Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.2
2.3.2 Vergelijkbare rechtsfiguren
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588290:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het begrip 'machtiging' Groefsema 1993. Vgl. Bloembergen 1971, p. 7-8.
Hoewel onder effecten zoals bedoeld in art. 7:51 sub e BW en in art. 1 Wge in theorie ook vorderingen op naam kunnen vallen, zullen de meeste vorderingen die als effecten kwalificeren, zoals obligaties, aan toonder luiden. Zie ook hiervóór nr. 8. Overdracht en verpanding op grond van een financiëlezekerheidsovereenkomst (fzo) en de zeggenschap van aangesloten instellingen en het centraal instituut ten aanzien van girale effecten blijven buiten beschouwing.
Zie voor de huur van vorderingen op naam, hierna nr. 443-444.
Vgl. o.a. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 462; Handelingen II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 464-465; T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 467.
Naar deze bepaling wordt ook verwezen in Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 33, in het kader van een bewind over een kwaliteitsrekening in het geval dat deze rekening een tekort vertoont en de bewindvoerder moet zorgen voor een uitkering aan de rechthebbenden.
Zie o.a. F.M.J. Jansen 1990, p. 6 e.v. en p. 215-217; Heyman 1992, p. 347; Broekveldt 2003a, nr. 214 en 254-255; r.o. 4-6, Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. A.l.M. van Mierlo; A-G Wesseling-Van Gent in haar conclusie (sub 3.5 e.v.) voor HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders. De auteurs die het hier betwiste standpunt innemen zijn daarin overigens niet consequent. Ook zij spreken geregeld van de uitoefening van andermans recht. Vgl. Heyman 1992, p. 347; F.M.J Jansen 1990, p. 217; Broekveldt 2003a, nr. 210 en nr. 211, p. 370 en nt. 14.
De derde-beslagene dient in verzuim te zijn, zie bijvb. Rb. Rotterdam 22 juni 1995, NJ 1996, 313. Het afleggen van een verklaring die (in verschillende opzichten) niet in overeenstemming is met de vereisten van art. 476a-476b Rv wordt in haar gevolgen gelijk gesteld met het niet afleggen van de verklaring. Zie Rb. Amsterdam 20 mei 2009, JOR 2009/270. Zie over de stelplicht en de bewijslast, HR 13 februari 2009, NJ 2009, 106; Rb. Arnhem 8 april 2009, JOR 2009/303.
Zie over art. 477a lid 1 Rv o.a. F.M.J. Jansen 1990, p. 205 e.v.; Broekveldt 2003a, nr. 273 e.v.; en A.l.M. van Mierlo in zijn noot (sub 2) onder Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder).
Vgl. A.I.M. van Mierlo in zijn noot onder Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder); Guillaume 2006.
Zie over art. 477a lid 4 Rv o.a. F.M.J. Jansen 1990, p. 215 e.v.; Broekveldt 2003a, nr. 290 e.v.; en A.I.M. van Mierlo in zijn noot (sub 2) onder Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder).
Zie in dezelfde zin M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. , 5 en 6), p.178; Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (Bald/Van Boekhold), m.nt. A. Steneker; Bartels 2002, p. 586 e.v.; Van Mierlo in zijn noot onder Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder); Guillaume 2006; Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 1.6. Vgl. Oudelaar 2000, p. 84 e.v. Art. 477b lid 3 Rv relativeert dit uitgangspunt overigens.
Zie HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders; en Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (Bald/Van Boekhold), m.nt. A. Steneker. Vgl. ook HR 30 november 2001, NJ 2002, 419 (De Jong/Camifour), m.nt. H.J. Snijders.
Zie ook Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 1.6; Stein/Rueb 2009, par. 17.5.10. Ook art. 478 lid 1 Rv kent als uitgangspunt dat maar één vordering bestaat waarop het beslag rust.
Vgl. hierover Struycken 2007, met name par. 6.2, par. 7.5.5 en par. 7.8.
Zie S.C.J.J. Kortmann in zijn noot onder HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 (Rabobank/Stormpolder), p. 984; Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:243, aant. 5. Bij een gemeenschappelijk goed oefent een beheersbevoegde deelgenoot ten dele andermans recht uit. Vgl. Kortmann, Rongen & Verhagen 2001, p. 843, r.k.
23. In deze paragraaf worden de belangrijkste rechtsfiguren genoemd waarbij een derde andermans recht uitoefent. Verderop in deze paragraaf worden de rechtsfiguren die in deze studie voor de systematische analyse in aanmerking komen, (gemotiveerd) afgebakend.
