Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.3.1:10.3.1 De gevolgen van oneigenlijke vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.3.1
10.3.1 De gevolgen van oneigenlijke vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90930:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2.
Wieling 2007, p. 140-141.
MünchKomm/Ganter 2013, §47 InsO, nr. 118.
Serick 1976, p. 129-133.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Raken zaken vermengd op een wijze waardoor zij untrennbar worden, dan is sprake van vermenging in de zin van §948 BGB.1 De zaken kunnen niet meer fysiek of economisch verantwoord gescheiden worden. Een scheiding is fysiek niet mogelijk bij vermenging van vloeistoffen of gassen. Bij vaste zaken kan een scheiding economisch niet verantwoord zijn. Hiervan is sprake als de kosten voor scheiding hoger zijn dan de waarde van de oorspronkelijke zaken.2 Onder deze situatie valt ook het door elkaar raken van soortgelijke zaken van verschillende eigenaren op een wijze dat zij niet meer te individualiseren zijn.
Oneigenlijke vermenging valt dus onder het toepassingsbereik van §948 BGB. Deze regeling heeft als doel om een oplossing te bieden voor een belangenconflict tussen de oorspronkelijke eigenaren wiens zaken feitelijk of economisch niet mee te scheiden zijn door vermenging.3 Daarom wordt de eigendom van de oneigenlijk vermengde hoeveelheid in beginsel toegewezen aan de oorspronkelijke eigenaren op grond van §948 jo. art. §947 lid 1 BGB. Op grond van deze hoofdregel verkrijgen zij elk een aandeel in de mede-eigendom naar rato van de waarde van de oorspronkelijke zaken op het moment van vermenging.4 Op deze wijze beoogt de wetgever te voorkomen dat de oorspronkelijke eigenaren maatregelen moeten nemen die hoge kosten of administratieve lasten met zich brengen om de zaken individualiseerbaar te houden. De eigenaren verkrijgen immers een aandeel in de mede-eigendom.5 Verder wordt de rechtszekerheid voor bestaande rechten gewaarborgd, doordat eigenaren hun recht niet verliezen als gevolg van vermenging.6
Voor de leverancier heeft oneigenlijke vermenging dus tot gevolg dat hij een aandeel verkrijgt in de mede-eigendom (§948 jo. §947 BGB). Door de analoge toepassing van §949 BGB is dit een aandeel onder dezelfde ontbindende voorwaarde als waaronder de oorspronkelijke zaken waren overgedragen.7 Dit brengt met zich dat koper een Anwartschaftsrecht heeft met betrekking tot dit aandeel. De grootte van het aandeel van de leverancier wordt zoals gezegd bepaald naar rato van de waarde van de oorspronkelijke zaken op het moment van vermenging.8 Het BGH heeft beslist dat de leverancier met inachtneming van de algemene bewijsregels aannemelijk moet maken dat de zaken die de koper onder zich heeft niet allemaal zijn eigendom zijn, maar ook van de leverancier en hoe groot zijn aandeel in de vermengde partij is.9 De leverancier kan bijvoorbeeld bewijs leveren met facturen. Slaagt de leverancier hier niet in, bijvoorbeeld in het geval van een wisselende voorraad zonder (deugdelijke) administratie, dan verkrijgt de leverancier geen aandeel in de oneigenlijk vermengde hoeveelheid.10 Deze uitkomst is vergelijkbaar met het Nederlandse recht. In deze met het Teixeira de Mattos-arrest vergelijkbare situatie kan de leverancier zijn eigendom niet revindiceren, ongeacht of de strikte of rekkelijke opvatting wordt aangehangen.11
De heersende leer in de Duitse literatuur wijkt echter af van dit resultaat op grond van de rechtspraak van het BGH. In de literatuur wordt bepleit dat ook mede-eigendom ontstaat als de grootte van de aandelen niet te bepalen is. Op grond van een analoge toepassing van §742 BGB nemen zij aan dat de aandelen in dat geval gelijk zijn.12 Dit heeft tot gevolg dat de leverancier in alle gevallen van oneigenlijke vermenging een aandeel in de mede-eigendom verkrijgt. De leverancier kan vervolgens tezamen met de andere deelgenoten verdeling vorderen op grond van §752 BGB.
Naast de ‘Teixeira de Mattos’-situatie, geeft §947 lid 2 BGB een tweede (mogelijke) uitzondering op de hoofdregel dat mede-eigendom ontstaat bij oneigenlijke vermenging. De eigenaar van één van de oorspronkelijke zaken of hoeveelheden wordt eigenaar van de vermengde hoeveelheid als zijn zaak als de hoofdzaak wordt aangemerkt.
In de literatuur bestaat evenwel discussie over de vraag of deze bepaling van toepassing is als zaken oneigenlijk vermengd raken. Een deel van de literatuur meent dat alleen een hoofdzaak kan worden aangewezen als niet-soortgelijke zaken vermengen. Een zaak is namelijk de hoofdzaak als de onderdelen ervan kunnen missen zonder dat het wezen van de eenheidszaak wijzigt.13 Als soortgelijke zaken door elkaar raken en een gedeelte van deze zaken wordt weggenomen, wijzigt de aard van de eenheidszaak niet. Geen van de zaken is de hoofdzaak. Aangezien het bij oneigenlijke vermenging altijd gaat om soortgelijke zaken die vermengen in deze opvatting, ontstaat steeds mede-eigendom volgens deze auteurs.14
Een ander deel van de literatuur meent dat wel een hoofdzaak kan worden aangewezen bij de (oneigenlijke) vermenging van soortgelijke zaken. Op grond van de verkeersopvatting kan namelijk ook een hoofdzaak worden aangewezen bij een groot verschil in waarde of hoeveelheid tussen de zaken. De ene zaak of hoeveelheid zaken moeten de andere geleverde zaak of zaken qua hoeveelheid of waarde in grote mate overtreffen.15 Gezien deze restrictieve invulling van het begrip hoofdzaak leidt deze opvatting vaak niet tot een andere uitkomst dan de eerste opvatting. Hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.1.2. Slechts in uitzonderingssituaties wordt namelijk een hoofdzaak aangewezen in de tweede opvatting. Er moet sprake moet zijn van een zeer groot verschil in hoeveelheid of waarde. In dat geval behoeft de wet namelijk de oorspronkelijke eigenaren van de ‘bestanddelen’ niet te beschermen tegen het eigendomsverlies.16 Ook in deze tweede opvatting heeft oneigenlijke vermenging in de meeste gevallen dus tot gevolg dat de leverancier een aandeel in de mede-eigendom verkrijgt.
In gevallen waar de leverancier geen aandeel verkrijgt in de medeeigendom, kan hij vervangende zekerheid bedingen door middel van een (geanticipeerde) zekerheidsoverdracht met een levering constituto possessorio van (het aandeel in) de vermengde hoeveelheid zaken die eigendom is van de koper.17 De leverancier loopt echter het risico dat de zaken eerder aan een andere schuldeiser zijn overgedragen tot zekerheid, evenals bij natrekking en eigenlijke vermenging.18 De overdracht aan de leverancier slaagt dan niet op grond van de prioriteitsregel.