Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.3.2
2.3.3.2 Opvatting van de wetgever / Analyse en kritiek
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587086:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 3, p. 4.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 3, p. 5.
Zie Rongen & Verhagen 2003.
Te weten Salomons 2003, p. 672-674.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11.
Namelijk de kritiek van Salomons 2004, p. 241-242. Vgl. Biemans 2004, par. 6; Reehuis 2004, nr. 87.
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3.
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11; en Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3.
Zie o.a. Reuder 2004; T&C Vermogensrecht 2009 (E.B. Rank-Berenschot), art. 3:94, aant. 5(f); Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 281e; Faber 2005, nr. 40, 136, 239 en 408-410; Steffens 2006, p. 139; N.E.D. Faber in zijn noot (sub 4) onder HR 26 januari 2007, JOR 2007/80; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 223; Salomons 2007, p. 655-656; Steneker 2008, nt. 38; en (ten dele) Wibier 2009a, nr. 23. Vgl. Rongen & Verhagen 2003, p. 690 en p. 691.
Zie o.a. Salomons 2004, p. 242; Biemans 2004, p. 537; Reehuis 2004, nr. 87; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 269; Biemans 2008, par. 2.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10-11; en Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 4.
Zie bijvoorbeeld voor de inningsbevoegdheid, hierna nr. 68.
De wetgever heeft zijn standpunt in dezen aldus niet verwoord in de wettekst. Vgl. o.a. Salomons 2004, p. 242. Reehuis 2004, nr. 87; Salomons 2007, p. 648, nt. 40.
Ook in de literatuur wordt door degenen die het standpunt van de wetgever in dezen volgen, onvoldoende onderscheid gemaakt tussen bevrijdende betaling en inningsbevoegdheid. Zie bijvoorbeeld Steffens 2006, p. 139, r.k.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 3, p. 4-5. Vgl. in deze zin ook nog Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11. De toelichting van de wetgever bevat ook onjuistheden. Zo wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat mededeling van het pandrecht na faillietverklaring van de pandgever niet meer kan leiden tot de inningsbevoegdheid van de pandhouder. Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 13. Dat is gelet op het arrest Mulder q.q./CLBN echter géén geldend recht. Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN), m.nt. WMK.
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3 respectievelijk p. 3-4.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11. De wetgever verwijst naar de argumenten genoemd in Rongen & Verhagen 2003, p. 689-690. Vgl. Kamerstukken II 2002-2003, 28 878, nr. 3, p. 4.
Vergelijk o.a. art. 3:61 lid 2, 3:86, 3:88 en 6:34 BW. Art. 3:94 lid 3 BW biedt overigens tegen méér bescherming dan alleen tegen de onbevoegdheid van de stille cedent. Zie hierna bijvoorbeeld nr. 614.
De Tweede Kamer kan met name niet beamen wat door de Minister pas in de Eerste Kamer aan de toelichting bij het wetsvoorstel wordt toegevoegd, dat art. 3:94 lid 3 BW ook een regeling zou geven omtrent de inningsbevoegdheid van de stille cedent en de stille cessionaris.
Zie bijvoorbeeld Asser/Scholten 1974, par. 11: 'Alleen door de wet, niet anders, kan de wetgever ons iets bevelen.' Vgl. voorts W. Snijders 2008.
Zie Asser/Scholten 1974, par. 12-14. Ook de wetgever kan aan bestaande rechtscategorieën niet zomaar voorbijgaan. Zie Asser/Scholten 1974, par. 14.
Zie in gelijke zin o.a. Salomons 2004, p. 242; Biemans 2004, p. 536-538; Biemans 2006, p. 99-100; Reehuis 2004, nr. 87; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 269; Vander Weijden 2007, p. 578-580; Biemans 2008, par. 2; en vgl. Beekhoven van den Boezem & Bergervoet 2011, p. 52.