Van de toekenning van bevoegdheden aan een derde ten aanzien van andermans recht is sprake bij: het bestuur bij rechtspersonen, zoals de vereniging (art. 2:44 en 2:45 BW), de stichting (art. 2:291 en 2:292 BW), de besloten vennootschap (art. 2:239 en 2:240 BW) en de naamloze vennootschap (art. 2:129 en 2:130 BW); het faillissement (art. 1 e.v. Fw); de surséance van betaling (art. 214 e.v. Fw); de 'noodregeling' voor kredietinstellingen (art. 281g e.v. Fw); de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (art. 284 e.v. Fw); de vereffening van een ontbonden rechtspersoon (art. 2:23 e.v. BW); de 'bijzondere' gemeenschappen (art. 3:189 BW), zoals het bestuur van de huwelijksgemeenschap en de gemeenschap van een geregistreerd partnerschap (art. 1:90 en 1:93 e.v. BW en art. 1:80a jo 1:80b BW); het bestuur van personenvennootschappen, zoals maatschap (titel 7A.9 BW), vennootschap onder firma (v.o.f.) en commanditaire vennootschap (c.v.) (art. 15-34 WvK), en zie voor komend recht titel 7.13 BW inzake personenvennootschappen (art. 7:800 e.v. BW); de executele (art. 4:142 e.v. BW); en de vereffening van een nalatenschap (art. 4:202 e.v. BW).
Van de toekenning van bevoegdheden aan een derde ten aanzien van andermans recht is voorts sprake bij: volmacht (art. 3:60 e.v. BW); lastgeving in eigen naam (art. 7:414 lid 2 BW, en vgl. art. 7:423 BW);1 zaakwaarneming (art. 6:201 BW); gemeenschap (art. 3:166 e.v. BW; al dan niet op grond van een beheersregeling, zie art. 3:168 BW); vruchtgebruik (art. 3:201 e.v. BW); pand (art. 3:236 e.v. BW); derdenbeslag (art. 475 e.v. Rv); de kwaliteitsrekening (art. 25 Wn en art. 19 GDW)2 de huur van vorderingen (indien mogelijk, vgl. art. 7:201 e.v. jo 7:201 lid 2 BW);3 en de verschillende vormen van bewind, die, naast de niet-ingevoerde titel 3.6 BW en de daar geregelde trusthypotheek (art. 3.9.1.5a Ontw.BW)4 o.a. zijn: het bewind van de ouders (art. 1:253i-1:253m BW); voogdijbewind (art.1:337 e.v. BW); provisioneel bewind bij curatele (art. 1:380 BW) en het bewind van de curator (art. 1:386 BW); bewind bij afwezigheid (art.1:409 e.v. BW); meerderjarigen- of beschermingsbewind (art. 1:431 e.v. BW); bewind bij gemeenschap (art. 3:168 lid 2 en 5 BW, en zie ook art. 3:181 lid 2 BW); bewind bij vruchtgebruik (art. 3:221 BW); bewind bij verkoop van aan certificaathouders verpande schuldvorderingen (art. 3:259 lid 3 BW);5 testamentair bewind (art. tair bewind (art. 4:153 e.v. BW); bewind bij schenking (art. 7:182 BW); bewind over de goederen van een rechtspersoon in ontbinding (art. 2:22 lid 1 e.v. BW); bewind bij inbreng in een naamloze vennootschap (art. 2:94a lid 5 BW); bewind over het recht op uitkering bij sommenverzekeringen (art. 7:966 lid 1 sub b BW); en bewind over een goed waarop conservatoir beslag is gelegd en waarop twee of meer partijen aanspraak maken (art. 710 Rv).
Is de rechthebbende van een vermogen minderjarig of onder curatele gesteld, dan heeft dit als zodanig geen gevolgen voor de bevoegdheid van de persoon ten aanzien van zijn goederen. Vanwege minderjarigheid of ondercuratelestelling is de persoon wel handelingsonbekwaam (art. 1:233 BW en art. 1:378 BW). Hij wordt niet in staat geacht om de aan hem toegekende bevoegdheden uit te oefenen in het belang waarvoor deze zijn toegekend (veelal zijn eigen belang). Handelingsonbekwaamheid blijft in deze studie buiten beschouwing.
24. Sommige auteurs verdedigen dat bij derdenbeslag géén sprake is van de uitoefening van andermans vordering.6 De beslaglegger zou een eigen vordering jegens de derde-beslagene hebben naast de vordering waarop het derdenbeslag is gelegd. Dat is niet helemaal juist. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de procedure ex art. 477a lid 1 Rv en de procedures ex art. 477a lid 2 en lid 4 Rv.
