Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.1
2.3.1 Inleiding
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591839:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierna nr. 27.
Hij is niet de rechthebbende: goederenrechtelijk gezien is hij de houder van het goed. Zie over houderschap en bezit van vorderingen, Biemans 2007a, par. 4.
In oudere literatuur wordt ook wel het onderscheid gemaakt tussen 'translatieve' rechtsverkrijging (de opvolging in een bestaand recht), de 'constitutieve' rechtsverkrijging (de zelfstandige ontlening van een nieuw beperkt of persoonlijk recht, aan een rechtsvoorganger wiens eigen recht meer omvattend is, zoals bij hypotheek en huur) en 'restitutieve' verkrijging, het terugtreden in rechten die tijdelijk bij een ander hebben berust. Zie bijvoorbeeld Veegens 1972, p. 43.
21. Volgens de wetgever blijft de stille cedent na de stille cessie op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW tot het moment van mededeling exclusief inningsbevoegd. Na mededeling aan de schuldenaar wordt de stille cessionaris exclusief inningsbevoegd. De wetgever heeft verwezen naar de regeling van pand.1
De wetgever introduceert hiermee het tweede element van de stille cessie: de stille cedent blijft gedurende een bepaalde periode bevoegd tot de uitoefening van andermans recht. Hij is als derde bevoegd tot uitoefening van de stil gecedeerde vordering, die na de stille cessie aan de stille cessionaris als de nieuwe schuldeiser toebehoort. De stille cessie is hierdoor vergelijkbaar met andere rechtsfiguren waarbij een derde ook bevoegd is tot uitoefening van andermans recht.
Als een derde bevoegd is tot uitoefening van andermans recht, zijn de bevoegdheden die aan hem worden toegekend ten aanzien van andermans goed afgeleid uit de bundel van bevoegdheden van de rechthebbende.2 De toekenning van bevoegdheden is in zoverre 'derivatief', ook al is geen sprake van een derivatieve verkrijging van het goed.3 De derde kan in beginsel niet meer bevoegdheden en ook geen andere bevoegdheden uitoefenen dan aan de rechthebbende zelf toe zouden komen. Hij oefent meestal wel minder bevoegdheden uit dan aan de rechthebbende zelf toe zouden komen. Zolang de derde andermans recht uitoefent, bestaat tussen hem en de rechthebbende een rechtsverhouding, waarvan verschillende bevoegdheden en verplichtingen onderdeel uitmaken.
Anders dan bij de rechtsgevolgen van de overgang van vorderingen, bestaat voor de uitoefening van andermans recht geen eenvormige, wettelijke regeling. De omvang van de aan de derde toegekende bevoegdheden varieert per regeling en kan in theorie variëren van één bevoegdheid tot alle bevoegdheden van de rechthebbende. Per regeling worden in de toekenning van bevoegdheden bovendien verschillende accenten gelegd. Ook is per regeling verschillend het doel waarvoor de bevoegdheden worden toegekend; is voorts per regeling, en soms zelfs per bevoegdheid, verschillend of de bevoegdheden in naam van de derde of in naam van de rechthebbende van het goed worden uitgeoefend; en zijn ten slotte per regeling de bevoegdheden en de verplichtingen verschillend die onderdeel uitmaken van de rechtsverhouding tussen de derde en de rechthebbende.
Desondanks hebben de regelingen ook dit gemeenschappelijk, dat voor de toekenning van de bevoegdheden steeds een wettelijke grondslag bestaat. Ook geldt voor alle regelingen dat als het doel waarvoor de bevoegdheden zijn verleend, is volbracht, de bevoegdheden van de derde ten aanzien van het goed komen te vervallen en de rechthebbende zijn bevoegdheden herkrijgt, voor zover die hem ontnomen waren. In de omvang van de aan de derde toegekende bevoegdheden is voorts een systeem te ontwaren. Daarop wordt hieronder nader ingegaan. In de rechtsverhouding tussen de derde en de rechthebbende komen voorts regelmatig dezelfde bevoegdheden en verplichtingen terug. En gaat het om de uitoefening van andermans vordering, dan wordt in iedere regeling aangenomen dat de schuldenaar daardoor ten aanzien van de vordering niet in een slechtere positie kan komen te verkeren. De derde kan immers niet meer rechten uitoefenen dan de schuldeiser heeft. AI met al is het mogelijk om in de verschillende regelingen meer ordening te brengen, dan aanvankelijk bij een eerste verkenning daarvan wellicht verwacht zou mogen worden.
22. Als de stille cedent bevoegd blijft ten aanzien van de stil gecedeerde vordering, is de stille cessie één van de rechtsfiguren waarbij een derde andermans recht uitoefent. Op de vragen wat de rechtsgrond is voor de toekenning van de bevoegdheden aan de stille cedent, wat de omvang van de aan de stille cedent toegekende bevoegdheden is of zou moeten zijn en of de bevoegdheden exclusief aan de stille cedent worden toegekend, wordt hieronder nader ingegaan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de inzichten ontleend aan de systematische analyse van verschillende rechtsfiguren waarbij een derde ook andermans recht uitoefent. De beantwoording van deze vragen wordt verder uitgewerkt in hoofdstukken 3 t/m 9. Op de vraag in welke opzichten de rechtsverhouding tussen de stille cedent als oude schuldeiser en de stille cessionaris als nieuwe schuldeiser aanpassing of aanvulling behoeft als de stille cedent de stil gecedeerde vordering blijft uitoefenen, wordt ingegaan in hoofdstuk 11. De rechtspositie van de schuldenaar komt hieronder in het kader van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW aan bod en wordt in hoofdstuk 10 nader uitgewerkt.