Dat is ook logisch: de cessionaris heeft immers recht op het ontvangene. Zie nader Biemans 2004, p. 537. Een verplichting tot teruggave zou ook leiden tot vele vragen van ongerechtvaardigde verrijking. Vgl. Salomons 2004, p. 242; en Biemans 2004, p. 537-538.
27. De wetgever heeft bij de invoering van de stille cessie geleidelijk aan het standpunt ingenomen dat de stille cedent na de stille cessie tot het moment van mededeling aan de schuldenaar inningsbevoegd blijft op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW, en dat de stille cessionaris op grond van dezelfde bepaling inningsonbevoegd blijft tot het moment van mededeling.
In de Memorie van Toelichting merkt de Minister op:
"De positie van de debitor cessus wordt in het voorstel niet gewijzigd, nu hij wordt beschermd door de toevoeging dat de overdracht aan hem niet kan worden tegengeworpen, zolang hem daarvan geen mededeling is gedaan. Dat brengt mee dat hij tevoren rechtsgeldig aan de cedent kan betalen. Na mededeling dient hij aan de cessionaris te betalen. Een en ander is geheel conform het huidige recht."1
In de Memorie van Toelichting wordt eveneens opgemerkt, onder verwijzing naar het Verdrag inzake cessie van vorderingen in internationale handel:
"Met het oog op één van de hoofddoelstellingen van het Verdrag, de bescherming van de belangen van de schuldenaar in geval van overdracht van een vordering is in artikel 17 van het Verdrag bepaald dat de schuldenaar bevrijdend aan de oude schuldeiser betaalt, totdat hij mededeling van de cessie heeft ontvangen. Na dat tijdstip kan hij alleen bevrijdend betalen aan de cessionaris of indien een ander is aangewezen aan die ander. De slotzin van het voorgesteld derde lid van artikel 3:94 BW geeft de schuldenaar een zelfde bescherming.''2
In de Nota naar aanleiding van het verslag van de vaste commissie voor Justitie in de Tweede Kamer reageert de Minister aan de hand van de bijdrage van Rongen en Verhagen3 op kritische opmerkingen in de literatuur4 en schrijft dan:
"Rongen en Verhagen begrijpen – terecht – het wetsvoorstel aldus dat de schuldenaar vóór de mededeling steeds aan de cedent moet betalen en dat de schuldenaar na de mededeling uitsluitend aan de cessionaris kan betalen. Zoals in de memorie van toelichting op p. 4, onder IV, derde alinea, wordt gezegd wordt de positie van de schuldenaar, voor wat betreft zijn betalingsverplichting, door het wetsvoorstel niet gewijzigd. Vóór de mededeling kan hij slechts rechtsgeldig aan de cedent betalen, na de mededeling dient hij aan de cessionaris te betalen. [ ... ] Rongen en Verhagen menen dat voor dat stelsel ook het meest te zeggen is, kort gezegd omdat het de meeste zekerheid biedt. Bovendien sluit dit het beste aan bij het pandrecht. Artikel 3:246 bevat immers voor pandrecht op vorderingen een overeenkomstige regeling.''5
In de Nota naar aanleiding van het verslag van de Vaste Commissie voor Justitie in de Eerste Kamer gaat de Minister nogmaals in op de kwestie, opnieuw reagerend op kritiek in de literatuur:6
"In het wetsvoorstel is voor de vraag aan wie betaald moet worden, niet beslissend wie rechthebbende op de vordering is, doch wie jegens de schuldenaar bevoegd is de vordering te innen. De schuldenaar moet zich niet hoeven te verdiepen in de vraag wie goederenrechtelijk rechthebbende op de vordering is of wie het geïnde uiteindelijk behoort te ontvangen.
