Zie het requisitoir in hoger beroep onder 8, op p. 5.
HR, 12-11-2024, nr. 22/03695
ECLI:NL:HR:2024:1622
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2024
- Zaaknummer
22/03695
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Staatsrecht (V)
Openbare orde en veiligheid (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1622, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2844
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:620
ECLI:NL:PHR:2024:620, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1622
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑03‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0278
NJ 2025/49 met annotatie van N. Rozemond
Uitspraak 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Handelen in strijd met voorschrift of beperking a.b.i. art. 5.1 WOM bij een door verdachte georganiseerde “pro-Palestina” demonstratie door in oneven week te demonstreren op Dam in Amsterdam terwijl demonstratie was verwezen naar Museumplein in Amsterdam omdat “pro-Palestina” en “pro-Israël” demonstrantanten om en om op Dam mogen demonstreren, nadat het niet (meer) mogelijk was beide demonstraties op dezelfde locatie te laten plaatsvinden (art. 11 WOM). Vrijspraak in eerste aanleg. Rechtmatigheid besluit m.b.t. beperking van demonstratievrijheid en buiten toepassing laten van strafbepaling. Moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid met art. 10 en 11 EVRM van de i.h.k.v. art. 5.1 WOM opgelegde voorschriften en beperkingen en op art. 11 WOM gebaseerde strafvervolging? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:1621 m.b.t. onderzoeken van rechtmatigheid besluit van burgemeester door strafrechter en HR:2022:126 m.b.t. “chilling effect”. In geval dat strafrechtelijke veroordeling voor overtreding van art. 11 WOM (ook als bij die veroordeling zou worden volstaan met lichte bestraffing of geen straf of maatregel zou worden opgelegd) in concrete omstandigheden van het geval ontoelaatbare inbreuk op art. 10 en 11 EVRM vormt, brengt art. 94 Gw met zich dat art. 11 WOM buiten toepassing moet worden gelaten en zal ontslag van alle rechtsvervolging volgen (vgl. HR:2024:1623). Verwerping verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid met art. 10 en 11 EVRM van de i.h.k.v. art. 5.1 WOM opgelegde voorschriften en beperkingen en op art. 11 WOM gebaseerde strafvervolging, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Recht op vreedzame vergadering omvat weliswaar recht om tijd, plaats en wijze van uitvoering van demonstratie te bepalen en om demonstratie in beginsel “within sight and sound” van doelgroep te kunnen laten plaatsvinden, maar (gemeentelijke) autoriteiten komt daarbij beleidsvrijheid toe als het gaat om beoordelen van geschiktheid van specifieke locatie in termen van bijvoorbeeld grootte, veiligheid, verkeersdichtheid en nabijheid tot doelgroep. In dit verband komt betekenis toe aan omstandigheid dat, zoals uit bewijsvoering hof volgt, alternatieve locatie die aan verdachte is voorgesteld (Museumplein) een locatie is in centrum van Amsterdam waar in het algemeen veel publiek aanwezig is. Demonstratie is dus niet verplaatst van stadscentrum naar “remote and deserted location” en samenleving is ook niet “deprived of opportunity of hearing different views”. Verder neemt HR in aanmerking dat hof “alles afwegende” taakstraf van 20 uren heeft opgelegd, waarmee hof heeft gewaarborgd dat strafrechtelijke optreden als geheel (waaronder ook bestraffing) proportioneel is en niet zo ingrijpend dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan protestactie gebruik willen maken van recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. rechtmatigheid opgelegde beperking aan demonstratie en verwerping verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid met art. 10 en 11 EVRM. Samenhang met 22/013346 en 22/03854.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03695
Datum 12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 oktober 2022, nummer 23-002360-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1.Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat de verdachte heeft gehandeld “in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties” (hierna: WOM). Het voert daartoe in de kern aan dat het besluit waarbij voorschriften en beperkingen zijn gesteld aan de door de verdachte voorgenomen demonstratie op de Dam in Amsterdam, onrechtmatig is. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de strafbepaling van artikel 11 WOM niet buiten toepassing heeft gelaten wegens strijd met de onder meer in de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde rechten op vrijheid van meningsuiting en betoging. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 24 mei 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties, immers heeft verdachte- deelgenomen aan een demonstratie en die demonstratie georganiseerd (pro-Palestina) in een oneven week op zondag op de Dam, terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina) op de Dam;en- zich voor het houden van die demonstratie (pro-Palestina) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein.”
2.2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Feiten en omstandigheden
Op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 1 februari 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam de verdachte een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Geachte [verdachte] ,
U maakt al weer enige tijd met grote regelmaat gebruik van uw grondrecht om te betogen op onder meer de Dam. U heeft eerder aangegeven in een kennisgeving en tijdens het inspreken in de commissie Algemene Zaken dat u voornemens bent uw protest op de Dam de komende jaren op deze wijze voort te zetten.
Bij de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting past dat een ieder zich mag uitspreken over elk buitenlands conflict, zolang men zich houdt aan de Nederlandse wet. Daarbij mogen deze grondwettelijke vrijheden niet misbruikt worden om een ander diezelfde vrijheid te ontnemen. Als burgemeester van Amsterdam ben ik ook verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid van al haar bewoners en bezoekers. Ik heb uw recht om te protesteren op de Dam tot op heden op geen enkele wijze in tijd of plaats beperkt. Voor de Amsterdamse driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en hoofdcommissaris is echter nu een grens bereikt. Op basis van de Wet openbare manifestaties (Wom) zal ik vanaf nu voorschriften aan uw demonstratie verbinden. In deze brief leg ik u uit waarom.
Grens bereikt
De politie en het openbaar ministerie hebben mij geïnformeerd over de wijze waarop u gebruik maakt van uw demonstratierecht. Hieruit blijkt dat uw demonstraties op met name de Dam bij herhaling leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen. Dit heeft tot gevolg dat de afgelopen weken veelvuldig politie is ingezet en aangiftes zijn gedaan en er handhavend moest worden opgetreden. De politie geeft aan dat ongeacht politietoezicht de demonstraties zowel verbaal, non-verbaal als fysiek escaleren. Zowel u als de Pro Israël sympathisanten gedragen zich op de Dam steeds meer op onaanvaardbare wijze én dat heeft invloed op een ieder die zich daar begeeft. Verder blijkt uit politie informatie dat sprake is van een toenemende gegronde vrees dat bovenstaande incidenten zich zullen blijven herhalen en mogelijk verergeren. Uw protest op de Dam over geweld dat buiten Amsterdam plaatsvindt, leidt zo uiteindelijk ook tot geweld op de Dam. Om verdere escalatie te voorkomen is besloten maatregelen te nemen. Hierbij wegen het beschermingsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de bijzondere omstandigheden van de demonstratielocatie zwaar mee.
Bescherming van ieders belang en grondrecht
U houdt uw demonstraties bij voorkeur op de Dam en in het weekend. Het plein behoort een ieder toe en als burgemeester dien ik naast uw belang ook de vrijheden en (grond-)rechten van andere gebruikers en bezoekers te beschermen. Het is onacceptabel dat met grote regelmaat slechts een handje vol mensen de Dam gebruikt voor één thema, als deze activiteiten regelmatig leiden tot wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit raakt uiteindelijk ook de grondrechten van anderen.
Voorschrift op basis van de wet
De Wom biedt ruimte om de overweging om wel of geen voorschriften te stellen mede te laten bepalen door de specifieke omstandigheden, het tijdstip en de locatie waar de demonstratie plaatsvindt. Dit impliceert dat afhankelijk van de plaats van de demonstratie en de activiteiten die daar op dat moment plaatsvinden, beperkingen gerechtvaardigd kunnen zijn ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden en in het belang van het verkeer. Door toenemende drukte in de stad is het van belang de doorstroming van (voetgangers-) verkeer en het voorkomen van overcrowding mee te laten wegen bij de besluitvorming van uw demonstratie. De in deze brief omschreven belangen en omstandigheden en de toename van de door de politie geschetste incidenten leveren bovendien een legitieme vrees voor wanordelijkheden op.
Ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en in het belang van het verkeer en ter voorkoming van verdere wanordelijkheden, stel ik wel op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom dat u en uw sympathisanten enkel nog op en rond de Dam (zie kaartje: binnen het rood omlijnde gebied) mogen demonstreren op de zondagen van de even weken, mits er op de Dam geen andere grootschalige evenementen of demonstraties plaats vinden en u binnen het blauw omlijnde gebied aan de paleiszijde blijft op de Dam. U blijft buiten het rood omlijnde gebied vrij om in de rest van Amsterdam te betogen, mits u 50 meter afstand houdt van andere protestvormen en evenementen. Uw betogingen dienen altijd vooraf op reguliere wijze aangemeld via het digitale formulier die te vinden is op amsterdam.nl. Uw demonstratie mag nergens langer dan drie uur per dag duren.
Amsterdam staat voor het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren. Deze grondrechten gaan echter wel samen met verantwoordelijkheden. Mocht blijken dat u en/of uw sympathisanten niet voldoen aan bovenstaande voorschriften, strafbare feiten plegen en/of wanordelijkheden (dreigen) plaats (te) vinden, dan zal ik opdracht geven de demonstratie(s) te beëindigen.”
In reactie op de kennisgeving door de verdachte van zijn voorgenomen demonstratie op de Dam van 24 mei 2020 is hem door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio op 21 mei 2020 een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Geachte [verdachte] ,
U heeft kennisgeving gedaan van uw voornemen om op zondag 24 mei van 13:00 tot 17:00 uur op de Dam een demonstratie te organiseren ‘voor de Palestijnen en tegen Israël’. U verwacht voor die demonstratie 30 deelnemers.
Op 1 februari 2019 heeft u van de burgemeester van Amsterdam een brief ontvangen die betrekking heeft op uw betogingen op de Dam in het kader van steun aan de Palestijnen. In de brief wordt ook de bredere context geschetst van de wijze waarop het gedrag van pro-Israël en pro-Palestina protesten en demonstraties leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen.
Helaas moet ik op basis van informatie van de politie vaststellen dat de situatie op de Dam niet is verbeterd. Sterker nog, recent zijn er meerdere incidenten geweest op de Dam in het kader van pro-Israël en pro-Palestina demonstraties en lijkt opnieuw sprake te zijn van escalatie. Derhalve zie ik geen mogelijkheid om het besluit van 1 februari vorig jaar te heroverwegen. Dat betekent dat de voorschriften die in die brief zijn gesteld op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom, ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en verdere wanordelijkheden, van kracht blijven.
Een van die voorschriften is dat u enkel in de even weken op de zondag voor maximaal drie uur mag demonstreren op de Dam. Ik stel vast dat de datum van uw voorgenomen demonstratie valt in een oneven weekend. Dat betekent dat uw demonstratie op dat moment niet kan plaatsvinden op de Dam. Dat geldt ook voor andere pro-Palestina demonstraties. Derhalve verwijs ik uw demonstratie naar het Museumplein. Het staat u vrij daar te betogen zolang u daarbij de verdere voorschriften in acht neemt, zoals omschreven in de brief uit 2019. Voor de volledigheid heb ik die brief bijgevoegd.
Aanvullend wijs ik u op de RIVM-richtlijn dat eenieder 1,5 meter afstand dient te houden van anderen. In het belang van de gezondheid dient u er zorg voor te dragen dat deelnemers aan uw demonstratie gedurende de gehele demonstratie 1,5 meter afstand tot elkaar houden, en dat anderen zich niet in uw demonstratie begeven.”
Op 22 mei 2020 heeft de verdachte op zijn facebookpagina gemeld dat hij het niet eens was met de verplaatsing van zijn demonstratie naar het Museumplein en riep hij een ieder op om 24 mei 2020 naar de Dam te komen om te protesteren tegen Israël. Op 24 mei 2020 arriveerde de verdachte op de Dam met in zijn kielzog een tiental andere demonstranten, van wie enkelen Palestijnse vlaggen en een bord met daarop teksten gericht tegen Israël vasthielden. De verdachte sprak met een megafoon in zijn handen de andere demonstranten toe. De verdachte is door politieambtenaren aangesproken en aangezegd om zijn demonstratie te houden op het Museumplein. Vervolgens is de verdachte en zijn mede-betogers door politieambtenaren gevorderd te vertrekken. Nadat zij weigerden te vertrekken zijn zij aangehouden.
Bespreking van verweren
De raadsman heeft - overeenkomstig zijn pleitnota - op een aantal gronden bepleit dat de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020, en daarmee de daarin gegeven aanwijzingen en beperkingen, onrechtmatig zijn. Het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 (...) Wet Openbare Manifestaties’ kan dan ook niet worden bewezenverklaard.
Het hof zal hieronder de nummering van de verweren in de pleitnota aanhouden.(...)IVHet hof verwerpt het verweer onder IV dat sprake zou zijn van een wettelijk niet toelaatbaar integraal demonstratieverbod, waarbij de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 niet op zijn merites is beoordeeld.In de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019, is toereikend - want voldoende concreet en met feiten onderbouwd - gemotiveerd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden. De voorschriften en beperkingen zijn door daartoe bevoegde autoriteiten gegeven. Dit leverde geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beperking was bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zoals bedoeld in het tweede lid van die verdragsbepaling. Voor de beperking bestond een dringende maatschappelijke noodzaak en zij was niet disproportioneel.In het verweer is ook de feitelijke grondslag van de besluiten in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 bestreden. De verdachte heeft daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke grondslag van de genoemde besluiten gebrekkig is. Dat wordt niet anders doordat in de brief van 21 mei 2020 niet uitdrukkelijk is ingegaan op het idee van de verdachte dat het besluit over de verdeling van de zondagen tussen pro-Israël en pro-Palestina betogers niet langer gold. Uit de motivering van het besluit van 24 mei 2020 (de Hoge Raad begrijpt: 21 mei 2020) blijkt dat van een disproportionele beperking van het recht van de verdachte om te demonstreren geen sprake is.Wat betreft het besluit van 1 februari 2019 verdient opmerking dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in zijn beslissing van 7 maart 2019 heeft geweigerd om het besluit van 1 februari 2019 te schorsen.
VDe raadsman heeft aangevoerd dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar kunnen plaatsvinden. Alleen wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zou vergen, is een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd. Dergelijke bestuurlijke overmacht is ter zake van de demonstratie van 24 mei 2020 niet aannemelijk.Op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven, verwerpt het hof ook dit verweer.
VI t/m VIIIDe raadsman heeft in zijn pleitnota onder VI betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Onbegrijpelijk is dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet zou zijn verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie, omdat demonstranten en tegendemonstranten sindsdien niet meer tegelijk mochten demonstreren. Niet is gemotiveerd dat meerdere incidenten zouden hebben plaatsgevonden en dat verdachte of zijn mede-betogers daarmee iets te maken hadden.Onder VII is betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is, omdat het is gebaseerd op het onrechtmatige generieke demonstratieverbod van 1 februari 2019.Onder VIII is aangevoerd dat de gestelde beperkingen niet in overeenstemming zijn met artikelen 19 en 21 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aan de demonstratie verbonden voorschriften waren niet ‘necessary’ in de zin van artikelen 10 en 11 EVRM, althans berusten dezen niet op ‘relevant and sufficient reasons’.Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat niet nodig is dat de verdachte of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om - ook voor hem - de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd. Van een onrechtmatig generiek demonstratieverbod is geen sprake en de beperking van de grondrechten van de verdachte kan de toets aan de genoemde verdragen doorstaan.”
2.2.3
Het hof heeft over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde overwogen:
“De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De arrestatie en politiedetentie vormen een niet-noodzakelijke, althans disproportionele inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM.
Het hof verenigt zich niet met het standpunt van de raadsman en overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verdachte tweemaal is gevorderd de Dam te verlaten. De verdachte heeft hier vervolgens telkens geen gehoor aan gegeven. Dat de verbalisanten de verdachte daarop hebben gearresteerd, acht het hof geen disproportionele inbreuk op het betogingsrecht van de verdachte. Uit de bespreking van de verweren tegen de besluiten vloeit voort dat de daarbij gegeven beperking van de grondrechten van de verdachte de toets aan de artikelen 10 en 11 EVRM kan doorstaan. Toen bleek dat de verdachte zich aan die beperking niet hield, was zijn arrestatie een noodzakelijk en proportioneel middel.
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.”
2.2.4
Het hof heeft de verdachte een taakstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, opgelegd en over de strafoplegging onder meer overwogen:
“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Wom. Ondanks dat hij wist dat een pro-Palestina demonstratie niet was toegestaan in de oneven weken op zondag op de Dam, en dat de kennisgeving van zijn voorgenomen demonstratie bij besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio was verboden op de Dam en verwezen naar het Museumplein, heeft de verdachte op 24 mei 2020 gedemonstreerd op de Dam. Toen hem is gevorderd de demonstratie te beëindigen en zich te begeven naar het Museumplein, weigerde hij. De verdachte heeft daarmee kenbaar gemaakt geen gehoor te geven aan regels en besluiten van het bevoegde gezag. Het hof acht in beginsel een geldboete passend en geboden. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn beperkte financiële draagkracht, acht het hof echter raadzaam om een taakstraf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.”
2.3
In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 5 lid 1 WOM:
“De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.”
- Artikel 11 WOM:
“1. Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:(...)b. handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid (...).2. De feiten zijn overtredingen.”
- Artikel 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
- Artikel 11 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
2.4.1
Tegen het besluit van een burgemeester waarbij op grond van artikel 5 WOM voorschriften en beperkingen aan een demonstratie worden gesteld of een demonstratie wordt verboden, staat een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. Dat brengt mee dat ‑ anders dan in de toelichting op de cassatiemiddelen wordt betoogd ‑ het de strafrechter bij een strafrechtelijke vervolging voor artikel 11 WOM in beginsel niet vrij staat te onderzoeken of zo’n besluit van de burgemeester rechtmatig is. Dit houdt onder meer verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met de onwenselijkheid dat de strafrechter anders gedwongen zou zijn om in een daarop niet toegesneden procedure, waarin het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen geen procesdeelnemer is, vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de bestuursrechter is toegerust en geroepen. (Vgl. het vandaag uitgesproken arrest in de zaak 22/03203, ECLI:NL:HR:2024:1621, rechtsoverweging 2.5.1.)
2.4.2
Wel moet de strafrechter in een geval als dit, waarin een verdachte wordt vervolgd in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, zich ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden als geheel ‑ waaronder ook de bestraffing ‑ niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering (vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126). In het geval dat een strafrechtelijke veroordeling voor overtreding van artikel 11 WOM ‑ ook als bij die veroordeling zou worden volstaan met een lichte bestraffing of geen straf of maatregel zou worden opgelegd ‑ in de concrete omstandigheden van het geval een ontoelaatbare inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM vormt, brengt artikel 94 van de Grondwet met zich dat artikel 11 WOM buiten toepassing moet worden gelaten en zal ontslag van alle rechtsvervolging volgen (vgl., in een enigszins andere context, het vandaag uitgesproken arrest in de zaak 22/02236, ECLI:NL:HR:2024:1623).
2.5.1
Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering staan niet in de weg aan een beperking van die rechten als zo’n beperking op grond van artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM is toegelaten, te weten: bij de wet is voorzien, een gerechtvaardigd doel dient en in een democratische samenleving noodzakelijk is.
2.5.2
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in zijn uitspraak van 7 februari 2017, nr. 57818/09 e.a. (Lashmankin e.a. tegen Rusland) het volgende overwogen:
“404. The Court reiterates that interference with the right to freedom of assembly does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term “restrictions” in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07, § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov v. Russia, no. 1774/11 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 73, 31 July 2014). For instance, a prior ban can have a chilling effect on those who may intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).
405. The right to freedom of assembly includes the right to choose the time, place and manner of conduct of the assembly, within the limits established in paragraph 2 of Article 11 (see Sáska v. Hungary, no. 58050/08 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 21, 27 November 2012). The Court stresses in this connection that the organisers’ autonomy in determining the assembly’s location, time and manner of conduct, such as, for example, whether it is static or moving or whether its message is expressed by way of speeches, slogans, banners or by other ways, are important aspects of freedom of assembly. Thus, the purpose of an assembly is often linked to a certain location and/or time, to allow it to take place within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact (see Süleyman Çelebi and Others v. Turkey, nos. 37273/10 (https://hudoc.echr.coe.int/eng) and 17 others, § 109, 24 May 2016; see also, for the same approach, § 40 of the Report of the UN Special Rapporteur on the right to freedom of peaceful assembly and freedom of association of 21 May 2012, cited in paragraph 313 above; point 4.2 of the Compilation of Venice Commission Opinions Concerning Freedom of Assembly of 1 July 2014, cited in paragraph 315 above; and point 3.5 and § 101 of the 2010 Guidelines on Freedom of Peaceful Assembly by the ODIHR in consultation with the Venice Commission, cited in paragraph 317 above). Accordingly, in cases where the time and place of the assembly are crucial to the participants, an order to change the time or the place may constitute an interference with their freedom of assembly, as does a prohibition on speeches, slogans or banners (see Stankov and the United Macedonian Organisation Ilinden, cited above, §§ 79-80 and 108-09; The United Macedonian Organisation Ilinden and Ivanov v. Bulgaria, no. 44079/98 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 103, 20 October 2005; and Disk and Kesk v. Turkey, no. 38676/08 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 31, 27 November 2012).”
