërarchische verhouding tussen beide is niet gebleken. In de loop der eeuwen zijn diverse argumenten voor het bestaan van beide te berde gebracht. Eén dominante grondslag is daaruit niet direct te destilleren. Mede doordat vooral op het Europese vasteland de onschuldpresumptie voor een strafrechtelijk verlichtingsideaal relatief onderbelicht is in de negentiende-eeuwse en begin twintigste-eeuwse rechtswetenschap en –politiek, zijn de naoorlogse doctrine en de met uitleg van internationale verdragen belaste instituties met nog vele onduidelijkheden omtrent reikwijdte en inhoud van het onschuldvermoeden geconfronteerd.