[ ... ] De stille cessie en stille verpanding dienen met elkaar in de pas te lopen, zodat de praktijk niet gedwongen wordt op oneigenlijke gronden de ene figuur te kiezen, omdat de andere figuur onvoldoende rekening houdt met de eisen van de huidige financiële praktijk.''7
En naar aanleiding van een door Salomons gegeven voorbeeld, waarbij de schuldenaar die kennis heeft van de cessie aan de cessionaris betaalt, merkt de Minister in dezelfde Nota op:
"Het voorbeeld heeft betrekking op een betaling die in weerwil van het voorgestelde wettelijke stelsel aan de cessionaris wordt gedaan, voordat aan de debiteur mededeling van de cessie is gedaan, derhalve voordat de cessionaris bevoegd is geworden de vordering te innen."8
De wetgever heeft zich blijkens de parlementaire geschiedenis in belangrijke mate laten leiden door de regeling van de stille verpanding. Beide regelingen dienen "met elkaar in de paste lopen".9 Bij de stille verpanding wordt door het doen van mededeling de pandhouder inningsbevoegd en de pandgever inningsonbevoegd. Hetzelfde zou volgens de wetgever gelden bij de stille cessie: door het doen van mededeling wordt de cessionaris inningsbevoegd en cedent inningsonbevoegd. Het stand punt van de wetgever is in de literatuur door verschillende schrijvers overgenomen.10
28. De door de wetgever voorgestane uitleg van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW, waarbij de stille cedent op grond van de bepaling inningsbevoegd blijft, is naar mijn mening niet gewenst en niet nodig. De regeling is niet gewenst, omdat het de voorkeur verdient dat de stille cedent en de stille cessionaris zelf kunnen bepalen of na de stille cessie de stille cedent exclusief (innings)bevoegd blijft, en zo ja, waartoe hij bevoegd blijft. Een regeling die op voorhand (alleen) de inningsbevoegdheid aan de stille cedent toekent, doorkruist op een onwenselijke manier de partijautonomie. Een dergelijke regeling is onvolledig, omdat aan de stille cedent alleen de inningsbevoegdheid wordt toegekend, en niet ook andere bevoegdheden. De regeling is niet nodig, omdat de stille cedent en de stille cessionaris het gewenste resultaat zelf kunnen bewerkstelligen door middel van (privatieve) lastgeving (art. 7:414 e.v., 7:423 BW).11 Door middel van lastgeving kunnen zij bovendien ook andere bevoegdheden dan alleen de inningsbevoegdheid aan de stille cedent toekennen. De Minister heeft ook verwezen naar de mogelijkheid van lastgeving.12 Het is de vraag waarom: als de stille cedent reeds op art. 3:94 lid 3 BW ( exclusief) inningsbevoegd is, is een (privatieve) last tot inning niet meer nodig.
De uitleg van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW die de Minister voor ogen heeft gestaan, is naar mijn mening geen geldend recht. In de regelingen van de rechtsfiguren waarbij een derde andermans recht kan uitoefenen - denk bijvoorbeeld aan de regelingen van pand, vruchtgebruik, beslag, gemeenschap, bewind, faillissement, executele en vereffening van een nalatenschap - bestaat voor de toekenning van de bevoegdheden aan de derde ten aanzien van andermans goed steeds een wettelijke grondslag.13 In de desbetreffende wettelijke bepalingen worden steeds een of meer bevoegdheden met naam en toenaam aan de derde toegekend. Het is redelijk dat dezelfde eis aan de regeling van de stille cessie wordt gesteld. Dit geldt met name nu de wetgever van oordeel is dat in de periode tussen de stille cessie en het moment van mededeling niet alleen de inningsbevoegdheid aan de stille cedent wordt toegekend, maar ook de inningsbevoegdheid aan de stille cessionaris als schuldeiser wordt ontnomen. Voor het ontnemen van bevoegdheden aan een rechthebbende dient een ondubbelzinnige wettelijke grondslag te bestaan.