2.5.3
Over het bepalen van de locatie en tijd van een demonstratie heeft het EHRM in diezelfde uitspraak verder overwogen:
“417. The Court notes at the outset that the judgment of the national authorities in any particular case that there are valid reasons against holding a public assembly at a specific location is one which the Court is not well equipped to challenge (see Berladir and Others, cited above, § 59). It would have difficulties assessing locations in terms of their size, security, traffic density, closeness to the target audience, and so on. Indeed, a multitude of local factors are implicated in managing the locations, time, and manner of conduct of public assemblies. Hence, by contrast to content-based restrictions on freedom of assembly which should be subjected to the most serious scrutiny by this Court (see Primov and Others, cited above, § 135), in the sphere of restrictions on the location, time or manner of conduct of an assembly the Contracting States must be allowed a wider margin of appreciation. That margin of appreciation, although wide, is not unlimited and goes hand in hand with European supervision by the Court, whose task is to give a final ruling on whether the imposed restrictions were compatible with Article 10 or 11.
418. The Court reiterates that where a wide margin of appreciation is afforded to the national authorities, the procedural safeguards available to the individual will be especially material in determining whether the respondent State has, when fixing the regulatory framework, remained within its margin of appreciation. In particular, the Court must examine whether the decision-making process leading to measures of interference was fair and such as to afford due respect to the interests safeguarded to the individual by the Convention (see Chapman v. the United Kingdom [GC], no. 27238/95, § 92, ECHR 2001-I; see also Buckley v. the United Kingdom, 25 September 1996, §§ 74-76, Reports of Judgments and Decisions 1996-IV; and Liu v. Russia (no. 2), no. 29157/09, §§ 85 and 86, 26 July 2011).”
2.5.4
Over de uitoefening van het demonstratierecht in het licht van het bestaan van een risico van botsingen met tegendemonstranten heeft het EHRM in diezelfde uitspraak overwogen:
“422. (...) The Court considers that the refusal to approve the venue of a public assembly solely on the basis that it is due to take place at the same time and at the same location as another public event and in the absence of a clear and objective indication that both events cannot be managed in an appropriate manner through the exercise of policing powers, is a disproportionate interference with the freedom of assembly (see, in the same vein, § 30 of the Report of the UN Special Rapporteur on the right to freedom of peaceful assembly and freedom of association of 21 May 2012, cited in paragraph 313 above; point 2.3 of the Compilation of Venice Commission Opinions Concerning Freedom of Assembly of 1 July 2014, cited in paragraph 315 above; and point 4.3 and § 122 of the 2010 Guidelines on Freedom of Peaceful Assembly by the ODIHR in consultation with the Venice Commission, cited in paragraph 317 above).
(...)
425. (...) [T]he Court reiterates that the mere existence of a risk of clashes between the demonstrators and their opponents is insufficient as a justification for banning the event. If every possibility of tension and heated exchange between opposing groups during a demonstration were to warrant its prohibition, society would be faced with being deprived of the opportunity of hearing differing views on any question which offends the sensitivity of the majority opinion. Participants in peaceful assemblies must be able to hold demonstrations without having to fear that they will be subjected to physical violence by their opponents. It is thus the duty of Contracting States to take reasonable and appropriate measures to enable lawful demonstrations to proceed peacefully (Plattform “Ärzte für das Leben” v. Austria, 21 June 1988, §§ 32 and 34, Series A no. 139; Barankevich v. Russia, no. 10519/03 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), §§ 31 and 32, 26 July 2007; and Fáber v. Hungary, no. 40721/08 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), §§ 38-40, 24 July 2012). The Court therefore considers that a reference to negative attitudes of others towards the views expressed at a public assembly cannot serve as a justification either for a refusal to approve such an assembly or for a decision to banish it from the city centre to the outskirts. There is no indication that an evaluation of the resources necessary for neutralising the threat of clashes was part of the domestic authorities’ decision-making process. Instead of considering measures which could have allowed the applicants’ public event to proceed without disturbance, the authorities chose to relocate it out of the town centre to a remote and deserted location (see paragraphs 126 to 130 above).
426. (...) The Court considers that the practice whereby the authorities allow an assembly to take place, but only at a location which is not within sight and sound of its target audience and where its impact will be muted, is incompatible with the requirements of Article 11 of the Convention (see, in the same vein, § 40 of the Report of the UN Special Rapporteur on the right to freedom of peaceful assembly and freedom of association of 21 May 2012, cited in paragraph 313 above; point 4.2 of the Compilation of Venice Commission Opinions Concerning Freedom of Assembly of 1 July 2014, cited in paragraph 315 above; and point 3.5 and §§ 45 and 101 of the 2010 Guidelines on Freedom of Peaceful Assembly by the ODIHR in consultation with the Venice Commission, cited in paragraph 317 above).”
2.6.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte heeft een kennisgeving gedaan van zijn voornemen om op zondag 24 mei 2020 van 13 tot 17 uur op de Dam in Amsterdam een demonstratie te organiseren van dertig deelnemers “voor de Palestijnen en tegen Israël”. Bij besluit van 21 mei 2020 is door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio aan de verdachte op grond van artikel 5 lid 1 WOM de beperking opgelegd dat hij op die datum niet mag demonstreren op de Dam en is de demonstratie verwezen naar het Museumplein in Amsterdam. Bij dit besluit is een aan de verdachte gerichte brief van 1 februari 2019 van de burgemeester van Amsterdam meegestuurd.
2.6.2
De inhoud van deze brief van 1 februari 2019 is weergegeven in de onder 2.2.2 weergegeven bewijsvoering van het hof. In deze brief is vermeld dat de verdachte met grote regelmaat, bij voorkeur in het weekend, gebruik maakt van zijn grondrecht om te demonstreren, en dat de demonstraties waarbij de verdachte betrokken was met name op de Dam “bij herhaling leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen”, waardoor veelvuldig politie is ingezet, aangiftes zijn gedaan en handhavend is opgetreden. Ongeacht dat politietoezicht escaleerden deze demonstraties zowel verbaal, non-verbaal als fysiek. Zowel de verdachte als de “pro-Israël” sympathisanten gedroegen zich daarbij steeds meer op onaanvaardbare wijze, wat invloed had op eenieder die zich daar begaf. De brief vermeldt verder dat sprake is van een toenemende gegronde vrees dat deze incidenten zich blijven herhalen en mogelijk verergeren. Ook verwijst de brief naar de toenemende drukte in de stad en het belang van doorstroming van (voetgangers)verkeer en het voorkomen van ‘overcrowding’. Om deze redenen wordt in de brief aangekondigd dat op grond van artikel 5 lid 1 WOM voorschriften en beperkingen worden verbonden aan de door de verdachte te houden demonstraties, die inhouden dat de verdachte en zijn sympathisanten enkel nog op en rond de Dam mogen demonstreren op de zondagen van de even weken gedurende maximaal drie uren, en dat betogingen altijd vooraf op de reguliere wijze via de website van de gemeente Amsterdam moeten worden aangemeld.
2.6.3
Onder verwijzing naar deze brief van 1 februari 2019 is in het ‑ eveneens in de bewijsvoering van het hof opgenomen ‑ besluit van 21 mei 2020 overwogen dat op basis van politie-informatie moet worden vastgesteld dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet is verbeterd, dat er recent meerdere incidenten zijn geweest in het kader van “pro-Israël” en “pro-Palestina” demonstraties en dat opnieuw sprake lijkt te zijn van een escalatie. Nu de voorgenomen demonstratie van de verdachte in een oneven weekend viel, is in het besluit ‑ onder verwijzing naar artikel 5 lid 1 WOM ‑ aangegeven dat de betoging niet kan plaatsvinden op de Dam, maar wel op het Museumplein.
2.6.4
Uit de bewijsvoering van het hof volgt ten slotte dat (i) de verdachte op 22 mei 2020 op zijn Facebook-pagina heeft gemeld dat hij het niet eens was met de verplaatsing in de oneven weken van zijn demonstratie van de Dam naar het Museumplein en dat hij iedereen opriep om naar de Dam te komen om te protesteren tegen Israël, (ii) de verdachte op 24 mei 2020 op de Dam arriveerde met andere demonstranten, waarna politieagenten hem hebben aangesproken om zijn demonstratie op het Museumplein te houden, en (iii) de verdachte en de medebetogers zijn aangehouden nadat eerst was gevorderd dat zij zouden vertrekken.
2.7
Voor zover in de cassatiemiddelen wordt geklaagd dat sprake is van een ontoelaatbaar integraal demonstratieverbod, missen deze klachten feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel immers mede gebaseerd op het besluit van 21 mei 2020, waarin (als gevolg van de kennisgeving van de verdachte van zijn voorgenomen demonstratie op 24 mei 2020) is toegelicht waarom ‑ op grond van artikel 5 lid 1 WOM ‑ specifieke voorschriften en beperkingen worden gesteld aan die voorgenomen demonstratie.
2.8.1
Het hof heeft het verweer van de verdediging verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid met de artikelen 10 en 11 EVRM van de in het kader van artikel 5 lid 1 WOM opgelegde voorschriften en beperkingen en de op artikel 11 WOM gebaseerde strafvervolging.
2.8.2
Bij de verwerping van dit verweer heeft het hof kennelijk ‑ gelet op de in de bewijsvoering van het hof weergegeven brief van 1 februari 2019 van de burgemeester van Amsterdam en het besluit van 21 mei 2020 ‑ betrokken dat de burgemeester van Amsterdam heeft beoogd een evenwicht te vinden tussen de rechten van de “pro-Israël” en de “pro-Palestina” demonstranten door beide groepen om en om dezelfde gelegenheid te geven te demonstreren op de Dam in Amsterdam, nadat het niet (meer) mogelijk was beide demonstraties op dezelfde locatie te laten plaatsvinden nu beide groepen zich op de Dam op onaanvaardbare wijze gedroegen en de demonstraties ongeacht politietoezicht zowel verbaal, non-verbaal als fysiek escaleerden. In de verwerping van het verweer door het hof ligt verder besloten dat de aan de demonstratie van de verdachte gestelde beperking in locatie en tijd er dan ook niet op was gericht om aan de verdachte en zijn mededemonstranten de mogelijkheid te ontnemen om tegenover het publiek hun mening te uiten, maar dat door het stellen van deze voorwaarden en beperkingen juist werd bewerkstelligd dat de (wekelijkse) demonstraties van zowel de “pro-Israël” als de “pro-Palestina” demonstranten doorgang konden blijven vinden zonder dat demonstraties moesten worden verboden.
2.8.3
Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte is aangezegd om zijn demonstratie te houden op het Museumplein en tweemaal is gevorderd de Dam te verlaten. Pas toen hij daaraan geen gehoor gaf, is de verdachte aangehouden. Tot slot heeft het hof “alles afwegende” geoordeeld dat ‑ mede gelet op de beperkte financiële draagkracht van de verdachte ‑ een taakstraf van twintig uren moet worden opgelegd.
2.9.1
Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het recht op vreedzame vergadering omvat weliswaar het recht om de tijd, plaats, en wijze van uitvoering van een demonstratie te bepalen en om een demonstratie in beginsel “within sight and sound” van de doelgroep te kunnen laten plaatsvinden, maar de (gemeentelijke) autoriteiten komt daarbij beleidsvrijheid toe als het gaat om het beoordelen van de geschiktheid van een specifieke locatie in termen van bijvoorbeeld grootte, veiligheid, verkeersdichtheid en nabijheid tot de doelgroep. In dit verband komt betekenis toe aan de omstandigheid dat, zoals uit de bewijsvoering van het hof volgt, de alternatieve locatie die aan de verdachte is voorgesteld, te weten het Museumplein, een locatie is in het centrum van Amsterdam waar in het algemeen veel publiek aanwezig is. De demonstratie is dus niet verplaatst van het stadscentrum naar een “remote and deserted location” en de samenleving is ook niet “deprived of the opportunity of hearing differing views” (vgl. de rechtspraak van het EHRM zoals geciteerd in rechtsoverweging 2.5.4).
2.9.2
Verder neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof “alles afwegende” een taakstraf van twintig uren heeft opgelegd, waarmee het hof heeft gewaarborgd dat het strafrechtelijke optreden als geheel ‑ waaronder ook de bestraffing ‑ proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van hun recht op vrijheid van vergadering.
2.10
De cassatiemiddelen falen in zoverre. De Hoge Raad heeft ook de verder in de cassatiemiddelen aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2024.
Conclusie 11‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Art. 5 en 11 WOM. Voorgenomen demonstratie op de Dam. Even/oneven weken. M1: klachten over bewezenverklaring, toetsing rechtmatigheid besluit verplaatsing voorgenomen demonstratie naar Museumplein. M2: klachten over verwerping verweer t.a.v. ingrijpen tijdens demonstratie. Plv. AG is van mening dat beide middelen slagen wegens een motiveringsgebrek. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03695
Zitting 11 juni 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is, na een vrijspraak door de kantonrechter, bij arrest van 4 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. "handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties" veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis (ECLI:NL:GHAMS:2022:2844). In eerste aanleg was de verdachte voor dit feit vrijgesproken door de kantonrechter.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/03854 en 22/01346. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Zaak 22/03854 betreft een cassatieberoep ingesteld tegen een eveneens op 4 oktober 2022 gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2843). Zaak 22/01346 betreft een arrest van hetzelfde hof van 12 april 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:1133). In alle drie de zaken gaat het om dezelfde verdachte. In de onderhavige zaak heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld..
De zaak
2.1
De feiten in de onderhavige zaak komen op het volgende neer. De verdachte heeft op 24 mei 2020 deelgenomen aan een door hem georganiseerde (pro-Palestina)demonstratie op de Dam in Amsterdam. Hiermee handelde de verdachte in strijd met een besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio van 21 mei 2020, in welk besluit de door de verdachte voorgenomen manifestatie was verwezen naar het Museumplein. Dit besluit sloot aan op een brief van 1 februari van de burgemeester van Amsterdam, kort gezegd inhoudende dat zogenoemde ‘pro-Palestinademonstranten’ op zondagen in de even weken op de Dam mochten demonstreren, terwijl de ‘pro-Israël-demonstranten’ de oneven weken kregen toebedeeld.1.
2.2
De verdachte was het niet eens met de aan zijn voorgenomen demonstratie gestelde beperking en is met een tiental anderen op 24 mei 2020 naar de Dam gegaan om te demonstreren. Hij heeft vervolgens, na een daartoe strekkende vordering van de politie, geweigerd de Dam te verlaten, waarna hij is aangehouden. De verdachte is vervolgd en in hoger beroep ook veroordeeld voor de overtreding genoemd in art. 11 lid 1 sub b Wet openbare manifestaties (hierna: Wom): het handelen in strijd met een beperking als bedoeld in art. 5 lid 1 van die wet. Voor een beter begrip van de feiten verwijs ik naar de feitelijke vaststellingen van het hof die ik hieronder, onder 3.5 heb opgenomen.
De cassatiemiddelen in het kort
3.1
Het eerste middel bevat klachten over de bewezenverklaring.2.Het besluit tot oplegging van de beperking die aan de door de verdachte voorgenomen manifestatie was gesteld, zou onrechtmatig zijn zodat het onderdeel van de tenlastelegging dat naar dit besluit verwijst niet zou kunnen worden bewezen. Volgens de steller van het middel ontbeert het besluit feitelijke grondslag (eerste deelklacht), ontbrak de noodzaak voor deze beperking (tweede deelklacht), is niet aangetoond dat de beperking de minst vergaande maatregel was (derde deelklacht) en is de demonstratie van 24 mei 2020 ten onrechte niet op zijn eigen merites beoordeeld (vierde deelklacht).
3.2
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de strafbepaling van art. 11 van de Wet openbare manifestaties (Wom) niet buiten toepassing heeft gelaten wegens strijd met art. 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Zowel het ingrijpen tijdens de demonstratie op 24 mei 2020 (eerste deelklacht) als het opleggen van een strafrechtelijke sanctie (tweede deelklacht) is volgens de steller van het middel in strijd met deze verdragsbepalingen.
Bewezenverklaring, bewijsvoering en procesverloop
3.3
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“op 24 mei 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties, immers heeft verdachte deelgenomen aan een demonstratie en die demonstratie georganiseerd (pro-Palestina) in een oneven week op zondag op de Dam, terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina) op de Dam; en
zich voor het houden van die demonstratie (pro-Palestina) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein”
3.4
Voor het onder 2 tenlastegelegde deelnemen aan een demonstratie (pro-Palestina) op 5 juli 2020 is de verdachte vrijgesproken.
3.5
Het hof heeft onder het kopje “Feiten en omstandigheden” de volgende feitelijke vaststellingen gedaan (voetnoten weggelaten):
“Op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 1 februari 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam de verdachte een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Geachte [verdachte],
U maakt al weer enige tijd met grote regelmaat gebruik van uw grondrecht om te betogen op onder meer de Dam. U heeft eerder aangegeven in een kennisgeving en tijdens het inspreken in de commissie Algemene Zaken dat u voornemens bent uw protest op de Dam de komende jaren op deze wijze voort te zetten.
Bij de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting past dat een ieder zich mag uitspreken over elk buitenlands conflict, zolang men zich houdt aan de Nederlandse wet. Daarbij mogen deze grondwettelijke vrijheden niet misbruikt worden om een ander diezelfde vrijheid te ontnemen. Als burgemeester van Amsterdam ben ik ook verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid van al haar bewoners en bezoekers. Ik heb uw recht om te protesteren op de Dam tot op heden op geen enkele wijze in tijd of plaats beperkt. Voor de Amsterdamse driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en hoofdcommissaris is echter nu een grens bereikt. Op basis van de Wet openbare manifestaties (Wom) zal ik vanaf nu voorschriften aan uw demonstratie verbinden. In deze brief leg ik u uit waarom.
Grens bereikt
De politie en het openbaar ministerie hebben mij geïnformeerd over de wijze waarop u gebruik maakt van uw demonstratierecht. Hieruit blijkt dat uw demonstraties op met name de Dam bij herhaling leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen. Dit heeft tot gevolg dat de afgelopen weken veelvuldig politie is ingezet en aangiftes zijn gedaan en er handhavend moest worden opgetreden. De politie geeft aan dat ongeacht politietoezicht de demonstraties zowel verbaal, non-verbaal ais fysiek escaleren. Zowel u als de Pro Israël sympathisanten gedragen zich op de Dam steeds meer op onaanvaardbare wijze én dat heeft invloed op een ieder die zich daar begeeft. Verder blijkt uit politie informatie dat sprake is van een toenemende gegronde vrees dat bovenstaande incidenten zich zullen blijven herhalen en mogelijk verergeren. Uw protest op de Dam over geweld dat buiten Amsterdam plaatsvindt, leidt zo uiteindelijk ook tot geweld op de Dam. Om verdere escalatie te voorkomen is besloten maatregelen te nemen. Hierbij wegen het beschermingsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de bijzondere omstandigheden van de demonstratielocatie zwaar mee.
Bescherming van ieders belang en grondrecht
U houdt uw demonstraties bij voorkeur op de Dam en in het weekend. Het plein behoort een ieder toe en als burgemeester dien ik naast uw belang ook de vrijheden en (grond-)rechten van andere gebruikers en bezoekers te beschermen. Het is onacceptabel dat met grote regelmaat slechts een handje vol mensen de Dam gebruikt voor één thema, als deze activiteiten regelmatig leiden tot wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit raakt uiteindelijk ook de grondrechten van anderen.
Voorschrift op basis van de wet
De Wom biedt ruimte om de overweging om wel of geen voorschriften te stellen mede te laten bepalen door de specifieke omstandigheden, het tijdstip en de locatie waar de demonstratie plaatsvindt. Dit impliceert dat afhankelijk van de plaats van de demonstratie en de activiteiten die daar op dat moment plaatsvinden, beperkingen gerechtvaardigd kunnen zijn ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden en in het belang van het verkeer. Door toenemende drukte in de stad is het van belang de doorstroming van (voetgangers-) verkeer en het voorkomen van overcrowding mee te laten wegen bij de besluitvorming van uw demonstratie. De in deze brief omschreven belangen en omstandigheden en de toename van de door de politie geschetste incidenten leveren bovendien een legitieme vrees voor wanordelijkheden op.
Ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en in het belang van het verkeer en ter voorkoming van verdere wanordelijkheden, stel ik wel op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom dat u en uw sympathisanten enkel nog op en rond de Dam (zie kaartje: binnen het rood omlijnde gebied) mogen demonstreren op de zondagen van de even weken, mits er op de Dam geen andere grootschalige evenementen of demonstraties plaats vinden en u binnen het blauw omlijnde gebied aan de paleiszijde blijft op de Dam. U blijft buiten het rood omlijnde gebied vrij om in de rest van Amsterdam te betogen, mits u 50 meter afstand houdt van andere protestvormen en evenementen. Uw betogingen dienen altijd vooraf op reguliere wijze aangemeld via het digitale formulier die te vinden is op amsterdam.nl. Uw demonstratie mag nergens langer dan drie uur per dag duren.
Amsterdam staat voor het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren. Deze grondrechten gaan echter wel samen met verantwoordelijkheden. Mocht blijken dat u en/of uw sympathisanten niet voldoen aan bovenstaande voorschriften, strafbare feiten plegen en/of wanordelijkheden (dreigen) plaats (te) vinden, dan zal ik opdracht geven de demonstratie(s) te beëindigen.”
In reactie op de kennisgeving door de verdachte van zijn voorgenomen demonstratie op de Dam van 24 mei 2020 is hem door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio op 21 mei 2020 een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Geachte [verdachte],
U heeft kennisgeving gedaan van uw voornemen om op zondag 24 mei van 13:00 tot 17:00 uur op de Dam een demonstratie te organiseren ‘voor de Palestijnen en tegen Israël’. U verwacht voor die demonstratie 30 deelnemers.
Op 1 februari 2019 heeft u van de burgemeester van Amsterdam een brief ontvangen die betrekking heeft op uw betogingen op de Dam in het kader van steun aan de Palestijnen. In de brief wordt ook de bredere context geschetst van de wijze waarop het gedrag van pro-Israël en pro-Palestina protesten en demonstraties leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld strafbare feiten en overtredingen.