Schiet de derde-beslagene tekort in de nakoming van zijn verplichting jegens de beslaglegger om verklaring te doen van de vorderingen die door het beslag zijn getroffen (art. 476a-476b Rv)7 en wordt hij op vordering van de beslaglegger veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar en eventueel ook tot betaling van schadevergoeding op grond van art. 477a lid 1 Rv (de zogenaamde 'verklaringsprocedure'),8 dan is de zienswijze dat de beslaglegger een (eigen) vordering heeft juist. De derde-beslagene schiet tekort jegens de beslaglegger. Op grond van art. 477a lid 1 Rv wordt zijn verplichting ex art. 476a-476b Rv omgezet in een betalingsverplichting jegens de beslaglegger (vgl. art. 6:87 BW). Vordert de beslaglegger van deze vordering nakoming, dan oefent hij zijn eigen recht uit, en niet dat van de beslagene. De vordering waarop beslag is gelegd, wordt door dit alles niet aangetast. Deze vordering bestaat naast de vordering van de beslaglegger.9
Heeft de derde-beslagene echter zijn derde-verklaring afgelegd, maar komt hij zijn verplichting tot betaling niet na, en wordt hij ex art. 477a lid 4 Rv op vordering van de beslaglegger veroordeeld tot nakoming van deze verplichting (de zogenaamde 'nakomingsprocedure'),10 dan is sprake van de uitoefening van andermans recht.11 De beslaglegger vordert in dit geval nakoming van de beslagen vordering. Hij oefent andermans recht uit. Dat hiervan sprake is, volgt onder meer uit het gegeven dat de beslaglegger de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten en andere nevenrechten kan uitoefenen, zoals de rechten van pand en hypotheek12 en de (bedongen) bevoegdheid om de vordering vervroegd opeisbaar te maken (art. 477 lid 4 Rv).13 Het volgt ook uit art. 3:276 BW, dat bepaalt dat de schuldeiser zijn vordering kan verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar. Het verhaal vindt plaats door de uitwinning van deze goederen (waaronder vorderingen), en niet door de uitwinning van een eigen vordering.
25. Bij de hiervoor genoemde rechtsfiguren zijn steeds een rechthebbende en een bevoegde derde te onderscheiden.
De bevoegde derde(n) is (of zijn): de echtgenoot of geregistreerd partner; de bestuurders; de vereffenaar; de gevolmachtigde; de lasthebber; de bewindvoerder (in de verschillende betekenissen van het woord); de deelgenoot of deelgenoten; de vruchtgebruiker; de pandhouder; de executeur; de zaakwaarnemer; de vennoot of maat; de curator; de beslaglegger en deurwaarder; en de rekeninghouder. De rechthebbende(n) is (of zijn): de andere echtgenoot of geregistreerde partner; de (al dan niet te ontbinden) rechtspersoon; de volmachtgever; de lastgever; de rechthebbende wiens goed onder bewind is gesteld; de andere deelgeno(o)t(en); de hoofdgerechtigde; de pandgever; de erfgena(a)m(en); de belanghebbende bij de zaakwaarneming; de andere venno(o)t(en) of ma(a)t(en); de gefailleerde of insolvente schuldenaar; de geëxecuteerde; en de belanghebbende(n) bij de kwaliteitsrekening.
Een derde kan andermans recht uitoefenen in eigen naam of in naam van de rechthebbende. In beide gevallen is sprake van de uitoefening van andermans recht. Dat de rechtshandeling die door de derde in naam van de rechthebbende wordt verricht, wordt toegerekend aan de rechthebbende (vgl. art. 3:66 lid 1 BW), doet niet af aan het gegeven dat de derde de rechtshandeling verricht en daardoor andermans recht uitoefent. Dit geldt in het bijzonder ook voor de bestuurders en andere vertegenwoordigers van rechtspersonen.
De bevoegdheden kunnen aan de derde in een bepaalde rechtsvorm worden toegekend.14 Bij pand en vruchtgebruik en bij een aandeel in een gemeenschappelijk goed zijn de bevoegdheden vervat in een vermogensrecht ( een beperkt recht respectievelijk een aandeel). In de andere gevallen komen de bevoegdheden aan de derde veelal toe op grond van een bepaalde aanstelling of functie op grond van de wet of krachtens een rechterlijke uitspraak. De rechtsfiguren hebben steeds gemeenschappelijk dat de derde andermans recht uitoefent. Dit geldt in het bijzonder ook voor de beperkt gerechtigde en de deelgenoot.15 De bevoegdheden van de beperkt gerechtigde en de deelgenoot hebben een bijzondere 'verpakking' in de vorm van een eigen vermogensrecht, die zij tegen derden kunnen inroepen. De toekenning van de bevoegdheden als zodanig verschilt echter niet van bijvoorbeeld beslag, bewind, executele, vereffening, faillissement of lastgeving. De genoemde rechtsfiguren lenen zich derhalve voor vergelijking met de stille cessie.