Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.4.2
V.4.2 Aansprakelijkheid voor de gedraging van een ander
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600900:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 29 augustus 1997, nr. 19958/92, par. 48 (A.P., M.P. en T.P./Zwitserland) en EHRM 29 augustus 1997, nr. 20919/92 (E.L., R.L. en J.O.-L./Zwitserland).
Zie nadien ook EHRM 10 januari 2012, nr. 33468/03, par. 26 (Vulakh e.a./Rusland); EHRM 12 april 2012, nr. 18851/07, par. 34 (Lagardère/Frankrijk). Dat lag echter anders in EHRM 27 september 2007, nr. 6301/05 (Estate of Nitschke/Zweden), waarin de nabestaanden niet zelf werden beboet, maar de nalatenschap met het bedrag van een geldboete werd verminderd. Ook moet van bestraffing de tenuitvoerlegging van een sanctie worden onderscheiden. Zie EHRM 10 april 2012, nr. 20496/02, par. 53-54 (Silickiene/Litouwen), waarin de tenuitvoerlegging onder een nabestaande van een ontnemingsvordering niet in strijd met art. 6 lid 2 EVRM was. Het arrest laat ruimte voor een ander oordeel wanneer een sanctie wordt geëxecuteerd die als straf moet worden beschouwd.
EHRM 6 november 1980, nr. 7367/76, par. 100 (Guzzardi/Italië); EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols, par. 69 (Varvara/Italië).
EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols, par. 69 (Varvara/Italië).
EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols, par. 63 (Varvara/Italië).
Het Hof merkte de ontneming in beide zaken uitdrukkelijk aan als penalty.
EHRM 20 januari 2009, nr. 75909/01, par. 116 (Sud Fondi e.a./Italië).
EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols, par. 71 (Varvara/Italië).
EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols, par. 69 (Varvara/Italië).
In twee Zwitserse zaken klaagden erfgenamen over aan hen opgelegde geldboeten voor door de erflater begane strafbare feiten. Het Hof oordeelde daarover principieel:
“It is a fundamental rule of criminal law that criminal liability does not survive the person who has committed the criminal act. […] In the Court’s opinion, such a rule is also required by the presumption of innocence enshrined in Article 6 § 2 of the Convention. Inheritance of the guilt of the dead is not compatible with the standards of criminal justice in a society governed by the rule of law.”1
De oplegging van straf voor door een ander begane feiten is derhalve met artikel 6 lid 2 EVRM in beginsel onverenigbaar, in elk geval voor zover de grond voor die aansprakelijkheid in vererving wordt gezocht.2
Het verband met de onschuldpresumptie wordt niet onderbouwd. Wel is duidelijk dat het EHRM in dit opzicht een nauwe relatie ziet tussen de artikelen 5 lid 1 sub a, 6 lid 2 en 7 EVRM. Uit die drie bepalingen vloeit namelijk voort dat “there can be no ‘conviction’ unless it has been established in accordance with the law that there has been an offence”.3 Ook in het kader van het in artikel 7 verwoorde legaliteitsbeginsel leidt het EHRM daaruit af dat “there can be no penalty unless personal liability has been established”.4 Waaraan die persoonlijke aansprakelijkheid precies moet voldoen, maakt het EHRM niet duidelijk, maar in elk geval omvat het legaliteitsbeginsel, net als het onschuldvermoeden, “a prohibition on punishing a person where the offence has been committed by another”.5
Over het verband dat dientengevolge moet bestaan tussen de gedragingen van de veroordeelde en de gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld, verschillen twee Italiaanse zaken echter sterk van elkaar. In Sud Fondi/Italië, was een verdachte onderneming vrijgesproken vanwege verontschuldigbare rechtsdwaling, maar werd deze desondanks gestraft door middel van voordeelsontneming.6 De oplegging van straf zonder conviction kon op zichzelf reeds de conclusie dragen dat artikel 7 EVRM was geschonden, maar de expliciete vaststelling in de hoofdzaak dat verwijtbaarheid ontbrak, ontlokte aan het EHRM – in wezen ten overvloede – dat:
“Cependant, la logique de la peine et de la punition ainsi que la notion de ‘guilty’ (dans la version anglaise) et la notion correspondante de ‘personne coupable’ (dans la version française) vont dans le sens d'une interprétation de l'article 7 qui exige, pour punir, un lien de nature intellectuelle (conscience et volonté) permettant de déceler un élément de responsabilité dans la conduite de l'auteur matériel de l'infraction. A défaut, la peine ne serait pas justifiée.”7
Deze overwegingen heeft het Hof niet herhaald. Ook in Varvara/Italië was bij wijze van straf voordeel ontnomen zonder dat de betrokkene was veroordeeld. Ditmaal betrof het evenwel een verdachte tegen wie de vervolging was gestaakt wegens verjaring van het feit. Bestraffing zonder veroordeling achtte het Hof op zichzelf voldoende voor schending van artikel 7. Desondanks verduidelijkt het Hof met verwijzing naar Sud Fondi diens uitgangspunt dat geen strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de gedragingen van een ander kan worden aanvaard. Straf noopt louter tot “a finding of liability by the national courts enabling the offence to be attributed to and the penalty to be imposed on its perpetrator”.8 Maar dat betekent volgens het Hof uitdrukkelijk niet dat artikel 7 EVRM het bestaan vereist van “any ‘psychological’, ‘intellectual’ or ‘moral’ link between the substantive element of the offence and the person deemed to have committed it.”9 Dat is met de overwegingen uit Sud Fondi niet goed te rijmen. Derhalve moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat het Hof in dit opzicht op diens eerdere uitspraak in Sud Fondi is teruggekomen.