Helaas moet ik op basis van informatie van de politie vaststellen dat de situatie op de Dam niet is verbeterd. Sterker nog, recent zijn er meerdere incidenten geweest op de Dam in het kader van pro-Israël en pro-Palestina demonstraties en lijkt opnieuw sprake te zijn van escalatie. Derhalve zie ik geen mogelijkheid om het besluit van 1 februari vorig jaar te heroverwegen. Dat betekent dat de voorschriften die in die brief zijn gesteld op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom, ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en verdere wanordelijkheden, van kracht blijven.
Een van die voorschriften is dat u enkel in de even weken op de zondag voor maximaal drie uur mag demonstreren op de Dam. Ik stel vast dat de datum van uw voorgenomen demonstratie valt in een oneven weekend. Dat betekent dat uw demonstratie op dat moment niet kan plaatsvinden op de Dam. Dat geldt ook voor andere pro-Palestina demonstraties. Derhalve verwijs ik uw demonstratie naar het Museumplein. Het staat u vrij daar te betogen zolang u daarbij de verdere voorschriften in acht neemt, zoals omschreven in de brief uit 2019. Voor de volledigheid heb ik die brief bijgevoegd.
Aanvullend wijs ik u op de RIVM-richtlijn dat eenieder 1,5 meter afstand dient te houden van anderen. In het belang van de gezondheid dient u er zorg voor te dragen dat deelnemers aan uw demonstratie gedurende de gehele demonstratie 1,5 meter afstand tot elkaar houden, en dat anderen zich niet in uw demonstratie begeven.”
Op 22 mei 2020 heeft de verdachte op zijn facebookpagina gemeld dat hij het niet eens was met de verplaatsing van zijn demonstratie naar het Museumplein en riep hij een ieder op om 24 mei 2020 naar de Dam te komen om te protesteren tegen Israël. Op 24 mei 2020 arriveerde de verdachte op de Dam met in zijn kielzog een tiental andere demonstranten, van wie enkelen Palestijnse vlaggen en een bord met daarop teksten gericht tegen Israël vasthielden. De verdachte sprak met een megafoon in zijn handen de andere demonstranten toe. De verdachte is door politieambtenaren aangesproken en aangezegd om zijn demonstratie te houden op het Museumplein. Vervolgens is de verdachte en zijn mede-betogers door politieambtenaren gevorderd te vertrekken. Nadat zij weigerden te vertrekken zijn zij aangehouden.”
3.6
Het arrest bevat voorts nog een bespreking van de verschillende in hoger beroep gevoerde verweren.
“De raadsman heeft - overeenkomstig zijn pleitnota - op een aantal gronden bepleit dat de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020, en daarmee de daarin gegeven aanwijzingen en beperkingen, onrechtmatig zijn. Het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet Openbare Manifestaties’ kan dan ook niet worden bewezenverklaard.
Het hof zal hieronder de nummering van de verweren in de pleitnota aanhouden.
(…)
IVHet hof verwerpt het verweer onder IV dat sprake zou zijn van een wettelijk niet toelaatbaar integraal demonstratieverbod, waarbij de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 niet op zijn merites is beoordeeld.In de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019, is toereikend - want voldoende concreet en met feiten onderbouwd - gemotiveerd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden. De voorschriften en beperkingen zijn door daartoe bevoegde autoriteiten gegeven. Dit leverde geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beperking was bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zoals bedoeld in het tweede lid van die verdragsbepaling. Voor de beperking bestond een dringende maatschappelijke noodzaak en zij was niet disproportioneel.In het verweer is ook de feitelijke grondslag van de besluiten in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 bestreden. De verdachte heeft daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke grondslag van de genoemde besluiten gebrekkig is. Dat wordt niet anders doordat in de brief van 21 mei 2020 niet uitdrukkelijk is ingegaan op het idee van de verdachte dat het besluit over de verdeling van de zondagen tussen pro-Israël en pro-Palestina betogers niet langer gold. Uit de motivering van het besluit van 24 mei 2020 [ik begrijp: 21 mei 2020, MvW] blijkt dat van een disproportionele beperking van het recht van de verdachte om te demonstreren geen sprake is.Wat betreft het besluit van 1 februari 2019 verdient opmerking dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in zijn beslissing van 7 maart 2019 heeft geweigerd om het besluit van 1 februari 2019 te schorsen.
VDe raadsman heeft aangevoerd dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar kunnen plaatsvinden. Alleen wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zou vergen, is een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd. Dergelijke bestuurlijke overmacht is ter zake van de demonstratie van 24 mei 2020 niet aannemelijk.Op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven, verwerpt het hof ook dit verweer.
VI t/m VIIIDe raadsman heeft in zijn pleitnota onder VI betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Onbegrijpelijk is dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet zou zijn verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie, omdat demonstranten en tegendemonstranten sindsdien niet meer tegelijk mochten demonstreren. Niet is gemotiveerd dat meerdere incidenten zouden hebben plaatsgevonden en dat verdachte of zijn mede-betogers daarmee iets te maken hadden.Onder VII is betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is, omdat het is gebaseerd op het onrechtmatige generieke demonstratieverbod van 1 februari 2019.Onder VIII is aangevoerd dat de gestelde beperkingen niet in overeenstemming zijn met artikelen 19 en 21 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aan de demonstratie verbonden voorschriften waren niet ‘necessary’ in de zin van artikelen 10 en 11 EVRM, althans berusten dezen niet op ‘relevant and sufficiënt reasons’.Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat niet nodig is dat de verdachte of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om - ook voor hem - de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd. Van een onrechtmatig generiek demonstratieverbod is geen sprake en de beperking van de grondrechten van de verdachte kan de toets aan de genoemde verdragen doorstaan.”
3.7
Onder het kopje “oplegging van straf” heeft het hof voorts overwogen:
“De kantonrechter heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis en voor het onder 2 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Worn. Ondanks dat hij wist dat een pro-Palestina demonstratie niet was toegestaan in de oneven weken op zondag op de Dam, en dat de kennisgeving van zijn voorgenomen demonstratie bij besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio was verboden op de Dam en verwezen naar het Museumplein, heeft de verdachte op 24 mei 2020 gedemonstreerd op de Dam. Toen hem is gevorderd de demonstratie te beëindigen en zich te begeven naar het Museumplein, weigerde hij. De verdachte heeft daarmee kenbaar gemaakt geen gehoor te geven aan regels en besluiten van het bevoegde gezag. Het hof acht in beginsel een geldboete passend en geboden. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn beperkte financiële draagkracht, acht het hof echter raadzaam om een taakstraf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.”
Het eerste middel
Bewezenverklaring of strafbaarheid
4.1
Het eerste middel ziet op de bewezenverklaring. Het is gericht tegen de overwegingen van het hof, als reactie op een ter zitting van het hof gevoerd verweer, over de rechtmatigheid van het besluit dan wel besluiten die in de tenlastelegging worden genoemd. Met dit besluit/deze besluiten is de beperking3.opgelegd die de verdachte niet zou zijn nagekomen. Dit besluit is volgens de steller van het middel onrechtmatig zodat het hof de verdachte had moeten vrijspreken. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is een vrijspraakverweer in deze vorm, gericht op de rechtmatigheid van een besluit op basis van de Wet openbare manifestaties, niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd.4.In de rechtspraak is te zien dat schendingen van grondrechten eerder aan de orde komt bij de beantwoording van de vraag of het bewezen verklaarde feit strafbaar is dan wel of en, zo ja, welke straf of maatregel moet worden opgelegd.5.
4.2
Anders dan in die laatste gevallen, bestaat in deze zaak de beperking op het demonstratierecht echter niet alleen uit de strafvervolging zelf, maar ook uit een of meer daarvoor al genomen besluiten die een rechtstreekse beperking van dit recht inhouden en deel uitmaken van de tenlastelegging. Ik zal daarom eerst ingaan op de vraag of en, zo ja, hoe dit besluit door de strafrechter moet worden getoetst. Mijn uiteindelijke conclusie zal zijn dat deze beoordeling in eerste instantie niet veel verschilt van de toets aan art. 11 EVRM die de strafrechter in andere zaken dient uit te voeren, met dien verstande dat daarin alleen het besluit en niet de hele strafvervolging wordt bezien.
Toetsing rechtmatigheid van besluiten
4.3
Over de vraag in welke gevallen de rechtmatigheid van een in de tenlastelegging opgenomen besluit bepalend is voor de bewezenverklaring én wanneer de strafrechter zelfstandig deze rechtmatigheid dient te onderzoeken, ook als tegen het besluit een met voldoende waarborgen omgeven bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, bestaat de nodige rechtspraak van de Hoge Raad. Vandaag concludeer ik ook in de, niet aan het onderhavige geval gerelateerde, zaak met nummer 22/03203 (ECLI:NL:PHR:2024:614). Ik kom daarin tot de slotsom dat deze vraag, voor iedere afzonderlijke delictsomschrijving waarop de tenlastelegging is gestoeld, dient te worden beantwoord aan de hand van een afwegingskader. Of de strafrechter gehouden is zelfstandig onderzoek te doen naar (bepaalde aspecten van) de rechtmatigheid van een besluit hangt dan af van de betekenis, van de aard en achtergrond van de strafbepaling, de zwaarte van de strafbedreiging en of het gaat om een misdrijf, de betekenis van het besluit binnen de delictsomschrijving, de wijze van tot stand komen van het besluit en de aard en omvang van de gevolgen van het besluit voor de verdachte. Daarbij zijn deze factoren naar mijn mening aspecten van de overkoepelende vraag in hoeverre het noodzakelijk is dat geen veroordeling voor een strafbaar feit kan volgen zonder dat ten minste één rechter de rechtmatigheid van alle onderdelen van de delictsomschrijving heeft beoordeeld en de strafrechter dus zo nodig aanvullende rechtsbescherming dient te bieden aan de verdachte.6.
4.4
In het relevante wettelijke kader in deze zaak staat art. 5 Wom centraal, dat voor zover van belang luidt:
“1. De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.
2. Een verbod kan slechts worden gegeven indien:
(…)
c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.
Art. 2 Wom, waar in lid 2 sub c van art. 5 Wom naar wordt verwezen, herhaalt de reeds in lid 2 van art. 9 van de Grondwet genoemde beperkingsgronden en luidt als volgt:
“De bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”
Art. 11 Wom bevat ten slotte een strafbaarstelling:
“1. Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
a. het houden van of deelnemen aan een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging waarvoor de vereiste kennisgeving niet is gedaan of waarvoor een verbod is gegeven;
b. handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid (…)
2. De feiten zijn overtredingen.”
4.5
Wat de aard en achtergrond van de strafbepaling betreft alsmede de wijze van tot stand komen van het besluit, vertoont art. 11 Wom gelijkenis met art. 184 Sr, waarin eveneens strafbaar wordt gesteld het niet nakomen van een eenzijdig door de overheid opgelegde verplichting.7.Over art. 184 Sr heeft de Hoge Raad overwogen in HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2126,:
“3.4. De in tenlasteleggingen als de onderhavige voorkomende woorden "krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel", die daarin kennelijk worden gebezigd in dezelfde betekenis als aan die bewoordingen toekomt in art. 184 Sr, dienen aldus te worden verstaan dat van zodanig bevel slechts sprake kan zijn indien dit bevel is gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift en in overeenstemming met een op dat voorschrift berustende bevoegdheid (vgl. HR 11 december 1990, NJ 1991, 423).
3.5. Bij een strafrechtelijke vervolging terzake van art. 184 Sr dient de rechter dus te onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijk voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven alsmede, indien terzake verweer is gevoerd van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het gaat immers om bestanddelen van het in art. 184 Sr opgenomen misdrijf, terwijl daarop betrekking hebbende verweren bij een tenlastelegging als hier aan de orde is, zich weliswaar tegen de tenlastelegging richten en strekken tot vrijspraak, doch niet van louter feitelijke aard zijn maar een of meer rechtsvragen aan de orde stellen. Het voorgaande geldt ook indien tegen het desbetreffende bevel een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt door een beroep op de bestuursrechter te doen. Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat van een rechtmatig bevel sprake is. Daarom kan niet worden aanvaard dat, bij gebreke van het benutten door de verdachte van de bestuursrechtelijke rechtsgang, een verweer als hiervoor bedoeld kan worden verworpen op de grond dat, nu geen gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang, ervan moet worden uitgegaan dat het bevel zowel wat de wijze van totstandkomen als wat zijn inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften en algemene rechtsbeginselen.
Daarbij verdient nog opmerking dat gevallen als de onderhavige, waarin het niet gaat om strafbaarstelling van handelen zonder vergunning of van handelen in strijd met aan een verleende vergunning verbonden voorschriften, daardoor worden gekenmerkt dat als misdrijf met straf wordt bedreigd het opzettelijk niet voldoen aan in verband met de openbare orde en veiligheid gegeven bevelen die de in art. 12 IVBPR en art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde "liberty of movement" beperken.
3.6. In het zich hier niet voordoende geval dat de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd geldt in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken het volgende. Is het desbetreffende bevel onherroepelijk door de bestuursrechter vernietigd, dan dient de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uit te gaan. Is het desbetreffende bevel door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten, dan staat zulks er in beginsel aan in de weg dat de strafrechter het verweer dat het wettelijk voorschrift niet verbindend is of het bevel anderszins onrechtmatig is, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken.”
4.6
Anders dan art. 184 Sr wordt art. 11 Wom niet als een misdrijf, maar als een overtreding aangemerkt. Dit enkele feit is voor mij echter geen reden om aan te nemen dat de door de Hoge Raad voor art. 184 Sr geformuleerde uitgangspunten niet gelden voor art. 11 Wom. De strafbedreigingen van beide bepalingen vertonen geen al te grote verschillen, terwijl net als in het aangehaalde arrest, art. 11 Wom strafbaar stelt het handelen in strijd met een verplichting die een beperking inhoudt van een fundamenteel recht. Evenmin acht ik het verschil in formulering van de delictsomschrijving relevant. Art. 184 Sr spreekt over een “krachtens wettelijk voorschrift” gedaan bevel en art. 11 Wom over een beperking “als bedoeld in” art. 5 lid 1 Wom. Ook de oplegging van de laatstbedoelde beperking geschiedt immers feitelijk krachtens een (specifiek genoemd) wettelijk voorschrift.8.Ten slotte wijs ik erop dat vanwege de korte termijnen die gemoeid zijn met de kennisgeving en beoordeling van een betoging, rechtsbescherming door de bestuursrechter niet altijd tijdig kan worden ingeroepen.9.
4.7
Ik kom dan ook tot de conclusie dat de beoordeling van het besluit of de besluiten die in deze zaak aan de orde zijn, dient te geschieden met inachtneming van hetgeen is overwogen in het geciteerde arrest van 24 september 2002. Dat betekent dat het hof moest onderzoeken of de beperking rechtmatig is gegeven alsmede, indien ter zake verweer was gevoerd van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. In dit verband merk ik op dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan over de uitkomst van eventuele bestuursrechtelijke procedures tegen het besluit van 21 mei 2020.10.Wel heeft het hof vastgesteld dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft geweigerd “om het besluit van 1 februari 2019 te schorsen”. Een dergelijke weigering is echter niet een onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter waarbij het besluit is vernietigd of in stand gelaten als bedoeld in het geciteerde arrest.11.In cassatie dient er daarom van uit te worden gegaan dat geen onherroepelijk oordeel van de bestuursrechter voorligt.
Het besluit of de besluiten
4.8
Een vervolgvraag is wat de bewezenverklaring dan precies inhoudt over het genomen besluit of de genomen besluiten. Gelet op het cassatiemiddel en het arrest dient duidelijkheid te bestaan over de inhoud en de oorsprong van de aan de betoging gestelde beperkingen en daarmee de verhouding tussen de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020. Daarbij is met name onduidelijk of de brief van 1 februari 2019 kan worden aangemerkt als een besluit.
4.9
In de kern bevat de bewezenverklaring twee verwijten. Het eerste verwijt is dat de verdachte op de Dam in Amsterdam heeft gedemonstreerd op een zondag in een oneven week. Dit zou in strijd zijn een beperking die volgens de tekst bij het eerste gedachtestreepje voortvloeit uit een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 én uit een besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020. In de bewezenverklaring wordt de beperking zo geformuleerd dat de verdachte alleen toestemming had voor een demonstratie (“mag demonstreren”) op de zondag in de even weken. Het tweede verwijt is dat de verdachte zich voor deze demonstratie niet heeft begeven naar het Museumplein. Deze laatste beperking zou volgens de tekst bij het tweede gedachtestreepje zijn gesteld door de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio.
4.10
Dat de beperking tot demonstraties op zondag in de even weken daadwerkelijk al wordt gesteld in de brief van 1 februari 2019 is niet evident. In deze brief is immers te lezen dat de verdachte op de reguliere wijze kennis moet blijven geven van betogingen (zoals voorgeschreven in het destijds geldende art. 2.32 Algemene Plaatselijke Verordening 2008). Bovendien schrijft de burgemeester in de inleiding: “zal ik vanaf nu voorschriften aan uw demonstratie verbinden”. Dit laat de mogelijkheid open dat de brief slechts de verdachte informeert dat de burgemeester in de toekomst naar aanleiding van een kennisgeving voor een demonstratie van de verdachte op de Dam op een zondag in een oneven week de beperking zal stellen dat deze demonstratie buiten de Dam moet worden gehouden en niet langer mag duren dan drie uur. Alsmede dat zij naar aanleiding van een kennisgeving van een demonstratie op de Dam op een zondag in een even week de beperking zal stellen dat deze in een bepaald gebied aan de paleiszijde moet worden gehouden en niet langer mag duren dan drie uren. De brief zou in dat geval niet zelf al beperkingen stellen aan de komende betogingen van de verdachte.
4.11
Deze uitleg zou in overeenstemming zijn met de Wet openbare manifestaties, waarin ik geen grondslag lees voor het reguleren van toekomstige, nog niet concrete betogingen. De Memorie van toelichting bij (het eerste ontwerp van) de Wom stelt dat het bij voorschriften en beperkingen gaat “om elementen van een beschikking voor één concreet geval, en niet om zogenaamde algemeen verbindende voorschriften”. Weliswaar volgt uit een uitsprak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat een kennisgeving niet nodig is om een maatregel te nemen voor een betoging.12.In dat geval waren er echter concrete aanwijzingen dat de volgende dag een demonstratie zou plaatsvinden en ging het dus niet om een onbepaalde demonstratie of aantal demonstraties. Ook Swart en Roorda concluderen uit de geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis dat de burgemeester slechts per individueel geval voorschriften en beperkingen kan stellen.13.
4.12
Het is verder in cassatie onbekend hoe in de praktijk uitvoering is gegeven aan de brief van 1 februari 2019, zodat ook daaruit geen aanwijzingen zijn af te leiden over de betekenis van de brief. Zijn inderdaad naar aanleiding van kennisgevingen beperkingen gesteld aan betogingen? Of zijn (vanwege de brief) demonstraties op bepaalde zondagen achterwege gebleven? Het hof heeft hierover geen vaststellingen gedaan en de in cassatie relevante stukken vermelden hierover niets. De cassatieschriftuur stelt slechts dat uit de brieven voortvloeit dat demonstraties die aangemeld zouden worden voor een tijdstip buiten de zondagen in even weken, niet zouden worden beoordeeld.14.Dat dit ook daadwerkelijk zo is gegaan wordt echter niet gesteld. Ik lees in der brief van 1 februari 2019 ook niet dat bepaalde kennisgevingen niet zouden worden beoordeeld, aangezien het achterwege laten daarvan juist zou betekenen dat aan de demonstratie waarvan kennis is gegeven géén beperkingen worden gesteld. Een manifestatie behoeft immers geen goedkeuring en kan plaatsvinden zoals kennisgegeven als de burgemeester niet in actie komt.15.
4.13
Met de uitleg van de brief van 1 februari 2019 als slechts de aankondiging van toekomstige besluiten is echter niet verenigbaar dat het hof de brief zowel in de bewezenverklaring als in zijn overwegingen aanduidt als “besluit”.16.Een brief die een voornemen bevat, maar niet zelf een beperking stelt of een andere rechtsgevolg in het leven roept, kan immers niet zonder meer worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb. Daarvoor is in beginsel vereist dat de brief zelf een rechtshandeling inhoudt.
4.14
Welk rechtsgevolg dan precies met de brief van 1 februari 2019 wordt beoogd, preciseert het hof echter niet. Als reactie op een gevoerd verweer overweegt het hof slechts dat “van een onrechtmatig generiek demonstratieverbod (…) geen sprake” is. Dit kan echter zowel het oordeel van het hof inhouden dat de brief niet een dergelijk verbod inhoudt als dat een dergelijk verbod wel is opgelegd, maar niet onrechtmatig is.
4.15
Naar het mij voorkomt, hoeft de aard van de brief van 1 februari 2019 echter niet nader te worden onderzocht omdat in de bewezenverklaring besloten ligt dat geen zelfstandige betekenis toekomt aan de brief van 1 februari 2019 en het eventueel daarin gelegen besluit. Ik begrijp de bewezenverklaring namelijk zo dat alleen de overtreding van de door de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven beperking bewezen wordt geacht. Het is volgens de tekst van de bewezenverklaring die beperking, zoals in het besluit van 21 mei 2020 gegeven, die in de beide gedachtestreepjes wordt uitgewerkt. Dat wordt niet anders doordat in het eerste gedachtestreepje ook ‘het besluit’ van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 wordt genoemd, omdat dit alleen gebeurt in samenhang met het besluit van 21 mei 2020. Zoals hiervoor aangehaald, houdt dit laatste besluit een beperking in dat op die zondag 24 mei 20202 alleen op het Museumplein (en niet op de Dam) mag worden gedemonstreerd. Steun voor deze uitleg vind ik in de overweging van het hof dat de “de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019” is getoetst.