De wetgever heeft zich voor de gewenste toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent en de ontneming van deze bevoegdheid aan de stille cessionaris beroepen op de tweede zin art. 3:94 lid 3 BW. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW bepaalt dat de stille cessie niet aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen, dan na mededeling aan hem daarvan door de stille cedent of de stille cessionaris. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt niet méér dan dat de schuldenaar tot het moment van mededeling bevrijdend kan blijven betalen aan de stille cedent. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW is in dat opzicht vergelijkbaar met art. 1422 BW (oud) en art. 6:34 BW. De bepaling is een derdenbeschermingsbepaling. Uit het gegeven dat de schuldenaar bevrijdend kan blijven betalen aan een derde, volgt echter niet dat deze derde – de stille cedent – ook inningsbevoegd is. De bepaling regelt niet de verdeling van bevoegdheden. De conclusie dient dan ook te zijn dat de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW wel een regeling geeft omtrent de bevrijdende betaling van de schuldenaar, maar niet omtrent de inningsbevoegdheid van de stille cedent en de stille cessionaris.14
29. De wetgever lijkt tussen de rechtspositie van de schuldenaar (bevrijdende betaling) en de rechtspositie van de stille cedent en de stille cessionaris (inningsbevoegdheid) onvoldoende onderscheid te hebben gemaakt.15 Dit blijkt met name uit de hiervoor aangehaalde passages in de parlementaire geschiedenis. In de Memorie van Toelichting merkt de Minister nog op dat de schuldenaar tot het moment van mededeling bevrijdend aan de cedent kan betalen (hetgeen de mogelijkheid openlaat dat de schuldenaar ook bevrijdend aan de cessionaris kan betalen).16 In de Nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer merkt de Minister op dat de schuldenaar voor de mededeling steeds aan de cedent moet betalen.17 Het gaat alleen over de positie van de schuldenaar; over de positie van de stille cedent of de stille cessionaris wordt nog niet gesproken. De Minister noemt in de Nota naar aanleiding van het verslag in de Eerste Kamer voor het eerst de inningsonbevoegdheid van de stille cessionaris. Hij zinspeelt tegelijkertijd op de inningsbevoegdheid van de stille cedent.18 Is in de Memorie van Toelichting de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW nog zó uitgelegd dat deze alleen de functie van derdenbeschermingsbepaling heeft, in de Nota naar aanleiding van het verslag in de Eerste Kamer is deze bepaling derhalve verworden tot een regeling omtrent de inningsbevoegdheid van de stille cedent en de stille cessionaris. De oorspronkelijke bedoeling van de wetgever verschilt ten opzichte van zijn uiteindelijke bedoeling. De oorspronkelijke bedoeling strookt met het karakter van een derdenbeschermingsbepaling; de uiteindelijke bedoeling is door de meeste schrijvers overgenomen.
Dat de Minister onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen de inningsbevoegdheid en de bevrijdende betaling blijkt ook uit zijn opmerking dat de regeling waarbij de stille cedent inningsbevoegd blijft, de meeste zekerheid biedt,19 omdat de zekerheid ten goede komt aan de schuldenaar, die op grond van de bepaling bevrijdend kan blijven betalen aan de stille cedent. De Minister lijkt te veronderstellen dat bevrijdende betaling alleen mogelijk is bij de betaling aan een inningsbevoegde, en dat daarom de stille cedent inningsbevoegd moet worden gemaakt. Maar juist door een derdenbeschermingsbepaling kan de schuldenaar bevrijdend betalen aan een persoon zonder dat die inningsbevoegd is. Derdenbeschermingsbepalingen, waartoe ook de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW gerekend kan worden, beschermen bij uitstek tegen een gebrek aan bevoegdheid.20 Toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent is derhalve niet nodig om de schuldenaar tot het moment van mededeling bevrijdend te laten betalen aan de stille cedent. Voldoende is de bepaling dat de levering niet aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen tot het moment van mededeling, zoals de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW bepaalt.
30. Als de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW geen regeling bevat omtrent de inningsbevoegdheid bij de stille cessie, is het de vraag of de inningsbevoegdheid van stille cedent en de inningsonbevoegdheid van de stille cessionaris dan tóch moet volgen uit de parlementaire geschiedenis of uit de vergelijking met de stille verpanding of met het Verdrag inzake cessie van vorderingen in internationale handel. Het antwoord moet ontkennend luiden.
