Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.3.3
2.3.3.3 Geldend recht
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584817:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Niet uitgesloten is dat de stille cedent in voorkomende gevallen krachtens zaakwaarneming (art. 6:198 e.v. BW) bevoegd kan zijn. Hetzelfde word t aangenomen met betrekking tot de bewindvoerder, zie bijvoorbeeld Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1166; en Schols, Blankman & Vegter 2004, p. 85. Deze grondslag blijft buiten beschouwing.
Zie Salomons & Van 't Westeinde 2008, p. 455, l.k. en nt.17; Biemans 2008, par. 2. Zie voorts Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 281e: 'In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de cessionaris het in zijn macht heeft mededeling van de cessie te doen als in art. 3:94 lid 3 is bedoeld. Zolang hij nalaat een dergelijke mededeling te doen, mag ervan worden uitgegaan dat hij aan de cedent de bevoegdheid heeft gelaten de vordering te innen zolang de mededeling achterwege blijft. In de cessie-akte kan, ten overvloede, worden opgenomen dat de cedent bevoegd blijft de vordering voor de cessionaris te innen, zolang de in art. 3:94 lid 3 tweede zin bedoelde mededeling niet is gedaan.'
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11; Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3.
Zie Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 281e.
Zie o.a. HR 28 oktober 1988, NJ 1989, 83, m.nt. JBMV; HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra); en HR 15 december 2006, RvdW 2007, 10.
Zie o.a. HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254 (Zomerdijk/Goudsblom), m.nt. Ma.
Zie HR 2 december 1994, NJ 1996, 246 (ABN Amro/Coopag Finance), m.nt. DWFV; en HR 11 september 1996, NJ 1997, 177, m.nt. Ma. Vgl. Wendels & Snijders 2009, nr. 96. Anders: HR 27 november 2009, JOR 2010/43 (VEB/WOL), m.nt. K. Frielink.
31. De conclusie uit het voorgaande is dat de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW geen regeling bevat omtrent de inningsbevoegdheid van de stille cedent en de stille cessionaris, en evenmin dient te bevatten. De rechtsgrond voor het toekennen van bevoegdheden aan de stille cedent en het eventueel ontnemen van bevoegdheden aan de stille cessionaris is (privatieve) lastgeving1 De partijautonomie is de grondslag, niet een wettelijke bepaling. Niet uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW, maar uit de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris volgt of de stille cedent inningsbevoegd is.2
De stille cedent kan zich als lasthebber verbinden om voor rekening en ten behoeve van de stille cessionaris als lastgever in eigen naam rechtshandelingen te verrichten ten aanzien van de stil gecedeerde vordering, zoals de inning van de vordering (art. 7:414 BW). Uit het wettelijk systeem volgt dat een dergelijke overeenkomst wordt gekwalificeerd als lastgeving en de bepalingen van lastgeving daarop rechtstreeks van toepassing zijn. Is bedongen dat de stille cedent een of meer bevoegdheden in eigen naam en met uitsluiting van de stille cessionaris zal uitoefenen, dan is sprake van een privatieve last en mist de stille cessionaris de bevoegdheid tot deze uitoefening voor de duur van de overeenkomst ook jegens derden (art. 7:423 lid 1 BW). Zoals gezegd heeft ook de wetgever in de parlementaire geschiedenis bij art. 3:94 lid 3 BW verwezen naar lastgeving als de grondslag voor de toekenning van bevoegdheden aan de stille cedent.3
Omdat lastgeving de grondslag is voor de toekenning van bevoegdheden aan de stille cedent, is het ook denkbaar dat de stille cedent niet inningsbevoegd is ten aanzien van de stil gecedeerde vordering. Ook is het mogelijk dat partijen overeenkomen dat de cedent inningsbevoegd blijft, ook nadat mededeling aan de schuldenaar is gedaan. De cessionaris kan bijvoorbeeld mededeling doen met het oog op verrekening en de cedent krachtens lastgeving inningsbevoegd laten. Bovendien is het mogelijk dat partijen bepalen dat de stille cedent tot méér bevoegd is dan tot inning van de vordering alleen. Op dit aspect wordt hieronder nader ingegaan. Het is ten slotte ook denkbaar dat wordt gedifferentieerd, en aan de stille cedent een privatieve last wordt gegeven om alleen nakoming te vorderen en dat de stille cessionaris bevoegd blijft om betalingen in ontvangst te nemen.
Zijn partijen bij een stille cessie niets overeengekomen, dan dient door uitleg te worden vastgesteld of partijen stilzwijgend of impliciet een last tot inning zijn overeengekomen (vgl. art. 3:61 lid 1 BW). Zolang de stille cessionaris nalaat mededeling te doen aan de schuldenaar, en de stille cedent een lopende procedure voortzet of doorgaat met het in ontvangst nemen van betalingen, mag ervan worden uitgegaan dat de stille cessionaris aan de stille cedent de bevoegdheid heeft gelaten de vordering te innen zolang de mededeling achterwege blijft.4 Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad: na de overgang van de vordering kan een last tot inning uitdrukkelijk worden bedongen of in de overeenkomst opgesloten liggen, in dier voege dat de oorspronkelijke schuldeiser bevoegd blijft de vordering in eigen naam ten behoeve van de nieuwe schuldeiser te innen.5 Ook de omstandigheid dat de oude schuldeiser na de overgang van de vordering de procedure voortzet, is voldoende geoordeeld om een dergelijke last aan te nemen.6 Op vergelijkbare wijze is anticiperend op een rechtsgeldige overdracht in de overeenkomst tot overdracht een last tot inning gelezen, toen geen rechtsgeldige overdracht had plaatsgevonden en de beoogde nieuwe schuldeiser was overgegaan tot het in rechte eisen van nakoming.7 De procespartij die nog niet of niet meer de schuldeiser van de vordering was, werd in deze gevallen als inningsbevoegde lasthebber ontvankelijk verklaard. Zijn partijen niets overeengekomen, en laten de stille cessionaris en de stille cedent na om mededeling te doen en blijft de stille cedent rechtshandelingen verrichten ten aanzien van de stil gecedeerde vordering, zoals het in rechte nakoming eisen van de schuldenaar of het voorzetten van de procedure, dan kan op dezelfde wijze kan een stilzwijgende of een impliciete last tot inning worden aangenomen.