4.16
Uit het voorgaande volgt dat in cassatie alleen de rechtmatigheid van het besluit van 21 mei 2020 aan de orde is en de brief van 1 februari 2019 slechts betekenis heeft voor zover die mede ten grondslag wordt gelegd aan het besluit van 21 mei 2020.
Reikwijdte van de toetsing door de strafrechter
4.17
Voordat ik toekom aan de inhoudelijke bespreking van het middel, zou ik nog iets willen opmerken over de reikwijdte van de toetsing door de strafrechter. In de hiervoor genoemde conclusie in de zaak 22/03203 heb ik uiteengezet dat ik geen beperkingen zie in de gronden waarop een besluit kan worden getoetst bij een op art. 184 Sr toegesneden tenlastelegging.17.Dit betekent echter niet dat de strafrechter noodzakelijkerwijs op dezelfde wijze en volgens dezelfde procesregels toetst als de bestuursrechter.18.De strafrechter heeft immers de vragen van art. 348 en 350 Sv te beantwoorden en daarbij de regels van strafprocesrecht te volgen en hij heeft niet de opdracht van de bestuursrechter zoals geformuleerd in art. 8:69 Awb.
4.18
In het cassatiemiddel wordt met name een beroep gedaan op de schending van de motiveringsplicht die is opgenomen in art. 3:46 Awb. De motivering van een besluit is van groot belang, maar voor de rechter in zeker zin ook secundair omdat het voor hem vooral als functie heeft de toetsing van andere aan het besluit te stellen eisen mogelijk te maken. Een materieel rechtmatig besluit dat een deugdelijke motivering ontbeert, kan alsnog van die motivering worden voorzien. Naar het mij voorkomt dient de strafrechter bij zijn oordeel over het besluit al hetgeen te betrekken dat tijdens het onderzoek ter zitting naar voren komt over de redenen voor het besluit. Overigens is dit op de keper beschouwd voor de bestuursrechter niet per se anders. Hoewel de bestuursrechter in beginsel een besluit (op bezwaar) ex tunc beoordeelt, kan die wel rekening houden met de verbetering of aanvulling van een in aanvang ondeugdelijke motivering door het bestuursorgaan de gelegenheid te geven de gebreken in de motivering te herstellen (de bestuurlijke lus van art. 8:51a Awb) en/of door een gebrekkig gemotiveerd besluit wel te vernietigen, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten omdat de gebreken gedurende de procedure zijn hersteld (art. 8:72 lid 3, onder a, Awb).
4.19
Verder geldt dat het besluit van 21 mei 2020 in de eerste plaats dan niet rechtmatig zal zijn als het in strijd is met (het rechtstreeks werkende) art. 10 (vrijheid van meningsuiting) of 11 EVRM (o.a. het recht op vreedzame vergadering).19.Hetgeen de verdediging materieel tegen het besluit heeft aangevoerd bij het hof en in de cassatieschriftuur, komt neer op een schending van de eisen die zijn gesteld door (de rechtspraak over) art. 11 EVRM. Hierna zal ik dan ook als eerste nagaan of het besluit aan deze eisen voldoet. Pas wanneer dat niet het geval is, zou er reden zijn te onderzoeken of het nationale recht strengere (procedurele) eisen stelt. Daarbij zie ik in hetgeen in cassatie aan de orde is geen aanleiding afzonderlijk in te gaan op de eisen van art. 10 EVRM, met die verstande dat de door art. 11 EVRM beschermde demonstratievrijheid kan worden aangemerkt als een bijzondere vorm van de vrijheid van meningsuiting en daarom wel moet worden bezien in het licht van art. 10 EVRM20..
Juridisch kader grondrechtenbeperking
4.20
Bekend is dat het recht op vreedzame vergadering niet absoluut is. Onder omstandigheden kan (door de overheid) een inbreuk op dit recht worden gemaakt. Het Europees hof legt bij de beoordeling of een inbreuk rechtmatig is de toets aan of deze (i) was voorzien bij de wet, (ii) een gerechtvaardigd doel diende en (iii) noodzakelijk was in een democratische samenleving.21.Indien die inbreuk rechtmatig is, is een strafrechtelijke veroordeling in beginsel mogelijk.22.
4.21
Met betrekking tot beperkingen naar plaats pleegt het EHRM voorop te stellen dat het recht op vrijheid van vereniging ook het recht omvat “to choose the time, place and manner of conduct of the assembly”.23.Een manifestatie moet in beginsel gehouden kunnen worden “within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact.”24.Indien door de overheid beperkingen aan deze vrijheid worden gesteld terwijl “the time and place of the assembly are crucial to the particpants”25., is sprake van een inbreuk op het recht op vrijheid van vergadering bedoeld in art. 11 EVRM en komt dus de vraag aan de orde of die inbreuk gerechtvaardigd kan worden.26.Het zwaartepunt ligt dan doorgaans - en ook in de onderhavige zaak - op de laatste vraag, dus op de vraag of de beperking noodzakelijk is.
4.22
Anders dan waar het gaat om inbreuken die raken aan de inhoud van de manifestatie (en waarbij dus primair art. 10 EVRM in het geding is en waarbij het hof met een “strict scrutiny” naar de noodzakelijkheid c.q. rechtmatigheid van de beperking pleegt te kijken), kent het hof aan nationale lidstaten een ruime appreciatiemarge toe voor wat betreft beperkingen naar plaats. In Lashmankin e.a. tegen Rusland, in welke zaak het draaide om een groot aantal personen wiens demonstratierecht op uiteenlopende manieren was beperkt,27.overwoog het hof hierover:
“417. The Court notes at the outset that the judgment of the national authorities in any particular case that there are valid reasons against holding a public assembly at a specific location is one which the Court is not well equipped to challenge (see Berladir and Others, cited above, § 59). It would have difficulties assessing locations in terms of their size, security, traffic density, closeness to the target audience, and so on. Indeed, a multitude of local factors are implicated in managing the locations, time, and manner of conduct of public assemblies. Hence, by contrast to content-based restrictions on freedom of assembly which should be subjected to the most serious scrutiny by this Court (see Primov and Others, cited above, § 135), in the sphere of restrictions on the location, time or manner of conduct of an assembly the Contracting States must be allowed a wider margin of appreciation. That margin of appreciation, although wide, is not unlimited and goes hand in hand with European supervision by the Court, whose task is to give a final ruling on whether the imposed restrictions were compatible with Article 10 or 11.
418. The Court reiterates that where a wide margin of appreciation is afforded to the national authorities, the procedural safeguards available to the individual will be especially material in determining whether the respondent State has, when fixing the regulatory framework, remained within its margin of appreciation. In particular, the Court must examine whether the decision-making process leading to measures of interference was fair and such as to afford due respect to the interests safeguarded to the individual by the Convention (see (…))”
4.23
Het EHRM stelt dus dat het zelf niet goed in staat is om een eigen oordeel te vormen als het aankomt op de afweging van de omstandigheden van het geval die kunnen maken dat een manifestatie wel of niet redelijkerwijs op een bepaalde locatie kan plaatsvinden. Zoals ik deze overweging lees, gaat het dan om de feitelijke lokale omstandigheden. Andere aspecten van de afweging of een inbreuk op het demonstratierecht gerechtvaardigd is die daar niet mee samenvallen, maken dan geen deel uit van dezelfde marge.
4.24
Verder wijs ik op enkele uitgangspunten die het EHRM hanteert in het geval sprake is van een demonstratie en een tegendemonstratie, of van een demonstratie die kan rekenen op een “hostile audience”28.. Het EHRM stelt in dergelijke zaken voorop dat dan sprake is van “competing fundamental rights” - het recht om te protesteren van de één versus hetzelfde recht van de ander - en dat beide partijen recht hebben op “gelijke bescherming”. Het Europese hof stelt met nadruk dat staten enerzijds de verplichting hebben om neutraliteit ten opzichte van de inhoud van de demonstraties te betrachten, maar tegelijkertijd ook hier een ruime appreciatiemarge hebben om te bepalen hoe de rechten van de “hostile” partijen zo goed mogelijk kunnen worden geëerbiedigd, al dan niet door het stellen van voorschriften of beperkingen. Dit ook, zo stelt het Europese hof, “because those authorities are best positioned to evaluate the security risks and those of disturbance as well as the appropriate measures dictated by the risk assumption”.29.
4.25
Daarbij moet wel worden bedacht dat het EHRM dergelijke marges laat aan de staat die partij is bij het EVRM en niet noodzakelijkerwijs aan de bestuursorganen van die staat. De rechter dient er, als effectief rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM, in eerste instantie op toe te zien dat de in het EVRM toegekende rechten en vrijheden niet worden geschonden. Daarvan getuigt ook de noodzaak voor ‘procedural safeguards’ waarmee een grote ‘margin of appreciation’ gepaard gaat. De nationale rechter, die bijvoorbeeld de lokale omstandigheden beter kan beoordelen dan het EHRM, opereert dus binnen de appreciatiemarge die het EHRM laat aan de staat in zijn geheel.30.Anders gezegd: de appreciatiemarge die het EHRM zelf aanlegt, kan niet in gelijke mate worden aangelegd door de nationale rechter. Dan komt immers een van de grondslagen van die appreciatiemarge - de nationale procedurele waarborgen - te vervallen.
4.26
Illustratief hiervoor is een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin voorop wordt gesteld dat de burgemeester bij het stellen van beperkingen op grond van art. 5 Wom een zekere beoordelingsruimte toekomt om aan de hand van de lokale omstandigheden een inschatting te maken of, en zo ja, welke voorschriften en beperkingen moeten worden gesteld. Echter moet “[d]e rechter (..) vervolgens beoordelen of de burgemeester terecht bepaalde beperkingen en voorschriften aan een demonstratie heeft gesteld”.31.Meer specifiek dient de rechter zelf de door art. 11 lid 2 EVRM vereiste toets op de noodzaak van de inbreuk uit te voeren en daarbij voldoende relevante gronden voor de inbreuk vast te stellen.32.
4.27
Voor de te maken afweging is van belang dat het EHRM vooropstelt dat het enkele bestaan van een risico op geweld onvoldoende is om het verbod op een demonstratie te rechtvaardigen. In beginsel rust immers een positieve verplichting op de staat om te zorgen dat een demonstratie kan doorgaan.33.Dit betekent dat de autoriteiten ook een concrete inschatting moeten maken van de potentiële omvang van wanordelijkheden om zo te kunnen nagaan of zij voldoende faciliteiten hebben het risico op geweld tegen te gaan.34.Bij die inschatting is geweld dat in het verleden bij soortgelijke demonstraties heeft plaatsgevonden wel van betekenis, maar de relevantie daarvan neemt af naarmate het meer mogelijk is door preventieve maatregelen geweld tegen te gaan.35.
4.28
Van belang is evenwel dat de hiervoor genoemde rechtspraak van het EHRM met name gaat over het verbieden - en dus niet: het verplaatsen - van een demonstratie. Het verplaatsen kan juist één van de maatregelen zijn die - hoewel óók een beperking en daarmee in beginsel niet de geprefereerde optie - de staat heeft om een demonstratie in goede banen te leiden. Ik ga er echter van uit dat naarmate de beperking meer raakt aan de plaats, tijd of vorm die cruciaal is voor de deelnemers van de betoging, eerder ook aan de voor een verbod geldende eisen van art. 11 EVRM moet worden getoetst. Ik wijs op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin werd geoordeeld dat in feite sprake was van een verbod van een betoging van Occupy Den Haag toen de demonstratie op zich werd toegestaan, maar het kampement waarvan ook was kennisgegeven door de burgemeester werd uitgesloten. De demonstranten hadden namelijk aangetoond dat het kampement van essentieel belang was voor de betoging.36.
4.29
Beperkingen die van minder belang zijn voor de demonstranten zouden dan wellicht eerder kunnen worden opgelegd. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt in zijn algemeenheid dat het verbieden van een manifestatie wordt beschouwd als het zwaarste middel. Het stellen van ‘voorschriften’ of ‘beperkingen’ aan een manifestatie is daarvoor het lichtere alternatief. Waar het voor een verbod vereist is dat dit door de in art. 2 Wom genoemde belangen wordt ‘gevorderd’, geldt voor het stellen van beperkingen in de zin van art. 5 lid 1 Wom dat deze kunnen worden opgelegd indien deze “dienstig zijn aan een of meer van de in artikel 2 van de Wom genoemde belangen.”37.
4.30
In de hierboven genoemde zaak Lashmankin tegen Rusland speelde voor het EHRM ook mee dat de relevante Russische wetgeving niet vereiste dat de manifestaties zouden worden verplaatst op een wijze “such that the message which they [the organisers, MvW] seek to convey is still capable of being communicated”. In de praktijk waren enkele demonstraties verwezen naar ver afgelegen locaties. Het hof overweegt hierover dat indien niet alleen sprake is van een beperking die inhoudt dat niet geprotesteerd kan worden “within sight and sound of the target audiences”, maar de demonstratie verwezen wordt naar een plek zo afgelegen dat “its impact will be muted”, sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk en dus van een schending van art. 11 EVRM.38.Hieruit kan worden afgeleid dat het er toe doet wat als alternatieve locatie wordt aangewezen of overeengekomen: indien dit een locatie is waar veel aanloop is, zal minder snel van een schending sprake zijn.
4.31
Van belang in de zaak Lashmankin tegen Rusland achtte het hof ten slotte dat in de Russische aanpak “a clear risk of arbitrariness” volgde uit de ruime discretionaire bevoegdheden van de autoriteiten. In dat verband noemt het hof als voorbeeld dat voor een demonstratie van homorechtenactivisten door de organisatoren liefst tien locaties in het stadscentrum van Moskou waren aangedragen, die elk werden geweigerd, terwijl een “anti-gay public event” wel werd toegelaten. Eenzelfde vorm van ongelijkheid signaleerde het hof bij demonstraties voor een oppositiebeweging in Rostov aan de Don (waarbij zeventien van de achttien in het stadscentrum werden geweigerd) versus pro-overheid manifestaties (die telkens zonder kenbare problemen doorgang konden vinden).39.Uit een en ander volgt dat - niettegenstaande het feit dat de overheid niet mag treden in de inhoud van demonstraties - het (juist) zo kan zijn dat de neutraliteit van de overheid verlangt dat in een publiek debat voor- en tegenstanders van een bepaalde kwestie dezelfde mogelijkheden tot demonstreren hebben.
4.32
In dit verband wijs ik ook nog op het arrest Öllinger tegen Oostenrijk.40.Ook in deze zaak nam het hof een schending van art. 11 EVRM aan. De feiten kwamen er op neer dat door de autoriteiten een bijeenkomst was verboden die tot doel had om door de SS gedode Joden te herdenken. De reden die hiervoor door de autoriteiten was aangedragen was dat op dezelfde locatie (een begraafplaats) en hetzelfde moment (Allerzielen) al een bijeenkomst werd georganiseerd door de “Kameradschaft IV”, welk gezelschap SS’ers wilde herdenken. De overheid hield er rekening mee dat tussen beide groeperingen spanningen zouden ontstaan die de waardigheid van de begraafplaats op die dag zou aantasten. Het resultaat van het verbod was nochtans - en daarin schuilt de overeenkomst met het hiervoor genoemde - dat één partij (de Kameradschaft IV) zijn recht van vrijheid van bijeenkomst ten volle kon verwezenlijken, terwijl de andere partij geconfronteerd werd met een volledig verbod op de bijeenkomst.41.
4.33
Als laatste zou ik willen wijze op de rechtspraak van het EHRM over een algemeen verbod op demonstraties. Wederom haal ik aan Lashmankin tegen Rusland, deze keer over een wettelijke regel die alle betogingen op bepaalde plekken verbiedt, zoals betogingen bij gerechtsgebouwen en penitentiaire inrichtingen42.:
“434. The Court reiterates that a State can, consistently with the Convention, adopt general measures which apply to pre-defined situations regardless of the individual facts of each case, even if this might result in individual hard cases (see Animal Defenders International v. the United Kingdom [GC], no. 48876/08, § 106, ECHR 2013 (extracts)). However, a general ban on demonstrations can only be justified if there is a real danger of their resulting in disorder which cannot be prevented by other less stringent measures. In this connection, the authority must take into account the effect of a ban on demonstrations which do not by themselves constitute a danger to public order. Only if the disadvantage of such demonstrations being caught by the ban is clearly outweighed by the security considerations justifying the issue of the ban, and if there is no possibility of avoiding such undesirable side effects of the ban by a narrow circumscription of its scope in terms of territorial application and duration, can the ban be regarded as being necessary within the meaning of Article 11 § 2 of the Convention (see Christians against Racism and Fascism v. the United Kingdom, no. 8440/78, Commission decision of 16 July 1980).
(…)
436. Turning now to the proportionality of the general ban, the Court notes that there is no evidence that it has been the subject of an exacting parliamentary and judicial review. Neither the Government, nor the Constitutional Court in its ruling of 17 July 2007 (see paragraph 254 above), explained what security considerations justified it, except by vaguely referring to the “special legal regime” of the locations mentioned in the Public Events Act. Nor did the Constitutional Court explain why a general ban was a more feasible means of achieving the legitimate aim than a provision allowing case-by-case examination and targeting only those assemblies which presented a danger of disorder; or why the general ban could not be relaxed without a risk of abuse, significant uncertainty, discrimination or arbitrariness (compare Animal Defenders International, cited above, §§ 108 and 114-16). The Court is therefore not persuaded that the Government provided a convincing justification for the general ban in question.”
4.34
Hieruit volgt dat dat het EHRM een meer algemeen verbod van demonstraties niet uitsluit, maar dat het uitgangspunt is dat voor ieder geval afzonderlijk moet worden onderzocht of een inbreuk op het recht van vreedzame betoging is gerechtvaardigd. De kans dat betogers die in het specifieke geval geen gevaar vormen ten onrechte worden getroffen door het verbod, kan alleen op de koop toe worden genomen bij een voldoende groot veiligheidsrisico en de afwezigheid van alternatieven. Daarbij moet het verbod in tijd en plaats zo klein mogelijk zijn en nauwkeurig zijn omschreven. Deze rechtspraak lijkt mij ook van belang bij het opleggen van algemene beperkingen, omdat het effect daarvan vergelijkbaar is met een algemeen verbod om op een bepaalde plaats te demonstreren.
Bespreking van het middel
4.35
De deelklachten lenen zich voor gezamenlijk bespreking, omdat zij alle vier andere aspecten aan de orde stellen van dezelfde afweging of een inbreuk op het recht op vreedzame vergadering noodzakelijk is. Daarbij stel ik vast dat het hof ter weerlegging van de door de verdediging gevoerde verweren grotendeels heeft verwezen naar de inhoud van de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020. Hoewel niet deze besluiten maar het arrest van het hof onderwerp is van cassatie, kan er daarom niet aan worden ontkomen toch ook de nodige aandacht te besteden aan deze besluiten zelf.
4.36
De verdachte heeft kennisgegeven van een voornemen om te demonstreren op zondag 24 mei 2020 van 13:00 tot 17:00 uur op de Dam in Amsterdam. Bij besluit van 21 mei 2020 is de beperking opgelegd dat deze demonstratie alleen op het Museumplein mag plaatsvinden en dat daarbij verder de regels van de brief van 1 februari 2019 gelden.
4.37
Anders dan de steller van het middel acht ik het (impliciete) oordeel van het hof dat de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio is nagegaan of de gestelde beperkingen ook voor de demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk waren, niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop dat de plaatsvervangend voorzitter in het besluit van 21 mei 2020 laat blijken opnieuw informatie te hebben ingewonnen en dat hij heeft beoordeeld of er reden is “het besluit van 1 februari vorig jaar te heroverwegen”. De vierde deelklacht faalt dan ook.
4.38
Dit neemt niet weg dat, gelet op het gevoerde verweer, het hof er zich zijn oordeel rekenschap van had moeten geven dat het besluit van 21 mei 2020 nadrukkelijk de voortzetting is van het bij de brief van 1 februari 2019 ingezette beleid om de pro-Palestinademonstraties te scheiden van de pro-Israëldemonstraties. Niet alleen wordt daarin aangesloten bij de feitelijke grondslag van de brief van 1 februari 2019, maar ook bij de daarin gekozen beperking van om en om demonstreren op de Dam. Bij beoordeling van het besluit van 21 mei 2020 diende het hof dan ook na te gaan of dit beleid op afdoende gronden berust.
4.39
Het formuleren en vervolgens handhaven van een dergelijk beleid is, naar het mij voorkomt, op zichzelf al een inbreuk op het recht op vreedzame demonstraties, zelfs als de brief van 1 februari 2019 niet al een besluit met rechtsgevolg zou zijn en ook als na 1 februari 2019 iedere volgende kennisgeving voor een demonstratie ‘case-by-case’ zou zijn beoordeeld. Een dergelijke beleid kan immers ontmoedigend werken doordat het betogers ervan kan weerhouden op de Dam te betogen op de dagen dat zij niet ‘aan de beurt’ zijn.43.
4.40
Uit de brief van 1 februari 2019 blijkt dat de burgemeester heeft geprobeerd een evenwicht te vinden tussen de concurrerende rechten van de beide groepen demonstranten en andere betrokken belangen. De brief refereert aan het gelijkheidsbeginsel en stelt een beleid voor waarbij iedere groep evenveel mogelijkheden krijgt (om en om en op een nader bepaalde plek) op de Dam te demonstreren, terwijl demonstraties op alle andere plekken in de stad toegestaan blijven. Daarmee heeft de burgemeester in beginsel gehandeld met de vereiste neutraliteit en met het doel demonstraties op de Dam juist wel mogelijk te maken. Dit beleid is minder ingrijpend dan in het hiervoor (4.33 en 4.34) aangehaalde geval waarin het EHRM oordeelde over een algemeen verbod op bepaalde plaatsen te demonstreren.
