Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.3.3
V.3.3.3 Schuldvaststelling zonder rechter: bestuurlijke boete en strafbeschikking
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596285:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. § II.6. In zijn bespreking van Frans-revolutionaire strafrechtelijke beginselen vereenzelvigt Vervaele (1990, p. 66) dan ook het beginsel dat eenieder tot aan veroordeling als onschuldige beschouwd en behandeld moet worden en het adagium nulla poena et nulla culpa sine iudicio, waarbij iudicio moet worden begrepen als een proces ten overstaan van een rechter. Zie ook Stolwijk 2007, p. 14-15.
Vgl. Trechsel 1981, p. i.h.b. p. 319; Van Dijk 1982; Van Dijk 1983, p. 92-93; Viering & Fleuren 1986, p. 462-463; p. 462-463; Nijboer 1989, p. 381; Crijns 2002, p. 520. Zie voor een uitgebreide bespreking van die standpunten Hildebrandt 2002, p. 340-349.
Daarin verschillen deze afdoeningswijzen principieel van de consensuele afdoeningsmodaliteiten, omdat bij die laatste formeel geen schuld wordt vastgesteld of straf wordt opgelegd, maar beide juist worden voorkomen. Vgl. Crijns 2010, p. 23 e.v.
EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70 (Golder/Verenigd Koninkrijk). Voor het strafrecht is dit bevestigd in EHRM 27 februari 1980, nr. 6903/75, NJ 1980, 561 (Deweer/België).
EHRM 21 februari 1984, nr. 8544/79, NJ 1988, 937, par. 56 (Öztürk/Bondsrepubliek Duitsland).
Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 569-578; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 402-408. Zie ter illustratie EHRM 17 mei 2011, nr. 57655/08, dec., NJ 2012, 307, m.nt. Van Kempen (Suhadolc/Slovenië), waarin mogelijkheid tot mondelinge verdediging ontbrak.
Zie bijv. EHRM 27 februari 1980, nr. 6903/75, NJ 1980, 561, par. 56 (Deweer/België); EHRM 22 januari 2013, nr. 24931/07, dec. (Jaurrieta Ortigala/Spanje). Vgl. Hildebrandt 2002, p. 380.
Vgl. CRM 28 oktober 2008, nr. 1514/2006 (Casanovas/Frankrijk), waarin de aan het instellen van beroep tegen een administratieve verkeersboete verbonden verplichting een bedrag ter hoogte van de opgelegde boete aan de staat over te maken, niet in strijd was met de onschuldpresumptie. Zie voorts Joseph & Castan 2013, par. 14.46, p. 449. Het EU-recht kent zelf vormen sanctionering middels een piepsysteem. De EC legt bij het HvJ aanvechtbare boetes op. Dat het HvJ dat systeem in strijd zou achten met art. 48 lid 1 Hv is ondenkbaar.
Zie daarover § IV.3.2.1.
Het is niet altijd een rechter die straf oplegt. De overwegingen uit Böhmer, waarin gesproken wordt over “the criminal proceedings before the competent trial court” roepen vragen op over de verhouding tussen de onschuldpresumptie en de oplegging van punitieve sancties zonder rechterlijke tussenkomst.
Het is niet uit de lucht gegrepen in de onschuldpresumptie een procesverplichting in strafzaken te zien. Tijdens de Verlichting werd door middel van de onschuldpresumptie als bejegeningsrecht hoofdzakelijk geopponeerd tegen willekeurige punitiviteit. De op bewijs gestoelde schuldvaststelling door een rechter moest die willekeur voorkomen.1 Een procesverplichting in strafzaken gold in Nederland van oudsher op grond van het huidige artikel 113 Gw en was lange tijd vanzelfsprekend. Ten tijde van de opkomst van de bestuurlijke boete en de strafbeschikking is in de literatuur nog betoogd dat de onschuldpresumptie daaraan in de weg staat.2 Het gaat dan immers om schuldvaststelling zonder dat die schuld ten overstaan van een rechter is bewezen.3
De grote getalen waarin die afdoeningsmodaliteiten tegenwoordig worden gehanteerd, verraadt dat de onschuldpresumptie daaraan in beginsel niet in de weg staat. Noch artikel 6 EVRM, noch artikel 14 IVBPR houdt een procesverplichting in. Al sinds Golder/Verenigd Koninkrijk leest het EHRM in artikel 6 EVRM slechts een recht op toegang tot een rechter.4 Bestuurlijke organen zijn gerechtigd de determination of a criminal charge voor hun rekening te nemen, zolang actief handelen van de verdachte maar leidt tot behandeling van zijn zaak door een rechter in overeenstemming met artikel 6 EVRM:
“Conferring the prosecution and punishment of minor offences on administrative authorities is not inconsistent with the Convention provided that the person concerned is enabled to take any decision thus made against him before a tribunal that does offer the guarantees of Article 6 (art. 6).”5
Aan een ‘piepsysteem’ staat artikel 6 dus niet in de weg, zolang beroep op een rechter maar voldoende mogelijk is. Van dat recht kan afstand worden gedaan en daarop zijn beperkingen mogelijk.6 Aan artikel 6 lid 2 EVRM komt in dit verband geen zelfstandige betekenis toe: het Hof beoordeelt klachten over het recht op toegang tot een rechter enkel op basis van artikel 6 lid 1 EVRM.7Until proved guilty according to law betekent in dit verband dus totdat een criminal charge is determined, en dus niet noodzakelijk, zoals in Böhmer werd overwogen, door het competent trial court, maar breder: door competent authority en met toegang tot een rechter. Aan een piepsysteem staan het IVBPR en het EU-recht evenmin in de weg.8 Dat strookt niet helemaal met de in de continentale rechtstraditie gewortelde gedachte dat de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie de overheid zou moeten weerhouden van de drastische maatregel van punitieve sanctionering als daarvoor geen ten overstaan van een rechter aangetoonde grond bestaat. Het illustreert tevens een belangrijke beperking van de behandelingsdimensie, die steeds een procedure tot schuldvaststelling voorschrijft, maar de inrichting van die procedure niet beheerst.9