Hoewel aan de toelichting van de Minister uiteraard betekenis toekomt, is zijn bedoeling of (eigen) uitleg niet gelijk te stellen met de wettelijke bepaling. De meerderheid van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer beamen alleen het wetsvoorstel, maar niet hetgeen door de Minister als toelichting bij het voorstel is gegeven.21 De bedoeling van de wetgever is evenmin bindend bij de uitleg van wettelijke bepalingen.22 Ook andere gegevens, zoals het systeem van de wet en bestaande rechtsbegrippen en rechtscategorieën, zoals bevrijdende betaling en inningsbevoegdheid, spelen een rol.23 Dat geldt ook voor de kennelijke bedoeling van de wetgever dat de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW een regeling bevat omtrent de rechtspositie van de stille cedent en de stille cessionaris, terwijl de bepaling duidelijk alleen ziet op de rechtspositie van de schuldenaar.
Ook aan de door de wetgever gemaakte vergelijking met de stille verpanding kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De vergelijking is niet treffend en overtuigt niet op het punt dat juist ter discussie staat. De wetgever stelt de stille cedent ten onrechte op een lijn met de stille pandgever, en de stille cessionaris ten onrechte op een lijn met de stille pandhouder. De stille pandgever is – anders dan de stille cedent – de schuldeiser van de vordering. De stille pandhouder is – anders dan de stille cessionaris – juist de derde ten opzichte van de vordering. De stille cedent laat zich als inningsbevoegde derde alleen vergelijken met de openbaar pandhouder, nadat mededeling is gedaan, en de stille cessionaris laat zich als inningsonbevoegde schuldeiser alleen vergelijken met de openbaar pandgever. Bij de stille verpanding wordt na mededeling aan de schuldenaar de derde inningsbevoegd, en de schuldeiser inningsonbevoegd. Bij de stille cessie is het juist omgekeerd. De stille pandgever is tot het moment van mededeling inningsbevoegd, omdat hij de schuldeiser van de vordering is. De pandhouder wordt na mededeling inningsbevoegd op grond van art. 3:246 lid 1 BW, in welke bepaling deze bevoegdheid hem, anders dan in art. 3:94 lid 3 BW, uitdrukkelijk is toegekend. Uit de vergelijking met de stille verpanding volgt derhalve geenszins dat de stille cedent tot het moment van mededeling inningsbevoegd zou zijn, of dat de stille cessionaris tot het moment van mededeling inningsonbevoegd zou zijn.24
Ook de verwijzing naar het Verdrag inzake cessie van vorderingen in internationale handel is niet overtuigend. Uit art. 17 lid 1 en lid 2 van het Verdrag volgt dat de schuldenaar vóór de mededeling bevrijdend mag betalen aan de cedent, respectievelijk dat hij na de mededeling alleen bevrijdend kan betalen aan de cessionaris. Maar het Verdrag bepaalt niet dat de schuldenaar voor de mededeling niet óók bevrijdend zou kunnen betalen aan de cessionaris. Integendeel, uit art. 14 van het Verdrag volgt dat als de schuldenaar aan de cessionaris betaalt voordat mededeling is gedaan, de cessionaris de opbrengst mag behouden en deze niet aan de schuldenaar hoeft af te dragen. Daaruit volgt dat de schuldenaar ook aan de cessionaris bevrijdend kan betalen en dat art. 17 van het Verdrag een derdenbeschermingsbepaling ten behoeve van de schuldenaar is.25 Overigens strookt deze uitleg van art. 17 van het Verdrag met het standpunt dat de Minister nog innam in de Memorie van Toelichting, namelijk dat de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW alleen als functie heeft om de schuldenaar te beschermen, maar niet om de inningsbevoegdheid van de stille cedent en de stille cessionaris te regelen.