4.41
Gelet op het juridisch kader dat ik heb uiteengezet en waarin ik meer ruimte zie voor het stellen van beperkingen dan voor een verbod, zou het hof een beleid als dit mogelijk kunnen achten. Niettemin moet worden aangenomen dat het algemene karakter van het beleid meebrengt dat zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de rechtvaardiging ervan. Met name dient vast te staan dat de gronden als bedoeld in art. 11 lid 2 EVRM voldoende zwaarwegend zijn en dat redelijke alternatieven ontbreken.
4.42
De brief van 1 februari 2019 legt aan de beperkingen ten grondslag dat confrontaties, strafbare feiten en wanordelijkheden moeten worden voorkomen. Van deze drie situaties noemt art. 2 Wom alleen wanordelijkheden als reden voor een beperking. Daaronder zullen sommige strafbare feiten echter kunnen worden begrepen.44.Art. 11 lid 2 EVRM noemt het voorkomen van strafbare feiten wel expliciet als rechtvaardigingsgrond. Wat confrontaties betreft, zal niet iedere kans op een confrontatie op zichzelf reden kunnen zijn om in te grijpen bij een demonstratie. Het EHRM spreekt in dit verband uit dat spanningen en verhitte discussies tussen groepen in beginsel moeten worden geaccepteerd.45.Opvallend is dat de brief niet expliciet stelt dat door de beschreven gang van zaken het voor de andere groep demonstranten niet meer mogelijk is het demonstratierecht uit te oefenen.
4.43
Over de strafbare feiten en wanordelijkheden staat in de brief van 1 februari 2019 dat deze bij herhaling hebben plaatsgevonden, waardoor politie moest worden ingezet, aangifte is gedaan en handhavend moest worden opgetreden. Dit zou het gevolg zijn van de manier waarop de verdachte gebruik46.maakt van zijn demonstratierecht, waarbij echter ook de pro-Israëldemonstranten zich onaanvaardbaar gedragen. Verder zou uit politie-informatie volgen dat sprake is van een toenemende gegronde vrees dat deze incidenten zich zullen herhalen en mogelijk verergeren. Wat de inhoud van deze politie-informatie is, welke strafbare feiten en welke wanordelijkheden dit betreft, vermeldt de brief niet.
4.44
Over de mogelijkheid van alternatieven voor de op te legen beperkingen vermeldt de brief alleen dat de demonstraties verbaal, non-verbaal en fysiek escaleren “ongeacht politietoezicht”. Welke vorm dit toezicht had, waarom dit niet voldoende was en waarom ook een grotere inzet van de politie de escalatie niet zou kunnen voorkomen, wordt niet uitgelegd.
4.45
Het besluit van 21 mei 2020 neemt de in de brief van 1 februari 2019 geschetste situatie als uitgangspunt. Het voegt daaraan toe dat uit politie-informatie blijkt dat er recent nieuwe incidenten zijn geweest op de Dam in het kader van pro-Israël- en pro-Palestinademonstraties en dat opnieuw sprake lijkt te zijn van een escalatie. Geen van beide wordt nader toegelicht of gespecificeerd. Anders dan in de brief van 1 februari 2019 wordt niet gesteld dat (de demonstraties van) de verdachte bij deze incidenten en escalatie een rol heeft. Evenmin wordt aandacht besteed aan de inzet van de overheid die noodzakelijk zou zijn om de betoging zonder strafbare feiten en wanordelijkheden te laten verlopen.
4.46
Deze onderbouwing is in mijn ogen niet alleen zodanig vaag dat die moeilijk controleerbaar is, maar geeft vooral ook vrijwel geen aanknopingspunten voor een concrete risico-inschatting, mede gelet op de zwaardere eisen die aan de onderbouwing mogen worden gesteld van een beleid dat toekomstige demonstraties op bepaalde plekken in beginsel niet toestaat. Op zichzelf acht ik het denkbaar dat in de afweging of een beperking op het recht van vreedzame vergadering noodzakelijk is, het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten zwaarder weegt in een geval als gesteld door de burgemeester, namelijk het geval waarin demonstraties en eventuele wanordelijkheden of strafbare feiten niet eenmalig maar iedere week plaatsvinden (op een vast en druk punt van de stad). De frequentie van het gevaar voor de in art. 2 Wom en art. 11 EVRM genoemde belangen kan dan maken dat een beperking eerder gerechtvaardigd is, mede gelet op de navenant grotere belasting voor de politie. Ook dit zal echter moeten zijn onderbouwd.
4.47
Als reactie op het uitgebreide verweer van de verdediging in hoger beroep op zowel de feitelijke grondslag van deze besluiten als de daarin gemaakte afweging, kon het hof bij de weerlegging van dit verweer dan ook niet volstaan met de enkele verwijzing naar de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020. Het hof heeft zijn oordeel niet kenbaar gestoeld op een nadere (feitelijke) onderbouwing die bij het onderzoek ter zitting is gebleken. Dat toereikende gronden bestaan voor de opgelegde beperking is evenmin gegeven doordat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat de feitelijke grondslag gebrekkig is, zoals het hof heeft overwogen. Hetgeen de verdachte heeft aangevoerd lijkt mij niet zonder betekenis, maar alleen als een in beginsel voldoende rechtvaardiging voor de beperking is aangedragen. Het karakter van deze beperking, als inbreuk op een grondrecht die een expliciete rechtvaardiging behoeft, brengt dit mee.
4.48
Verder heeft het hof verzuimd om, als reactie op het verweer dat de demonstratie diende plaats te vinden ‘within sight and sound’ van de pro-Israëldemonstratie, na te gaan in hoeverre de plaats en de tijd van de demonstratie cruciaal waren voor de deelnemers van de door de verdachte voorgenomen betoging.
4.49
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, acht ik dan ook het oordeel van het hof dat het besluit van 21 mei 2020 tot oplegging van een beperking rechtmatig is, onbegrijpelijk. De eerste, tweede en derde deelklacht slagen en daarmee ook het eerste middel.
Het tweede middel
5.1
Het tweede middel is gericht tegen de verwerping van het verweer dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de twee deelklachten is het ingrijpen tijdens de demonstratie op 24 mei 2020 en het opleggen van een strafrechtelijke sanctie in strijd met art. 11 EVRM. Ook deze twee deelklachten zal ik gezamenlijk bespreken. Of een inbreuk op het recht van art. 11 EVRM gerechtvaardigd is en dan met name of deze proportioneel is, wordt immers beoordeeld op basis van de procedure als geheel,.
Juridisch kader
5.2
Als het gaat om strafvervolging wordt de hoofdlijn in de rechtspraak van het EHRM als volgt samengevat door de Hoge Raad:
“Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. ook HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)”47.
5.3
Met inachtneming van dit uitgangspunt is bestraffing volgens het EHRM wel mogelijk in twee gevallen. Ten eerste, kort gezegd, als de verdachte zelf laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) vertoont. Dat is in deze zaak niet aan de orde. Het tweede geval ziet op het handhaven van de nationale regels die zijn gesteld om betogingen in goede banen te leiden.
5.4
In het kader van dit laatste is om te beginnen van belang dat het EHRM het in beginsel niet in strijd met art. 11 EVRM acht als staten een vergunningstelsel hanteren voor het toestaan van demonstraties (hetgeen verder gaat dan het Nederlandse systeem van een verplichte kennisgeving).48.Hiermee hangt samen dat staten in beginsel ook het recht toekomt om hen te sanctioneren die zich niet aan de regels van dit systeem houden:
“Since States have the right to require authorisation, they must be able to impose sanctions on those who participate in demonstrations that do not comply with such a requirement.”49.
5.5
Hieraan voegt het EHRM evenwel toe dat indien een onvergunde (of anderszins ‘unlawful’) manifestatie plaatsvindt enige terughoudendheid geboden is en het handhaven van zo’n stelsel niet een doel op zich mag worden. In het arrest Kudrevičius e.a. tegen Litouwen overweegt het EHRM:
“151. An unlawful situation, such as the staging of a demonstration without prior authorisation, does not necessarily justify an interference with a person’s right to freedom of assembly (see Cisse v. France, no. 51346/99, § 50, ECHR 2002-III; and Oya Ataman, § 39; Barraco, § 45; and Skiba, all cited above). While rules governing public assemblies, such as the system of prior notification, are essential for the smooth conduct of public demonstrations, since they allow the authorities to minimise the disruption to traffic and take other safety measures, their enforcement cannot become an end in itself (see Primov and Others, cited above, § 118). In particular, where demonstrators do not engage in acts of violence it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance (see (…)).
151. The absence of prior authorisation and the ensuing “unlawfulness” of the action do not give carte blanche to the authorities; they are still restricted by the proportionality requirement of Article 11. Thus, it should be established why the demonstration was not authorised in the first place, what the public interest at stake was, and what risks were represented by the demonstration. The method used by the police for discouraging the protesters, containing them in a particular place or dispersing the demonstration is also an important factor in assessing the proportionality of the interference (see Primov and Others, cited above, § 119). Thus, the use by the police of pepper spray to disperse an authorised demonstration was found to be disproportionate, even though the Court acknowledged that the event could have disrupted the flow of traffic (see …).”50.
5.6
In de zaak Frumkin tegen Rusland benadrukt het EHRM een zaakspecifieke beoordeling en noemt het nog enkele andere relevante factoren:
“It is important for the public authorities, moreover, to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings, even unlawful ones, if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance (see Oya Ataman, cited above, §§ 37 and 39). The limits of tolerance expected towards an unlawful assembly depend on the specific circumstances, including the duration and the extent of public disturbance caused by it, and whether its participants had been given sufficient opportunity to manifest their views (see …).”
5.7
Omdat de mate van de gevergde “degree of tolerance” niet “in abstracto” kan worden bepaald maar van geval tot geval moet worden beoordeeld51.is de EHRM-jurisprudentie noodzakelijkerwijs casuïstisch. Ik ben in deze rechtspraak ik geen gevallen tegengekomen waarin een schending van art. 11 EVRM werd aangenomen in een situatie die vergelijkbaar is met de onderhavige casus. Wel vermeld ik hier dat in Lashmankin tegen Rusland het EHRM de mogelijkheid zag om de regels rondom kennisgevingen te handhaven door de demonstratie door te laten gaan, maar ter plaatse of later een boete op te leggen.52.
Beoordeling van het middel
5.8
Als reactie op het door de verdediging gevoerde verweer dat de daadwerkelijke demonstratie van de verdachte geen aanleiding had mogen geven tot (strafrechtelijk) ingrijpen, is het hof niet kenbaar nagegaan of bij het optreden van de autoriteiten is gehandeld met de noodzakelijk ‘degree of tolerance’. Het hof heeft geen (feitelijke) vaststellingen gedaan die verband houden met de reden dat de beperkingen zijn opgelegd en ook niet over de betrokken belangen en risico’s. Evenmin heeft het hof aandacht besteed aan de vraag of de demonstranten voldoende mogelijkheid hebben gehad hun standpunt uit te dragen. Met name ontbreekt het oordeel dat op het moment van de aanhouding van verdachte53.daadwerkelijk het risico bestond op de strafbare feiten of wanordelijkheden die aanleiding waren voor het besluit van 21 mei 2020, laat staan dat de demonstranten ‘acts of violence’ verrichtten. Het hof heeft bijvoorbeeld niets vastgesteld over de feitelijk aanwezigheid van een pro-Israëldemonstratie.
5.9
Het hof heeft verder aan de strafbarheid van het bewezen verklaarde en aan de strafoplegging afzonderlijke overwegingen gewijd. In geen van beide is het hof ingegaan op de vraag of van het strafrechtelijk optreden tegen de verdachte (aanhouding, detentie en bestraffing) een chilling effect uitgaat naar anderen die gebruik zouden willen maken van hun demonstratierecht. Wel heeft het hof overwogen dat de verdachte tot twee keer toe is gevorderd de Dam te verlaten, dat de verdachte daar niet aan voldeed, dat de opgelegde beperking in overeenstemming is met art. 11 EVRM en dat de arrestatie van de verdachte een noodzakelijk en proportioneel middel was.
5.10
Bij de bespreking van het eerste middel heb ik het standpunt ingenomen dat uit de overwegingen van het hof niet kan volgen dat de opgelegde beperking in overeenstemming is met art. 11 EVRM.
5.11
De overweging dat de arrestatie noodzakelijk en proportioneel was, vertoont gelijkenis met een al wat ouder arrest van de Hoge Raad. Daarin is geoordeeld dat een demonstratie kan worden beëindigd op de enkele grond dat daarvan geen kennis was gegeven.54.De overwegingen van het hof begrijp ik in dezelfde lijn, namelijk dat het enkele overtreden van een krachtens de Wom geldende verplichting strafrechtelijk ingrijpen rechtvaardigt. In latere rechtspraak van de Hoge Raad wordt echter duidelijk dat bij de vraag of strafrechtelijk ingrijpen proportioneel is ook naar andere factoren wordt gekeken, zoals:55.of de verdachte de gelegenheid heeft gehad uiting te geven aan het doel van de demonstratie, of het handelen van de demonstranten verderging dan het geven van ruchtbaarheid aan dit standpunt, in hoeverre door de demonstratie de rechten van anderen werden beperkt, of een redelijk alternatief werd geboden waar zonder opgaaf van redenen geen gebruik van werd gemaakt, de aanleiding voor het strafrechtelijk optreden was gelegen in de deelname aan de demonstratie zelf of in hoeverre de duur van het voorarrest was te wijten aan de verdachte.
5.12
Het hof heeft zich niet uitgelaten over deze of andere factoren die bepalen of strafrechtelijk ingrijpen door aanhouding, detentie en strafvervolging proportioneel was. Met name is het niet ingegaan op de vraag of had kunnen worden volstaan met het (tijdelijk) laten doorgaan van de demonstratie en achteraf beboeten van de verdachte.
5.13
In concludeer dan ook dat het middel slaagt. Als het hof heeft gemeend dat een nader onderzoek hiernaar en een nadere onderbouwing van het oordeel niet nodig was, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Als het wel is uitgegaan van deze rechtsopvatting dan is het oordeel dat het strafrechtelijk ingrijpen dat in deze zaak heeft plaatsgevonden gerechtvaardigd was, onvoldoende gemotiveerd.
Afronding
6.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.2
Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑06‑2024
Onder “beperkingen” moet blijkens de Memorie van toelichting bij de Wom (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3), p. 19, worden begrepen “omlijningen” in de zin van de “dag en plaats” van een manifestatie. “Voorschriften” behelzen “meer concrete gedragsvoorschriften”, waaronder het volgen van een bepaalde route, het bewaren van afstand tot gebouwen en het voorkomen van geluidsoverlast. Daarom zal ik verder de term ‘beperkingen’ gebruiken, ook al wordt in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 gesproken over ‘voorschriften’.
Wel is in het kader van de bewijsvraag aan de orde geweest óf een dergelijk besluit was genomen (zie HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2016:AU6741. Vgl. ook Gerechtshof Den Haag 4 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3320.) De doorwerking van grondrechten in de bewezenverklaring is verder in een wat verder verwijderd verband terug te vinden in twee arresten. Dan ging het om de vraag of het recht van collectieve actie voldoende rechtvaardiging was voor een lokaalvredebreuk zodat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ niet kon worden bewezen. Die vraag werd bevestigend beantwoord (HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5352). In een andere zaak lag bij de Hoge Raad voor of een ambtenaar werkzaam is in de ‘rechtmatige’ uitoefening van zijn bediening als hij door de aanhouding van een demonstrant een ontoelaatbare inbreuk maakt op diens demonstratierecht. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke inbreuk wel in de weg kan staan aan een veroordeling, maar niet relevant is voor dit onderdeel van de tenlastelegging (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:724).
Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld in HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633, waarin ook is uitgesproken dat de inbreuk op (in dat geval) het recht op vrijheid van meningsuiting in beginsel ook niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. In verschillende arresten van de Hoge Raad is dan ook de vraag aan de orde of de gehele strafvervolging, inclusief eventuele detentie en strafoplegging, een onaanvaardbare inbreuk maakt op het door het EVRM gewaarborgde demonstratierecht en of daarom de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, bijvoorbeeld bij de vervolging voor lokaalvredebreuk (HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126; het vervolg op de vorige genoemde zaak), beschadiging (HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742) of negeren van bevoegd gegeven aanwijzingen (HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1743) in het kader van een demonstratie.
Conclusie van 11 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:614, randnummers 6.35-6.38.
Artikel 11 Wom wordt ook wel beschouwd als geprivilegieerde specialis van art. 184 Sr. Vgl. Hof Amsterdam 20 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4813, AB 2012/202, m.nt. J.G. Brouwer & A.E. Schilder.
De tenlastelegging gebruikt ook het woord “krachtens”.
In dit geval werd op donderdag 21 mei 2020 een besluit genomen over een betoging op zondag 24 mei 2020.
In de pleitnota die ter terechtzitting van het hof van 20 september 2022 is voorgedragen wordt wel melding gemaakt van een lopende bestuursrechtelijke procedure met nummer AMS 19/3693. Mogelijk is daarin uitspraak gedaan door de rechtbank Amsterdam op 15 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7600 (tekst niet gepubliceerd).
Mogelijk is deze uitspraak gepubliceerd als ECLI:NL:RBAMS:2019:1611. Zo niet, dan gaat het in die zaak in ieder geval om een soortgelijke brief van 1 februari 2019.
Zie AbRS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1361, rov. 6, waar het ging om het verbod van die demonstratie.
Zie N. Swart & B. Roorda, ‘Beperkt de burgemeester de betogingsvrijheid te vergaand. Een analyse van de rechtspraktijk inzake demonstraties bij abortusklinieken’, NJB 2023/1088, p. 1311-1317. Ik zal hierna nog ingaan op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over algemene demonstratieverboden.
Randnummer 126 van de toelichting op het eerste middel, p. 50.
Vgl. AbRS 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1423.
In de hiervoor in noot 11 genoemde uitspraak van 7 maart 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:1611) maakt de voorzieningenrechter geen opmerkingen over het karakter van de brief, hoewel die ambtshalve dient na te gaan of het om een besluit gaat. Dit impliceert dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel sprake is van een besluit.
Conclusie van 11 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:614 , randnummers 6.13. 6.14 en 6.16.
Nog daargelaten dat de strafrechter niet de ideale informatiepositie heeft voor de beoordeling van een besluit, zie conclusie van 11 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:614 , randnummer 4.9.
Eerst in EHRM 26 april 1991, ECLI:CE:ECHR:1991:0426JUD001180085 (Ezelin t. Frankrijk), § 35; en vgl. EHRM 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD003755305 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen), § 85, ook voor een verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Vgl. uitgebreider de conclusie van PG Bleichrodt van 19 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:815, onder 15.
Dit is vaste jurisprudentie. Zie o.a. EHRM 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD003755305 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen), § 142 e.v., ook aangehaald in EHRM februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 412. Vgl. de conclusie van PG Bleichrodt van 19 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:815, onder 17.
Vgl. HR 8 februari 2022, ECI:NL:HR:2022:126, rov. 2.3.2.
O.a. in EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 405.
Ibid. Zie daar ook voor verwijzingen naar eerdere EHRM-rechtspraak.
Roorda stelt dat iedere beperking naar tijd en plaats een inbreuk zou moeten zijn op het recht op vreedzame vergadering en niet alleen in die gevallen dat die tijd en/of plaats ‘cruciaal’ is voor de betogers. Zie punt 3 van de noot van B. Roorda onder het Lashmankin-arrest van het EHRM in EHRC 2017/88. Het EHRM heeft echter in latere rechtspraak herhaald dat om van een inbreuk te kunnen spreken de tijd en de plaats cruciaal moeten zijn voor de deelnemers aan de betoging, zie EHRM 21 november 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:1121JUD002935619 (Pleshkov e.a. t. Rusland), § 56
Vgl. reeds EHRM 10 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0710JUD003420206 (Berladir e.a. t. Rusland), § 48-51 en EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusand), § 404. Vgl. ook HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742, rov. 2.3.4 en ECLI:NL:HR:2023:1743, rov. 3.3.4.
Zie tot en met § 215 voor de relevante feiten van de in totaal vijftien applicaties van drieëntwintig Russische staatsburgers.
Vgl. eerst EHRM 21 juni 1988, ECLI:CE:ECHR:1988:0621JUD001012682 (Platform Ärtze für das Leben t. Oostenrijk).
EHRM 24 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0724JUD004072108 (Fáber t. Hongarije), § 42.
In gelijke zin F.M.C.Vlemminx, Het moderne EVRM, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 83-85, en T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, Europese grondrechten en het Nederlandse bestuursrecht; De betekenis van het EVRM en het EU-Grondrechtenhandvest, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 172 en 173.
AbRS 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2437, rov. 5.3.
EHRM 21 november 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:1121JUD005689617 (Laurijsen e.a. t. Nederland), § 66.
EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusand), § 425: “[i]t is thus the duty of contracting States to take reasonable and appropriate measures to enable lawful demonstrations to proceed peacefully”.
EHRM 24 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0724JUD004072108 (Fáber t. Hongarije), § 40.
EHRM 24 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0724JUD004072108 (Fáber t. Hongarije), § 44.
AbRS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1599.
AbRS, 25 maart 2015, RVS:2015:899, rov 3.2, derde alinea: “Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wom kan een verbod slechts worden gegeven indien een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert. Dit noodzakelijkheidsvereiste, dat tevens recht doet aan de proportionaliteitsmaatstaf van het tweede lid van artikel 11 van het EVRM, vormt een strenger criterium dan dat welk geldt voor het stellen van beperkingen die niet op een verbod neerkomen. Voor beperkingen is voldoende dat deze dienstig zijn aan een of meer van de in artikel 2 van de Wom genoemde belangen.” Hiermee sluit de Afdeling aan bij de parlementaire geschiedenis van de Wom, vgl. Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 19.
EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 426.
EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 429.
EHRM 29 juni 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0629JUD007690001 (Öllinger t. Oostenrijk).
Vgl. in dit verband ook de noot van J.H. Gerards (onder 4), onder EHRC 2006/107.
EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 431-437.
Vgl. EHRM 25 september 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0925JUD001182808, (Vakbond van de politie in Slowakije e.a. t. Slowakije), § 60 waarin een (intimiderende) verklaring van een minister als een inbreuk werd gezien omdat die een chilling effect had en ontmoedigend werkte.
Vgl. AbRS 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2521.
EHRM 24 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0724JUD004072108 (Fáber t. Hongarije), § 38.
De brief suggereert zelfs ‘misbruik’.
HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742.
Een systeem van notificaties wordt besproken in EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 445.
EHRM 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD003755305 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen), § 149: “Since States have the right to require authorisation, they must be able to impose sanctions on those who participate in demonstrations that do not comply with such a requirement.”
EHRM 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD003755305 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen), § 150.
Zo ook EHRM 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD003755305 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen), § 155, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 462.
Gelet op de overweging van het hof (hiervoor onder 3.5) dat ook anderen dan de verdachte zijn aangehouden, lijkt het erop dat de betoging door de politie is beëindigd.
HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6741.
Zie de rechtspraak genoemd aan het einde van noot 5, waarbij steeds werd aangenomen dat sprake was van een ‘reprehensible act’.
Beroepschrift 26‑03‑2023
SCHRIFTUUR, HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
verzoeker | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1968 |
domicilie | Singel 362 |
postcode/woonplaats | 1016 AH Amsterdam |
instantie | gerechtshof Amsterdam |
datum uitspraak | 4 oktober 2022 |
parketnummer | 23-002360-20 |
Middel 1
Het recht (waaronder de artikelen 10 en 11 EVRM en 19 en 21 IVBPR) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste en/of onbegrijpelijke, althans niet toereikend gemotiveerde gronden heeft verworpen:
- —
het verweer dat het besluit van 21 mei 2020 van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio onzorgvuldig tot stand is gekomen, en/of
- —
het verweer dat de feitelijke grondslag van dit besluit van 21 mei 2020 gebrekkig is, en/of
- —
het verweer dat sprake is van een ontoelaatbaar integraal demonstratieverbod en de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 ten onrechte niet op haar merites is beoordeeld, en/of
- —
het verweer dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar dienen plaats te vinden en van bestuurlijke overmacht ter zake van verzoekers demonstratie van 24 mei 2020 niet is gebleken, en/of
- —
het verweer dat de gestelde beperkingen niet in overeenstemming zijn met artikelen 19 en 21 IVBPR en artikelen 10 en 11 EVRM, althans doordat het hof op onjuiste en/of onbegrijpelijke, althans niet toereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat
- —
met de bestrijding van de feitelijke grondslag van de besluiten in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 verzoeker daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de feitelijke grondslag van de genoemde besluiten gebrekkig is, en/of
- —
de brief van 21 mei 2020 in samenhang met de brief van 1 februari 2019, toereikend gemotiveerd en/of voldoende concreet en met feiten onderbouwt dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden, en/of — het niet nodig is dat verzoeker of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om — ook voor verzoeker — de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd.
- —
de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door artikel 10 EVRM, en/of
- —
een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd is.
Toelichting
1.
Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat hij
‘op 24 mei 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties, immers heeft verdachte
- —
deelgenomen aan een demonstratie en die demonstratie georganiseerd (pro-Palestina) in een oneven week op zondag op de Dam, terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam- Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina) op de Dam;
en
- —
zich voor het houden van die demonstratie (pro-Palestina) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein.’
2.
‘s Hofs bewijsvoering los van de bespreking van de verweren luidt als volgt (zie arrest, p. 3 tot en met 5, voetnoten weggelaten):
‘Op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 1 februari 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam de verdachte een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
‘Geachte meneer [verdachte],
U maakt al weer enige tijd met grote regelmaat gebruik van uw grondrecht om te betogen op onder meer de Dam. U heeft eerder aangegeven in een kennisgeving en tijdens het inspreken in de commissie Algemene Zaken dat u voornemens bent uw protest op de Dam de komende jaren op deze wijze voort te zetten.
Bij de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting past dat één ieder zich mag uitspreken over elk buitenlands conflict, zolang men zich houdt aan de Nederlandse wet. Daarbij mogen deze grondwettelijke vrijheden niet misbruikt worden om een ander diezelfde vrijheid te ontnemen. Als burgemeester van Amsterdam ben ik ook verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid van al haar bewoners en bezoekers. Ik heb uw recht om te protesteren op de Dam tot op heden op geen enkele wijze in tijd of plaats beperkt. Voor de Amsterdamse driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en hoofdcommissaris is echter nu een grens bereikt. Op basis van de Wet openbare manifestaties (Wom) zal ik vanaf nu voorschriften aan uw demonstratie verbinden. In deze brief leg ik u uit waarom.
Grens bereikt
De politie en het openbaar ministerie hebben mij geïnformeerd over de wijze waarop u gebruik maakt van uw demonstratierecht. Hieruit blijkt dat uw demonstraties op met name de Dam bij herhaling leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen. Dit heeft tot gevolg dat de afgelopen weken veelvuldig politie is ingezet en aangiftes zijn gedaan en er handhavend moest worden opgetreden. De politie geeft aan dat ongeacht politietoezicht de demonstraties zowel verbaal, non-verbaal als fysiek escaleren. Zowel u als de Pro Israël sympathisanten gedragen zich op de Dam steeds meer op onaanvaardbare wijze én dat heeft invloed op een ieder die zich daar begeeft. Verder blijkt uit politie informatie dat sprake is van een toenemende gegronde vrees dat bovenstaande incidenten zich zullen blijven herhalen en mogelijk verergeren. Uw protest op de Dam over geweld dat buiten Amsterdam plaatsvindt, leidt zo uiteindelijk ook tot geweld op de Dam. Om verdere escalatie te voorkomen is besloten maatregelen te nemen. Hierbij wegen het beschermingsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de bijzondere omstandigheden van de demonstratielocatie zwaar mee.
Bescherming van ieders belang en grondrecht
U houdt uw demonstraties bij voorkeur op de Dam en in het weekend. Het plein behoort een ieder toe en als burgemeester dien ik naast uw belang ook de vrijheden en (grond-)rechten van andere gebruikers en bezoekers te beschermen. Het is onacceptabel dat met grote regelmaat slechts een handje vol mensen de Dam gebruikt voor één thema, als deze activiteiten regelmatig leiden tot wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit raakt uiteindelijk ook de grondrechten van anderen.
Voorschrift op basis van de wet
De Wom biedt ruimte om de overweging om wel of geen voorschriften te stellen mede te laten bepalen door de specifieke omstandigheden, het tijdstip en de locatie waar de demonstratie plaatsvindt. Dit impliceert dat afhankelijk van de plaats van de demonstratie en de activiteiten die daar op dat moment plaatsvinden, beperkingen gerechtvaardigd kunnen zijn ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden en in het belang van het verkeer. Door toenemende drukte in de stad is het van belang de doorstroming van (voetgangers-) verkeer en het voorkomen van overcrowding mee te laten wegen bij de besluitvorming van uw demonstratie. De in deze brief omschreven belangen en omstandigheden en de toename van de door de politie geschetste incidenten leveren bovendien een legitieme vrees voor wanordelijkheden op.
Ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en in het belang van het verkeer en ter voorkoming van verdere wanordelijkheden, stel ik wel op basis van artikel 5 lid I van de Wom dat u en uw sympathisanten enkel nog op en rond de Dam (zie kaartje: binnen het rood omlijnde gebied) mogen demonstreren op de zondagen van de even weken, mits er op de Dam geen andere grootschalige evenementen of demonstraties plaats vinden en u binnen het blauw omlijnde gebied aan de paleiszijde blijft op de Dam. U blijft buiten het rood omlijnde gebied vrij om in de rest van Amsterdam te betogen, mits u 50 meter afstand houdt van andere protestvormen en evenementen. Uw betogingen dienen altijd vooraf op reguliere wijze aangemeld via het digitale formulier die te vinden is op amsterdam.nl. Uw demonstratie mag nergens langer dan drie uur per dag duren.
Amsterdam staat voor het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren. Deze grondrechten gaan echter wel samen met verantwoordelijkheden. Mocht blijken dat u en/of uw sympathisanten niet voldoen aan bovenstaande voorschriften, strafbare feiten plegen en/of wanordelijkheden (dreigen) plaats (te) vinden, dan zal ik opdracht geven de demonstratie(s) te beëindigen.’
In reactie op de kennisgeving door de verdachte van zijn voorgenomen demonstratie op de Dam van 24 mei 2020 is hem door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio op 21 mei 2020 een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
‘Geachte heer [verdachte],
U heeft kennisgeving gedaan van uw voornemen om op zondag 24 mei van 13:00 tot 17:00 uur op de Dam een demonstratie te organiseren ‘voor de Palestijnen en tegen Israël’. U verwacht voor die demonstratie 30 deelnemers.
Op 1 februari 2019 heeft u van de burgemeester van Amsterdam een brief ontvangen die betrekking heeft op uw betogingen op de Dam in het kader van steun aan de Palestijnen. In de brief wordt ook de bredere context geschetst van de wijze waarop het gedrag van pro-Israël en pro-Palestina protesten en demonstraties leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen. Helaas moet ik op basis van informatie van de politie vaststellen dat de situatie op de Dam niet is verbeterd. Sterker nog, recent zijn er meerdere incidenten geweest op de Dam in het kader van pro-Israël en pro-Palestina demonstraties en lijkt opnieuw sprake te zijn van escalatie. Derhalve zie ik geen mogelijkheid om het besluit van 1 februari vorig jaar te heroverwegen. Dat betekent dat de voorschriften die in die brief zijn gesteld op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom, ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en verdere wanordelijkheden, van kracht blijven.
Een van die voorschriften is dat u enkel in de even weken op de zondag voor maximaal drie uur mag demonstreren op de Dam. Ik stel vast dat de datum van uw voorgenomen demonstratie valt in een oneven weekend. Dat betekent dat uw demonstratie op dat moment niet kan plaatsvinden op de Dam. Dat geldt ook voor andere pro-Palestina demonstraties. Derhalve verwijs ik uw demonstratie naar het Museumplein. Het staat u vrij daar te betogen zolang u daarbij de verdere voorschriften in acht neemt, zoals omschreven in de brief uit 2019. Voor de volledigheid heb ik die brief bijgevoegd.
Aanvullend wijs ik u op de RIVM-richtlijn dat eenieder 1,5 meter afstand dient te houden van anderen. In het belang van de gezondheid dient u er zorg voor te dragen dat deelnemers aan uw demonstratie gedurende de gehele demonstratie 1,5 meter afstand tot elkaar houden, en dat anderen zich niet in uw demonstratie begeven.’
Op 22 mei 2020 heeft de verdachte op zijn facebookpagina gemeld dat hij het niet eens was met de verplaatsing van zijn demonstratie naar het Museumplein en riep hij een ieder op om 24 mei 2020 naar de Dam te komen om te protesteren tegen Israël. Op 24 mei 2020 arriveerde de verdachte op de Dam met in zijn kielzog een tiental andere demonstranten, van wie enkelen Palestijnse vlaggen en een bord met daarop teksten gericht tegen Israël vasthielden. De verdachte sprak met een megafoon in zijn handen de andere demonstranten toe. De verdachte is door politieambtenaren aangesproken en aangezegd om zijn demonstratie te houden op het Museumplein. Vervolgens is de verdachte en zijn mede-betogers door politieambtenaren gevorderd te vertrekken. Nadat zij weigerden te vertrekken zijn zij aangehouden.’
3.
Verzoekers raadsman heeft aangevoerd dat het besluit van 21 mei 2020 en/of 1 februari 2019 onrechtmatig is en dat dientengevolge de daarin gegeven aanwijzingen en beperkingen onrechtmatig zijn, zodat het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet Openbare Manifestaties’ niet kan worden bewezenverklaard. Daartoe heeft hij betoogd dat de voorschriften en beperkingen jegens verzoekers demonstratie een ‘blanket prohibition’ vormen om op oneven weken op de Dam te demonstreren. Zo'n algeheel demonstratieverbod naar plaats en tijd is op grond van de (memorie van toelichting op de) Wet openbare manifestaties, de rechtspraak van het EHRM en de rechtsgeleerde literatuur onrechtmatig, omdat iedere betoging zelfstandig op haar eigen merites dient te worden beoordeeld. Verzoekers voor 24 mei 2020 aangemelde demonstratie is ten onrechte niet op deze wijze beoordeeld (zie pleitnota in hoger beroep, kantlijnnummers 15 tot en met 16, en pleitnota in eerste aanleg, kantlijnnummers 11 tot en met 61).
4.
Ook heeft verzoekers raadsman aangevoerd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is omdat deze de uitleg miskent die aan het recht op vreedzame vergadering c.q. om te demonstreren wordt gegeven en voorts omdat dit niet conform de beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen, nu de autoriteiten, indien een demonstratie vanwege haar inhoud wordt bedreigd door ‘hostile audience’ of een tegendemonstratie volgens de normen van het internationale recht gehouden zijn de demonstranten hiertegen te beschermen, alsook dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties met tegenover elkaar staande standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar plaatsvinden. Alleen wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zou vergen is, aldus dit verweer, een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd (zie pleitnota in hoger beroep, kantlijnnummers 17 tot en met 19).
5.
Voorts heeft verzoekers raadsman aangevoerd dat de verzoeker in het besluit van 21 februari 2020 opgelegde beperkingen onrechtmatig zijn nu dit gebaseerd is op het besluit van 1 februari 2019, welk besluit zelf niet rechtmatig kan worden geoordeeld. Daarnaast is aangevoerd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is. Onder meer is daartoe betoogd dat het onbegrijpelijk is dat het besluit van 21 mei 2020 stelt dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet is verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie, dat niet is gemotiveerd dat sinds 1 februari 2019 ‘meerdere incidenten’ zouden hebben plaatsgevonden en dat niet is gesteld of anderszins aannemelijk is gemaakt dat de gestelde ‘incidenten’ zijn terug te voeren op initiërende gedragingen van verzoeker c.q. diens mededemonstranten (zie pleitnota in hoger beroep, kantlijnnummers 20 tot en met 29, en pleitnota in eerste aanleg, kantlijnnummers 28 tot en met 61).
6.
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat het tenlastegelegde voorschrift en de tenlastegelegde beperking c.q. de uitvoering daarvan inbreuk hebben gemaakt op verzoekers vrijheid van expressie en vrijheid van vreedzame vergadering, zodat daarom het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet Openbare Manifestaties’ niet kan worden bewezen.
7.
Het hof heeft deze verweren verworpen en daartoe het volgende overwogen:
‘Het hof verwerpt het verweer onder IV dat sprake zou zijn van een wettelijk niet toelaatbaar integraal demonstratieverbod, waarbij de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 niet op zijn merites is beoordeeld.
In de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019, is toereikend — want voldoende concreet en met feiten onderbouwd — gemotiveerd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden. De voorschriften en beperkingen zijn door daartoe bevoegde autoriteiten gegeven. Dit leverde geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beperking was bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zoals bedoeld in het tweede lid van die verdragsbepaling. Voor de beperking bestond een dringende maatschappelijke noodzaak en zij was niet disproportioneel.
In het verweer is ook de feitelijke grondslag van de besluiten in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 bestreden. De verdachte heeft daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke grondslag van de genoemde besluiten gebrekkig is. Dat wordt niet anders doordat in de brief van 21 mei 2020 niet uitdrukkelijk is ingegaan op het idee van de verdachte dat het besluit over de verdeling van de zondagen tussen pro-Israël en pro-Palestina betogers niet langer gold. Uit de motivering van het besluit van 24 mei 2020 [de verdediging leest: 21 mei 2020, WHJ] blijkt dat van een disproportionele beperking van het recht van de verdachte om te demonstreren geen sprake is.
Wat betreft het besluit van 1 februari 2019 verdient opmerking dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in zijn beslissing van 7 maart 2019 heeft geweigerd om het besluit van 1 februari 2019 te schorsen.
V
De raadsman heeft aangevoerd dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar kunnen plaatsvinden. Alleen wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zou vergen, is een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd. Dergelijke bestuurlijke overmacht is ter zake van de demonstratie van 24 mei 2020 niet aannemelijk.
Op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven, verwerpt het hof ook dit verweer.
VI t/m VIII
De raadsman heeft in zijn pleitnota onder VI betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Onbegrijpelijk is dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet zou zijn verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie, omdat demonstranten en tegendemonstranten sindsdien niet meer tegelijk mochten demonstreren. Niet is gemotiveerd dat meerdere incidenten zouden hebben plaatsgevonden en dat verdachte of zijn mede-betogers daarmee iets te maken hadden.
Onder VII is betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is, omdat het is gebaseerd op het onrechtmatige generieke demonstratieverbod van I februari 2019.
Onder VIII is aangevoerd dat de gestelde beperkingen niet in overeenstemming zijn met artikelen 19 en 21 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aan de demonstratie verbonden voorschriften waren niet ‘necessary’ in de zin van artikelen 10 en 11 EVRM, althans berusten dezen niet op ‘relevant and sufficiënt reasons’.
Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat niet nodig is dat de verdachte of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om — ook voor hem — de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd. Van een onrechtmatig generiek demonstratieverbod is geen sprake en de beperking van de grondrechten van de verdachte kan de toets aan de genoemde verdragen doorstaan.’
Inleiding op de klachten (juridisch beoordelingskader)
8.
Voor de beoordeling van dit middel is ten eerste het volgende van belang.
9.
Het hof heeft vastgesteld dat verzoeker op 24 mei 2020 deelnam aan een manifestatie. Dat betekent dat hij de bescherming genoot van artikel 9 Grondwet, de Wet openbare manifestaties, de artikelen 19 en 21 IVBPR en de artikelen 10 en 11 EVRM, welke laatstgenoemde twee artikelen door het EHRM in geval van een demonstratie in samenhang worden gelezen.1.
10.
Het verzoeker tenlastegelegde voorschrift en de hem tenlastegelegde beperking zijn opgelegd op grond van de Wet openbare manifestaties in een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Om verzoeker strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen, zal de rechtmatigheid van dat besluit moeten komen vast te staan.
11.
Uw Raad heeft in de context van artikel 184 Sr bepaald dat bij een strafrechtelijke vervolging de strafrechter moet onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde bevel rechtmatig is gegeven. Zo'n onderzoek door de strafrechter is ook vereist als tegen het bevel een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Voor een veroordeling is vereist, aldus Uw Raad, dat komt vast te staan dat sprake is van een rechtmatig bevel.2.
12.
Een besluit (een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan3.) dient op grond van artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht te berusten op een deugdelijke motivering. Deze motiveringsplicht ziet zowel op het aspect van de juiste vaststelling van de feiten als het aspect dat de vaststelling van de feiten dient te leiden, althans mag leiden, tot de genomen beslissing.4. De memorie van toelichting op artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht vermeldt onder meer:
‘Dit artikel codificeert en harmoniseert het (…) beginsel dat de motivering de beschikking moet kunnen dragen, ofwel het beginsel van de draagkrachtige motivering. Vernietiging wegens strijd met het beginsel van de draagkrachtige motivering komt zeer veel voor (…). Schending van het beginsel kan op verscheidene andere gebreken in de besluitvorming duiden: onvoldoende vergaring van kennis omtrent feiten en omstandigheden, onvoldoende belangenafweging, willekeur, strijd met het gelijkheidsbeginsel, détournement de pouvoir en dergelijke.’5.
13.
Aanmeld- of zelfs vergunningsvoorschriften voor publieke bijeenkomsten zijn volgens het EHRM gewoonlijk niet in strijd met de essentie van de vergadervrijheid, mits daarvan het doel is om de autoriteiten redelijke en passende maatregelen te laten nemen een bijeenkomst goed te laten verlopen. Dergelijke voorschriften mogen niet een verborgen obstakel zijn voor de vrijheid van vergadering:
- ‘56.
Notification, and even authorisation procedures, for a public event do not normally encroach upon the essence of the right under Article 11 of the Convention as long as the purpose of the procedure is to allow the authorities to take reasonable and appropriate measures in order to guarantee the smooth conduct of any assembly, meeting or other gathering (…). However, regulations of this nature should not represent a hidden obstacle to freedom of peaceful assembly as protected by the Convention (…).
- 57.
The right to freedom of assembly includes the right to choose the time, place and manner of conduct of the assembly, within the limits established in paragraph 2 of Article 11 (…). Therefore, where the location of the assembly is crucial to the participants, an order to change it may constitute an unjustified interference with their freedom of assembly under Article 11 of the Convention (…).
- 58.
A prohibition on holding public events at certain locations is not incompatible with Article 11, when it is imposed for security reasons (…) or, as the case may be in respect of locations in the immediate vicinity of court buildings, for protecting the judicial process in a specific case from outside influence, and thereby protecting the rights of others, namely the parties to judicial proceedings. The latter ban should, however, be tailored narrowly to achieve that interest (…).’6.
14
. Het EHRM toetst de beslissing van de administratieve autoriteiten tot het niet toestaan van een aangemelde demonstratie integraal aan de eisen van artikel 11 (en/of artikel 10) EVRM, zo blijkt uit bijvoorbeeld de zaken Mustafa Hajili and Others tegen Azerbeidjan en Sergey Kuznetsov tegen Rusland.7. Gewoonlijk wordt verlangd dat de autoriteiten minder ingrijpende maatregelen in overweging nemen alvorens te weigeren de bijeenkomst toe te staan.8.
15.
Dientengevolge kan een beëindiging door de autoriteiten van de uitoefening van het recht van vreedzame vergadering ‘in defiance of the administrative requirements’ een schending van artikel 11 EVRM opleveren, aldus de overwegingen van het EHRM in de zaak Bukta tegen Hongarije.9. Dat is ook tot uitdrukking gebracht in de zaak Berladir and Others tegen Rusland:
‘In order to enable the domestic authorities to take the necessary preventive security measures, associations and others organising demonstrations, as actors in the democratic process, should respect the rules governing that process by complying with the regulations in force. Nevertheless, an unlawful situation does not necessarily justify an infringement of freedom of assembly; regulations of this nature should not represent a hidden obstacle to freedom of peaceful assembly as protected by the Convention (…).’10.
16.
Het VN-Mensenrechtencomité komt ten aanzien van artikel 21 IVBPR tot een vergelijkbaar oordeel:
‘(T)he fact that certain domestic legal requirements pertaining to an assembly have not been met by its organizers or participants does not, on its own, place the participants outside the scope of the protection of article 21.’11.
17.
In het geval van een ‘unlawful assembly’ moet de door de autoriteiten te betrachten mate van tolerantie worden getoetst aan de omstandigheden van het geval, waaronder de duur en mate van de daardoor veroorzaakte wanorde en of de deelnemers voldoende gelegenheid is geboden om hun mening te verkondigen:
‘The limits of tolerance expected towards an unlawful assembly depend on the specific circumstances, including the duration and the extent of public disturbance caused by it, and whether its participants had been given sufficient opportunity to manifest their views (…).’12.
18.
In de zaak Laguna Guzman tegen Spanje schaart het EHRM een ‘spontaneous gathering after the official demonstration’ — wat kan worden vergeleken met het overtreden van aanwijzingen van de burgemeester op grond van de Wet openbare manifestaties — dan ook onder het recht van ‘peaceful assembly’. De Spaanse politie vorderde dat de demonstranten uiteengingen, terwijl echter de spontane demonstratie vreedzaam verliep. Aldus was Luguna Guzmans recht op ‘peaceful assembly’ geschonden.13.
19.
Voor de beoordeling van het middel is voorts het volgende van belang.
20.
Het EHRM hanteert als uitgangspunt dat de vrijheid van vreedzame vergadering moet worden beschouwd als een van de fundamenten van een democratische samenleving en om die reden niet restrictief mag worden geïnterpreteerd.14.
21.
Het adjectief ‘peaceful’ in artikel 11 EVRM is essentieel. De toepasselijkheid van het aldaar beschermde recht wordt bepaald door het vreedzaamheidsvereiste.
22.
Het EHRM oordeelt als ‘general principle’ dat iedere vorm van betoging onvermijdelijk een zekere ontwrichting van het dagelijkse leven veroorzaakt, inclusief ontwrichting van het verkeer, en dat ook in dat geval van de autoriteiten tolerantie wordt verlangd.15. ‘Vreedzaam' in dit verband omvat daarom ‘conduct that may annoy or give offence, and even conduct that temporarily hinders, impedes or obstructs the activities of third parties.’16.
23.
Uitsluitend wanneer de organisatoren van of deelnemers aan een bijeenkomst gewelddadige intenties hebben ‘or otherwise deny the foundations of a ‘democratic society’’ komt hun volgens het EHRM de bescherming van artikel 11 EVRM te ontvallen.17.
24.
Wat ‘violence’ in verband met het recht tot vreedzame vergadering precies inhoudt, is door het VN-Mensenrechtencomité als volgt bepaald (voetnoten weggelaten):
‘‘Violence’ in the context of article 21 typically entails the use by participants of physical force against others that is likely to result in injury or death, or serious damage to property. Mere pushing and shoving or disruption of vehicular or pedestrian movement or daily activities do not amount to ‘violence’’.18.
25.
Als geweldshandelingen door anderen plaatsvinden gedurende een demonstratie kan echter niet reeds van niet-vreedzaamheid van de organisatoren worden gesproken.19. In dit verband is het van belang te onderstrepen dat het recht op vreedzame vergadering in de basis een individueel recht is:
‘the right of peaceful assembly (…) constitutes an individual right that is exercised collectively’.20.
26.
Het bestaan van een reëel risico dat een openbare demonstratie kan ontaarden in wanordelijkheden, doet een demonstrant ook niet de bescherming van artikel 11 EVRM verliezen.21. Verdergaande beperkingen bewijzen, aldus het EHRM, de democratie geen dienst en brengen die in veel gevallen zelfs in gevaar.22.
27.
De bewijslast van gewelddadige intenties van de organisatoren rust op de autoriteiten.23. De lat daarvoor ligt hoog. Zo werd in de zaak Mushegh Saghatelyan t. Armenië overwogen:
‘It is true that the applicant was also found to have carried a clasp knife, which may suggest that he had had violent intentions. However, taking into account the manner in which that finding was reached and the evidence on which it was based (…), as well as the absence of any evidence or even a suggestion that the applicant ever tried to put the alleged knife to use, the Court does not consider this, in the particular circumstances of the case, to be a sufficient and reliable element to deprive him of the protection of Article 11 of the Convention.’24.
28.
Voor het antwoord op de vraag op welke wijze het begaan van gewelddadige handelingen of gewelddadige intenties moet worden aangetoond om de betrokkene zijn of haar aanspraak op de bescherming van artikel 11 EVRM te doen verliezen, kent het EHRM in sommige zaken betekenis toe aan de omstandigheid dat dat de deelnemers aan een demonstratie beschuldigd zijn van gewelddadig gedrag tijdens die demonstratie of intenties daartoe hadden.25.
29.
Het gaat dan nadrukkelijk om de beoordeling van de demonstratie zelf waaraan de betrokkene heeft deelgenomen. De bewering namelijk dat een demonstrant of groep demonstranten zich eerder heeft schuldig gemaakt aan ‘violent acts’ kan wel relevant, maar op zichzelf niet voldoende zijn om de aanname van ‘violent intentions’ te rechtvaardigen. Zie bijvoorbeeld de overwegingen in de zaak Ekrem Can and Others t. Turkije:
‘Furthermore, while the alleged prior involvement of the applicants (…) in certain other violent acts (which were also examined in the course of the criminal proceedings forming the basis of the present application) may be a relevant consideration when ascertaining whether they had violent intentions when staging their protest (…), it is not in and of itself sufficient to warrant the conclusion that they did in fact have such intentions (…).26.
30.
Uit deze zaak moet reeds worden afgeleid dat wat betreft de beoordeling van een (aangemelde) demonstratie deze telkens op eigen merites moet worden beoordeeld.
31.
Dat wordt als algemene regel ook betoogd door Roorda, die stelt dat de burgemeester
‘ieder individueel geval op zijn eigen merites [dient] te beoordelen. Een vooraf ingestelde ‘blanket prohibition’ is niet mogelijk.’27.
32.
De memorie van toelichting op artikel 5 Wet openbare manifestaties expliciteert inderdaad dat met de term ‘voorschriften en beperkingen’ wordt geduid op ‘elementen van een beschikking voor één concreet geval, en niet om zogenaamde algemeen verbindende voorschriften.’28.
33.
De eis, dat iedere aangemelde demonstratie op eigen merites moet worden beoordeeld, komt ook tot uitdrukking in de volgende passage uit memorie van toelichting op de Wet openbare manifestaties (curs. verdediging):
‘(I)ndien aan de gestelde aanmeldingseisen is voldaan, [mag] een manifestatie slechts in dwingende situaties preventief (…) worden verboden: een van de in artikel 2 genoemde belangen moet dat «vorderen», dat wil zeggen het belang in kwestie moet in de gegeven situatie preponderant zijn, en de situatie moet van dien aard zijn, dat niet met een lichtere maatregel — bij voorbeeld het stellen van voorschriften en beperkingen — kan worden volstaan.’29.
34.
Tot slot ligt dit vereiste ook besloten in de visie dat ook spontane, niet-aangekondigde demonstraties onder de bescherming van het EVRM vallen en door de autoriteiten in beginsel getolereerd dienen te worden:
‘in particular, where demonstrators do not engage in acts of violence it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance (…).30.
35.
De Nationale ombudsman deelt deze visie.31.
36.
De vraag, of sprake is van gewelddadige intenties of geweld, moet dus naar de situatie van het moment worden beoordeeld en is afhankelijk van de dan blijkende omstandigheden van het geval.
37.
Vervolgens dient het belang van de tijd en locatie van een demonstratie onder de loep te worden genomen.
38.
Waar het gaat om samenkomsten op publieke plaatsen, is volgens de Venetië-commissie de locatie die volgens de organisator van een samenkomst het meest geschikt is voor haar doel ‘part of the very essence of freedom of assembly’:
‘The privilege of the organiser to decide which location fits best for the purpose of the assembly is part of the very essence of freedom of assembly. Assemblies in public spaces should not have to give way to more routine uses of the space, as it has long been recognised that use of public space for an assembly is just as much a legitimate use as any other. Moreover, the purpose of an assembly is often closely linked to a certain location and freedom of assembly includes the right of the assembly to take place within ‘sight and sound’ of its target object.’32.
39.
Dit belang is, samen met het belang om de demonstratie op een bepaalde tijd te houden, is ook erkend in de views van het VN-Mensenrechtencomité.33. Aldus ook in de rechtspraak van het EHRM. Onder meer in de zaak Lashmankin and Others tegen Rusland, waarin werd overwogen:
‘(T)he purpose of an assembly is often linked to a certain location and/or time, to allow it to take place within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact (…).’34.
40.
In Ekrem Can and Others tegen Turkije wordt in dit verband van een recht gesproken:
‘The right to freedom of assembly includes the right to choose the time, place and manner of conduct of the assembly in question, within the limits established in paragraph 2 of Article 11 (…).’35.
41.
Volgens het EHRM is namelijk een van de doelstellingen van de vrijheid van vergadering
‘to secure a forum for public debate and the open expression of protest (…). The protection of opinions and the freedom to express them is one of the objectives of the freedom of assembly enshrined in Article 11 (…).36.
42.
Omdat de staat moet optreden als ‘the ultimate guarantor of the principles of pluralism, tolerance and broadmindedness’ mag het recht op vreedzame betoging niet worden gereduceerd tot slechts de verplichting aan de zijde van de staat zich te onthouden van ingrijpen. Artikel 11 EVRM vereist soms dat de staat positieve maatregelen neemt, zo nodig in de relatie tussen burgers onderling. Dit is tot uitdrukking is gebracht in de zaak Identoba tegen Georgië:
‘The State must act as the ultimate guarantor of the principles of pluralism, tolerance and broadmindedness (…). Genuine, effective freedom of peaceful assembly cannot, therefore, be reduced to a mere duty on the part of the State not to interfere: a purely negative conception would not be compatible with the object and purpose of Article 11 of the Convention. This provision sometimes requires positive measures to be taken, even in the sphere of relations between individuals, if need be (…). That positive obligation is of particular importance for persons holding unpopular views or belonging to minorities, because they are more vulnerable to victimisation (…).’37.
43.
Die positieve verplichtingen van de Staat bestaan bijvoorbeeld in de sfeer van tegendemonstraties of ‘hostile audience’. In verband hiermee overweegt het VN-Mensenrechtencomité in zijn general comment op artikel 21 IVBPR:
‘‘The question of whether or not an assembly is peaceful must be answered with reference to violence that originates from the participants. Violence against participants in a peaceful assembly by the authorities (…) does not render the assembly non-peaceful. The same applies to violence by members of the public aimed at the assembly, or by participants in counterdemonstrations.’
(…)
‘The fact that an assembly provokes or may provoke a hostile reaction from members of the public against participants, as a general rule, does not justify restriction; the assembly must be allowed to go ahead, and its participants must be protected (…). However, in the exceptional case where the State is manifestly unable to protect the participants from a severe threat to their safety, restrictions on participation in the assembly may be imposed. Any such restrictions must be able to withstand strict scrutiny.’’38.
44.
Het EHRM oordeelt vergelijkbaar. Uit bijvoorbeeld de zaak Plattform ‘Ärtze für das Leben’ blijkt dat angst voor fysiek geweld van tegenstanders onacceptabel is voor het uitoefenen van een demonstratie. Het recht om een tegendemonstratie te houden mag niet als doel hebben het ertoe te brengen dat de demonstratie die daarvan het doelwit wordt verboden:
‘The participants must (…) be able to hold the demonstration without having to fear that they will be subjected to physical violence by their opponents; such a fear would be liable to deter associations or other groups supporting common ideas or interests from openly expressing their opinions on highly controversial issues affecting the community. In a democracy the right to counter-demonstrate cannot extend to inhibiting the exercise of the right to demonstrate.’39.
45.
Dat betekent anderzijds ook niet dat in zo'n geval een tegendemonstratie dient te worden verboden. Zoals uit de zojuist geciteerde overwegingen uit Platform ‘Ärtze für das Leben’ al bleek, beschouwt het EHRM het houden van een tegendemonstratie als een recht. In Fáber tegen Hongarije is de betekenis van dat recht wat nader ingekleurd:
‘(C)ounter-demonstrators have the right to express their disagreement with the demonstrators’.40.
46.
De staat heeft daarom de positieve verplichting om beide demonstraties te laten plaatsvinden, in beginsel op dezelfde tijd en locatie. De hier bestaande positieve verplichting heeft als grondslag het recht van vreedzame vergadering van beide betogende groepen op dezelfde tijd en locatie te beschermen, opdat beide betogingen zoveel mogelijk doorgang kunnen vinden. Daartoe zijn de autoriteiten gehouden de minst beperkende maatregelen toe te passen. De maatschappij moet niet de mogelijkheid worden onthouden om verschillende meningen te horen ‘on any question which offends the sensitivity of the majority opinion’, zo luidt de achterliggende gedachte hiervan.41.
47.
Het EHRM heeft in zijn rechtspraak het belang om beide demonstraties in beginsel op dezelfde tijd en locatie te laten plaatsvinden meermaals benadrukt.42. Het VN-Mensenrechtencomité huldigt dezelfde opvatting:
‘(C)ounterdemonstrations (…) must be allowed to take place, as far as possible, within sight and sound of the assemblies against which they are directed.’43.
48.
Tegen deze achtergrond komt aan de autoriteiten eerst ruimte toe maatregelen te nemen tegen een tegendemonstratie indien daarvan aantoonbaar een ernstige dreiging met fysiek geweld voor de andere demonstratie uitgaat. Maar dus niet eerder. Het EHRM eist in dit verband nadrukkelijk dat de autoriteiten ‘must produce concrete estimates of the potential scale of disturbance in order to evaluate the resources necessary for neutralising the threat of violent clashes’. Het louter bestaan van een risico is dus onvoldoende, aldus (expliciet) het EHRM.
49.
Het hiervoor omschreven kader blijkt uit de volgende overwegingen in Fáber tegen Hongarije:
- ‘‘38.
If every probability of tension and heated exchange between opposing groups during a demonstration were to warrant its prohibition, society would be faced with being deprived of the opportunity of hearing differing views on any question which offends the sensitivity of the majority opinion (…). The Court would add that a demonstration may annoy or give offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote. The participants must, however, be able to hold the demonstration without having to fear that they will be subjected to physical violence by their opponents; such a fear would be liable to deter associations or other groups supporting common ideas or interests from openly expressing their opinions on highly controversial issues affecting the community. In a democracy the right to counter-demonstrate cannot extend to inhibiting the exercise of the right to demonstrate.’
(…)
- 40.
However, the mere existence of a risk is insufficient for banning the event: in making their assessment the authorities must produce concrete estimates of the potential scale of disturbance in order to evaluate the resources necessary for neutralising the threat of violent clashes (…).’
(…)
- ‘42.
The Court notes at the outset that the present case is concerned with competing fundamental rights. The applicant's right to freedom of expression and his claim to freedom of peaceful assembly have to be balanced against the MSZP demonstrators’ right to protection against disruption of their assembly. For the Court, in the protection against such a disruption, a wide discretion is granted to the national authorities, not only because the two competing rights do, in principle, deserve equal protection that satisfies the obligation of neutrality of the State when opposing views clash, but also because those authorities are best positioned to evaluate the security risks and those of disturbance as well as the appropriate measures dictated by the risk assumption.
- 43.
However, the Court considers that such discretion applies where the existence of a serious threat of a violent counter-demonstration is convincingly demonstrated; counter-demonstrators have the right to express their disagreement with the demonstrators. Therefore, in the application of such measures, the State has to fulfil its positive obligations to protect the right of assembly of both demonstrating groups, and should find the least restrictive means that would, in principle, enable both demonstrations to take place.’’44.
50.
Ook het VN-Mensenrechtencomité eist in dit verband met ‘hostile reaction’ op een bijeenkomst dat deze doorgang moet vinden en dat pas in het uitzonderlijke geval dat de autoriteiten overduidelijk niet in staat zijn de deelnemers tegen een ernstige bedreiging van hun veiligheid te beschermen, beperkingen mogen worden opgelegd. Een vaag risico dat geweld plaatsvindt is daartoe niet voldoende:
‘The fact that an assembly provokes or may provoke a hostile reaction from members of the public against participants, as a general rule, does not justify restriction; the assembly must be allowed to go ahead, and its participants must be protected (…). However, in the exceptional case where the State is manifestly unable to protect the participants from a severe threat to their safety, restrictions on participation in the assembly may be imposed. Any such restrictions must be able to withstand strict scrutiny. An unspecified risk of violence (…) is not enough (…).’45.
51.
In de zaak Öllinger heeft het EHRM geoordeeld dat de impact van een tegendemonstratie op de demonstranten die daarvan het doelwit zijn in dit verband niet relevant is. Öllinger wenste met een groep demonstranten te protesteren tegen een bijeenkomst op de begraafplaats van Salzburg van Kameradschaft IV op Allerheiligen, wat hem werd verboden. Het EHRM achtte dat disproportioneel, omdat het er niet van overtuigd was dat — zoals Oostenrijkse regering had aangevoerd — het toestaan van beide bijeenkomsten en het nemen van preventieve maatregelen, zoals de aanwezigheid van politie, om de bijeenkomsten uit elkaar te houden geen uitvoerbaar alternatief was ter bescherming van het recht van vreedzame vergadering van Öllinger enerzijds en de bescherming van de rechten van de overige bezoekers van de begraafplaats anderzijds. Hoewel de ervaring met eerdere bijeenkomsten van deze groepen uitwees dat er een risico bestond dat de tegendemonstranten en de leden van Kameradschaft IV openlijk met elkaar in conflict zouden raken, kon daaruit volgens het EHRM niet een ‘pressing social need’ voor het ingrijpen door de autoriteiten worden afgeleid. De belangrijkste overwegingen van het EHRM in deze zaak luidden als volgt:
- ‘40.
In the present case, the Salzburg Federal Police Authority and the Salzburg Public Security Authority considered the prohibition of the applicant's assembly necessary in order to prevent disturbances of the Comradeship TV commemoration meeting, which was considered a popular ceremony not requiring authorisation under the Assembly Act. They had particular regard to the experience of previous protest campaigns by other organisers against the gathering of Comradeship IV, which had provoked vehement discussions, had disturbed other visitors to the cemetery and had made police intervention necessary.
- 41.
The Constitutional Court dismissed this approach as being too narrow. It observed that the prohibition of the intended meeting would not be justified if its sole purpose were the protection of the Comradeship TV commemoration ceremony. It went on to say that the prohibition was nevertheless justified or even required by the State's positive obligation under Article 9 to protect persons manifesting their religion against deliberate disturbance by others. In arriving at that conclusion, the Constitutional Court had particular regard to the fact that All Saints' Day was an important religious holiday on which the population traditionally went to cemeteries to commemorate the dead and that disturbances caused by disputes between members of the assembly organised by the applicant and members of Comradeship IV were likely to occur in the light of the experience of previous years.
- 42.
The Court notes that the domestic authorities had regard to the various competing Convention rights. Its task is to examine whether they achieved a fair balance between them.
- 43.
The applicant's assembly was clearly intended as a counter-demonstration to protest against the gathering of Comradeship IV, an association which undisputedly consists mainly of former members of the SS. The applicant emphasises that the main purpose of his assembly was to remind the public of the crimes committed by the SS and to commemorate the Salzburg Jews murdered by them. The coincidence in time and venue with the commemoration ceremony of Comradeship IV was an essential part of the message he wanted to convey.
- 44.
In the Court's view, the unconditional prohibition of a counter-demonstration is a very far-reaching measure which would require particular justification, all the more so as the applicant, being a member of parliament, essentially wished to protest against the gathering of Comradeship IV and, thus, to express an opinion on an issue of public interest (…). The Court finds it striking that the domestic authorities attached no weight to this aspect of the case.
- 45.
It is undisputed that the aim of protecting the gathering of Comradeship TV does not provide sufficient justification for the contested prohibition. This has been clearly pointed out by the Constitutional Court. The Court fully agrees with that position.
- 46.
Therefore, it remains to be examined whether the prohibition was justified to protect the cemetery-goers' right to manifest their religion. The Constitutional Court relied on the solemn nature of All Saints'Day traditionally dedicated to the commemoration of the dead, and on the disturbances experienced in previous years as a result of disputes between members of Comradeship IV and members of counter-demonstrations.
- 47.
However, the Court notes a number of factors which indicate that the prohibition in issue was disproportionate to the aim pursued. First and foremost, the assembly was in no way directed against the cemetery-goers' beliefs or the manifestation of them. Moreover, the applicant expected only a small number of participants. They envisaged peaceful and silent means of expressing their opinion, namely the carrying of commemorative messages, and had explicitly ruled out the use of chanting or banners. Thus, the intended assembly in itself could not have hurt the feelings of cemetery-goers. Moreover, while the authorities feared that, as in previous years, heated debates might arise, it was not alleged that any violent incidents had occurred on previous occasions.
- 48.
In these circumstances, the Court is not convinced by the Government's argument that allowing both meetings while taking preventive measures, such as ensuring police presence in order to keep the two assemblies apart, was not a viable alternative which would have preserved the applicant's right to freedom of assembly while at the same time offering a sufficient degree of protection as regards the rights of the cemetery's visitors.
- 49.
Instead, the domestic authorities imposed an unconditional prohibition on the applicant's assembly. The Court therefore finds that they gave too little weight to the applicant's interest in holding the intended assembly and expressing his protest against the meeting of Comradeship IV, while giving too much weight to the interest of cemetery-goers in being protected against some rather limited disturbances.’46.
52.
In de zaak Fáber tegen Hongarije reflecteert het EHRM als volgt op de zaak Öllinger:
‘In that case the ban was a preliminary one based on assumptions about future events.’47.
53.
Uit onze wetsgeschiedenis blijkt dat slechts wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zal vergen, een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd is.48. Uit de Nederlandse rechtspraak blijkt vergelijkbaar dat het enkele bestaan voor vrees voor ernstige wanordelijkheden niet voldoende is om bijzondere maatregelen tegen demonstranten te treffen en dat ook dan een situatie van bestuurlijke overmacht vereist is. Als er voldoende politie aanwezig is of op korte termijn kan worden ingezet, is van bestuurlijke overmacht geen sprake.49.
54
. Die eis blijkt ook uit het general comment op artikel 21 EVRM van het VN-Mensenrechtencomité:
‘(T)he mere possibility that the authorities will not have the capacity to prevent or neutralize the violence emanating from those opposed to the assembly, is not enough; the State must be able to show, based on a concrete risk assessment, that it would not be able to contain the situation, even if significant law enforcement capability were to be deployed (…).’50.
55.
In de zaak Identoba and Others tegen Georgië was slechts een beperkt aantal politieagenten aanwezig dat afstand nam toen verbale aanvallen begonnen, waardoor zij de spanning hadden laten ontaarden in fysiek geweld. In plaats van zich te concentreren op het in bedwang houden van de agressieve demonstranten om de vreedzame demonstratie door te laten gaan, concentreerde de late politie-interventie op arrestatie en het wegvoeren van Identoba en anderen. Aldus hadden, aldus het EHRM, de autoriteiten onvoldoende bescherming geboden tegen anderen tijdens de demonstratie.51.
56.
Tot slot is voor de beoordeling van het middel nog het volgende van belang.
57.
De rechten, gegarandeerd in de artikelen 10 en 11 EVRM, zijn niet absoluut. Deze mogen worden ingeperkt met maatregelen die voldoen aan de strikte eisen die zijn neergelegd in telkens het tweede lid van deze artikelen.
58.
Vooropgesteld moet worden dat het EHRM heeft geoordeeld dat uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting eng moeten worden geïnterpreteerd en overtuigend moet worden vastgesteld:
‘Although freedom of expression mail be subject to exceptions, then ‘must be narrowly interpreted’ and ‘the necessity for any restrictions must be convincingly established’ (…).’52.
59.
Verder worden zwaarwegende gronden vereist ter rechtvaardiging van beperkingen van onder meer meningsuiting over gewichtige aangelegenheden van publiek belang:
‘Furthermore, the Court reiterates that strong reasons are required for justifying restrictions on political speech or speech on serious matters of public interest, as broad restrictions imposed in individual cases would undoubtedly affect respect for freedom of expression in general in the State concerned (…).’53.
60.
Vergelijkbaar hiermee heeft het VN-Mensenrechtencomité ten aanzien van artikel 21 IVBPR geoordeeld:
‘Central to the realization of the right is the requirement that any restrictions, in principle, be content neutral, and thus not be related to the message conveyed by the assembly.’54.
61.
Het is nuttig hier zijdelings te wijzen op artikel 3 lid 4 Wet openbare manifestaties, waarin is bepaald dat over de inhoud van hetgeen wordt beleden geen gegevens worden verlangd. De memorie van toelichting op de Wet openbare manifestaties houdt in verband hiermee in dat gestelde voorschriften en beperkingen geen betrekking mogen hebben op de inhoud van te openbare gedachten of gevoelens:
‘Deze bepalingen zijn opgenomen omdat in het stelsel van de artikelen 6 en 9 van de grondwet, mede gelet op artikel 7, bemoeienis met de inhoud van uitingen voorbehouden dient te blijven aan de formele wetgever en preventieve censuur wordt uitgesloten.55.
62.
Terug naar de eisen die de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM stellen aan beperkingen van de vrijheid van expressie en de vrijheid van vreedzame vergadering. Zo'n beperking moet ten eerste bij wet zijn voorzien en een legitiem doel dienen als vervat deze bepalingen. Als een doel tot beperking kan worden aangenomen, is echter het enkele bestaan daarvan niet voldoende de genomen maatregel te legitimeren.56. Zo'n maatregel dient ten tweede ‘necessary in a democratie society’ te zijn.
63.
Bij de beoordeling van de vraag of een beperking voldoet aan de eisen van artikel 11 lid 2 EVRM, ligt blijkens de rechtspraak van het EHRM het zwaartepunt bij deze ‘necessity’-test.57.
64.
Ten aanzien van deze test stelt het EHRM het volgende voorop:
‘As regards the necessity test, the Court reiterates that the right of peaceful assembly enshrined in Article 11 is a fundamental right in a democratic society and, like the right to freedom of expression, one of the foundations of such a society. By virtue of the wording of the second paragraph of Article 11, the only necessity capable of justifying an interference with the rights enshrined in that Article is one that may claim to spring from ‘democratic society’ (…). Accordingly, States must not only safeguard the right to assemble peacefully but also refrain from applying unreasonable indirect restrictions upon that right. In view of the essential nature of freedom of assembly and its close relationship with democracy there must be convincing and compelling reasons to justify an interference with this right (…).’
65.
Meermaals is geoordeeld dat de term ‘noodzakelijk’ niet zo ruim mag worden opgevat dat deze de betekenis heeft van ‘aannemelijk’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.58.
66.
In het Sunday Times-arrest heeft het EHRM het noodzakelijkheidsvereiste ingedeeld in een aantal aspecten.59. In de eerste plaats dient de beperkende maatregel geschikt te zijn om het gestelde doel te bereiken. In de tweede plaats dient er geen minder vergaande maatregel te zijn die hetzelfde doel kan bereiken; dit zogenoemde subsidiariteitsvereiste komt erop neer dat wanneer duidelijk is dat de autoriteiten hadden kunnen volstaan met minder vergaande beperkingen, deze alternatieven gekozen hadden moeten worden. In de derde plaats dient het door de maatregel gediende belang op te wegen tegen de beperking: de beperking moet voorzien in een ‘pressing social need’, proportioned zijn in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd zijn op ‘relevant and sufficient reasons’.60.
67.
Daaraan kan niet afdoen dat een relatief lage sanctie wordt opgelegd:
‘That the amount of the fine was relatively small does not detract from the fact that the interference was not ‘necessary in a democratic society’.’61.
68.
Wat betreft de toetsing van de vraag of sprake is van een ‘pressing social need’ heeft het EHRM geoordeeld dat de Lidstaten slechts een zekere beoordelingsvrijheid hebben:
‘The Court reiterates that the notion of necessity implies that the interference corresponds to a pressing social need and, in particular, that it is proportionate to the legitimate aim pursued. The Contracting States have a certain margin of appreciation in assessing whether such a need exists, but it is for the Court to give the final ruling on whether a restriction is reconcilable with the rights protected by the Convention. In carrying out its scrutiny, the Court must look at the interference complained of in the light of the case as a whole and determine, after having established that it pursued a legitimate aim, whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were ‘relevant and sufficient’ (…).’62.
69.
Volgens Roorda, Brouwer en Schilder zijn niet alleen de aard en de ernst van de (strafbare) gedraging van de demonstrant, maar ook de aard en de ernst van de beperkende maatregel relevante factoren bij de beoordeling of de beperking proportioneel is in relatie tot het beoogde doel. Maatregelen van strafrechtelijke aard vereisen, zo stellen zij vast, in het bijzonder rechtvaardiging.63.
70.
Ook maatregelen, die door de autoriteiten zijn genomen na een ‘act of assembly’ kunnen in dit verband als disproportioneel worden aangemerkt en dus tot de vaststelling leiden dat het EVRM is geschonden.64. Dergelijke maatregelen zijn bijvoorbeeld de aanhouding van een demonstrant65., diens daarop aansluitende detentie op het politiebureau66., diens strafrechtelijke vervolging67. en het hem opleggen van bestraffende maatregelen.68.
71
. Wat betreft de aanhouding van een demonstrant dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de perceptie van de politie ter plaatse, die mag overgaan tot aanhouding op grond van een redelijk schuldvermoeden, en de beoordeling van de proportionaliteit van die aanhouding achteraf tijdens het onderzoek ter terechtzitting, in het licht van de artikelen 10 en 11 EVRM. Dit is als volgt verwoord door Uw collega's in het Verenigd Koninkrijk:
‘Article 11(2) states that ‘No restrictions shall be placed’ except ‘such as are prescribed by law and are necessary in a democratic society …’ In Kudrevičius v Lithuania (2016) 62 EHRR 34, para 100 the European Court of Human Rights (‘ECtHR’) stated that ‘The term ‘restrictions’ in article 11(2) must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards’ so that it accepted at para 101 ‘that the applicants’ conviction for their participation in the demonstrations at issue amounted to an interference with their right to freedom of peaceful assembly’. Arrest, prosecution, conviction, and sentence are all ‘restrictions’ within both articles. Different considerations may apply to the proportionality of each of those restrictions. The proportionality of arrest, which is typically the police action on the ground, depends on, amongst other matters, the constable's reasonable suspicion. The proportionality assessment at trial before an independent impartial tribunal depends on the relevant factors being proved beyond reasonable doubt and the court being sure that the interference with the rights under articles 10 and 11 was necessary. The police's perception and the police action are but two of the factors to be considered. It may have looked one way at the time to the police (on which basis their actions could be proportionate) but at trial the facts established may be different (and on that basis the interference involved in a conviction could be disproportionate).’69.
72.
Bij de beoordeling van de proportionaliteit van een strafrechtelijke maatregel moet ook het ‘chilling effect’ daarvan in ogenschouw worden genomen. Roorda, Brouwer en Schilder stellen daarover, in hun in 2021 gepubliceerde onderzoek naar de demonstratievrijheid: ‘Van een ‘chilling effect’ kan sprake zijn als een demonstrant wordt gearresteerd, wordt veroordeeld of in detentie wordt geplaatst, maar ook al als een demonstrant strafrechtelijk wordt vervolgd, ongeacht of dit leidt tot een veroordeling. Dus ook als het Openbaar Ministerie de zaak seponeert of de rechter de demonstrant vrijspreekt. De vervolging kan immers een ontmoedigend effect hebben op de bereidheid van de demonstrant om in de toekomst deel te blijven nemen aan demonstraties.’70.
73.
Roorda, Brouwer en Schilder stellen in voornoemd onderzoek ook de vraag aan de orde wanneer, naast arrestatie, (verdere) strafrechtelijke maatregelen zoals vervolging en sanctionering tegen demonstranten mogen worden genomen. Zij constateren:
‘Strafrechtelijke vervolging, laat staat strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten is (…) in beginsel niet toegestaan. (…) In Kudreviüčius (…) oordeelt de Grote Kamer van het EHRM zelfs uitdrukkelijk dat een demonstrant niet kan worden gestraft voor deelname aan een niet-kennisgegeven manifestatie — zelfs niet als de sanctie een lage boete betreft — zolang die persoon geen laakbaar (‘reprehensible’) gedrag vertoont tijdens de manifestatie. Dit geldt ook indien de demonstratie leidt tot schade of andere wanorde.’71.
74.
Wat als ‘reprehensible’ gedrag kan worden aangemerkt, wordt blijkens de rechtspraak van het EHRM bepaald door ‘the extent of the ‘disruption of ordinary life’’ die de demonstratie veroorzaakt.72. De mate van de ontwrichting van het dagelijks leven is dus bepalend, wil de vereiste ‘necessity’worden bereikt. Volgens Roorda c.s. kan dat het geval zijn wanneer het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig worden verstoord, in een grotere mate dus dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid. Strafrechtelijk optreden is volgens hen bijvoorbeeld in beginsel gerechtvaardigd ‘als demonstranten zich niet of minder vreedzaam gedragen, bijvoorbeeld als zij gewelddadigheden begaan of hiertoe aanzetten.’73. Niet voldoende voor het vaststellen van ‘reprehensible’ gedrag is echter dat de demonstratie schade of wanorde heeft veroorzaakt, of ergernis opwekt, of tijdelijk de activiteiten van derden (ver)hindert.
75.
Een toetsing dient reeds te worden gemaakt door de autoriteiten als zij beslissingen nemen over maatregelen jegens demonstranten. Dat valt af te leiden uit bijvoorbeeld de zaak Bumbeş tegen Roemenië:
‘The Court stresses that it remains in the first place within the purview of the national authorities’ discretion, having direct contact with those involved, to determine how to react to a public event (…)’74.
76.
Dat daarbij tolerantie wordt verlangd, ook indien de demonstratie ‘unlawful’ is, dan wel dat in verband met vijandige publiek of een tegendemonstratie een positieve verplichting op de autoriteiten rust om de demonstranten daartegen te beschermen, is in het vorengaande al uitvoerig toegelicht.
77.
Op 8 februari 2022 stelde Uw Raad het criterium ‘‘reprehensible’ gedrag’ centraal bij de beoordeling van de vraag of een arrestatie, ophouden voor verhoor en strafrechtelijke vervolging van vreedzame demonstranten een ontoelaatbare inbreuk kan maken op de artikelen 10 en/of 11 EVRM.75 Een strafvervolging die niet noodzakelijk in de zin van artikel 10 en/of 11 EVRM kan worden geoordeeld, heeft volgens Uw Raad niet snel gevolgen voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in die vervolging. Uw Raad leunt blijkens Uw arrest van 29 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1633) meme op het verwerken van die ontbrekende noodzaak in de vraag of het bewezenverklaarde feit strafbaar is:
‘In een geval als het onderhavige [het ging om twee vreedzame demonstranten die werden vervolgd wegens lokaalvredebreuk, WHJ] die kan de omstandigheid dat sprake is van een inbreuk op het door het EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, nog wel van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit strafbaar is (…).’
Deelklacht 1
78.
’s Hofs verwerping van het verweer dat de feitelijke grondslag van het besluit in de brief van 21 mei 2020 gebrekkig is (onder meer omdat daarin niet uitdrukkelijk is ingegaan op verzoekers stelling dat het besluit over de verdeling van de zondagen tussen pro-Israël en pro-Palestina betogers niet langer gold), is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
79.
Namens verzoeker is de rechtmatigheid van het besluit van 21 mei 2020 en in verbinding daarmee het besluit van 1 februari 2019, in welke besluiten het voorschrift en de beperking zoals verzoeker tenlastegelegd zijn neergelegd, althans waarop deze zijn gebaseerd, als volgt betwist:
- ‘21.
Onbegrijpelijk is dat de beslissing stelt dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet is verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie. Immers sinds dat besluit mogen demonstranten en tegendemonstranten niet meer tegelijkertijd demonstreren.
- 22.
Dat ‘meerdere incidenten’ zouden hebben plaatsgevonden wordt geheel niet gemotiveerd en is in het licht van voornoemde notie — gescheiden demonstreren — ook niet waarschijnlijk. Bovendien was 24 mei 2020 de tijd van de eerste lockdown in verband met de covid 19-pandemie en bevonden zich heel weinig mensen op straat.
- 23.
Ook wordt in de beschikking niet gesteld of anderszins aannemelijk gemaakt dat de gestelde ‘incidenten’ met cliënt c.q. diens mededemonstranten hadden te maken. Daaraan doet niet af het aanvullend proces-verbaal van 15 september 2020. Dat proces-verbaal is niet geconcretiseerd. Het vermeldt bijvoorbeeld nergens specifieke data en precieze gebeurtenissen. Het is ook niet nader onderbouwd.
- 24.
Ter verdere onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de kantlijnnummers 28 tot en met 61 van de pleitnota in eerste aanleg, die hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.
(…)
- 29.
(H)et besluit van 1 februari 2019 [is] onrechtmatig omdat dit in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De burgemeester beweert in haar besluit dat zowel cliënt als de pro-Israëlsympathisanten zich ‘steeds meer op onaanvaardbare wijze’ gedragen zonder dat dat is gespecificeerd of gemotiveerd. Verder stelt de burgemeester dat cliënts demonstraties ‘bij herhaling leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen.’ Ook deze stelling mist ieder specificatie en motivering. In het oog springt dat nergens wordt gesteld dat cliënt die overlast etc. veroorzaakt of dat cliënt zich aldus heeft gedragen dat een beperkingsgrond zoals bedoeld in artikel 9 Grondwet en artikel 2 Wom aan de orde is. In het midden wordt gelaten — ten onrechte — of de gestelde overlast etc. worden veroorzaakt door pro-Israëldemonstranten. Dat ‘veelvuldig’ politie is ingezet is wederom niet gespecifieerd of gemotiveerd. De oorzaak van die inzet is niet vermeld, ‘veelvuldig’ is een rekbaar begrip en niet blijkt hoeveel politieagenten steeds zouden zijn ingezet. Hoe zou zijn gehandhaafd, blijkt niet. Het is volstrekt onbegrijpelijk dat wél politie is ingezet terwijl de gestelde ‘overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen’ mitsdien niet zouden kunnen worden voorkomen of bestreden. Cliënt stelt dat in ieder geval politieoptreden — zo dat al plaatsvond — ten onrechte niet gericht was op zijn bescherming tegen pro-Israëlaanhangers en dat daartoe overigens eenvoudig had kunnen worden opgetreden, bijvoorbeeld door één politieagent aanwezig te laten zijn. Dat volgens de politie de demonstraties escaleren, mist wederom enige specificatie of motivering. Wat wordt bedoeld met escaleren? Wat is daarvan de oorzaak? Wat is daar effectief tegen geprobeerd te doen door de politie? Hoe vaak is ‘escalatie’ voorgekomen? Was dat aan de zijde van de pro-Palestinademonstranten? Zo niet, waarom moeten zij dan lijden onder beperkende maatregelen? Waarop is de gestelde ‘toenemende gegronde vrees dat bovenstaande incidenten zich zullen blijven herhalen en mogelijk verergeren’ gebaseerd? Waarom kan herhaling niet worden tegengegaan door politie-inzet? Tot slot is het besluit van 2019 onrechtmatig omdat het stelt dat het ‘onacceptabel’ is dat met grote regelmaat de Dam wordt gebruik voor één thema. Met dat laatste maakt het besluit ook op zichzelf staand een ontoelaatbare inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in de Grondwet, het IVBPR en het EVRM, alsook met de demonstratievrijheid zoals neergelegd in de Wom: de overheid mag zich immers niet bemoeien met de (niet-strafbare) inhoud van een demonstratie.’
80.
In kantlijnnummers 28 tot en met 61 van de pleitnota in eerste aanleg heeft verzoekers raadsman betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is, onder meer wegens schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Samengevat heeft hij daartoe het volgende aangevoerd.
- —
Het is sinds 1 februari 2019 aan pro-Palestinademonstranten en pro-Israëldemonstranten niet toegestaan gezamenlijk op de Dam te demonstreren. Daarom is het besluit van 21 mei 2020 onbegrijpelijk, nu dat stelt dat de situatie op de Dam ten aanzien van de demonstraties niet is verbeterd en/of dat sprake zou zijn van escalatie. In het besluit is dat niet verduidelijkt.
- —
Wat ‘meerdere incidenten’ inhouden die ten tijde van het besluit van 21 mei 2020 ‘recent’ zouden hebben plaatsgevonden is niet verduidelijkt. Dit was de tijd van de eerste volledige lockdown, waarin zich amper mensen op straat bevonden. Verder blijkt niet of verzoeker of diens mededemonstranten daarin een initiërende rol hadden.
- —
Een proces-verbaal ‘sfeerbeeld gedragingen pro-Israël en pro-Palestina op de Dam’ bevat geen daadwerkelijke concretisering van de gestelde incidenten of wanordelijkheden. Het bevat een lijst met ‘politieregistraties’ die alle dateren van na 5 juli 2020 en dus relevantie voor deze zaak missen.
- —
Ditzelfde proces-verbaal beschrijft als ‘algemene ervaring politic’ dat verzoeker ‘provocerend aanwezig is’ door ‘andersdenkende demonstranten’ te filmen. Dit heeft volgens het proces-verbaal tot ‘incidenten’ geleid die, zo heeft vervolgens niet zijn geconcretiseerd. Verzoekers raadsman heeft in verband hiermee aangevoerd: ‘Overigens bestrijdt cliënt deze beschuldiging. Cliënt filmt inderdaad al zijn interacties met de politie om ervoor te zorgen dat het handelen van politieambtenaren later te controleren is. Andersdenkenden zoekt hij echter niet op. Pas wanneer pro-Israëldemonstranten de confrontatie zoeken met cliënt of mededemonstranten — dat vaak gebeurt — filmt hij deze interacties. Dit filmen is, behalve niet illegaal, volstrekt begrijpelijk in het licht van de strafbare gedragingen vanuit deze groep jegens cliënt en zijn mededemonstranten.’
- —
Verzoeker is nog nooit verdachte geweest van enig geweldsdelict, in tegenstelling tot een aantal van de vaste ‘tegendemonstranten.’
81.
Het hof heeft het op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare demonstraties gegeven voorschrift en de op gelijke grond gestelde beperking rechtmatig geoordeeld en de verweren, gericht tegen de rechtmatigheid van het besluit (onder meer wegens schending van het motiveringsbeginsel), waarin deze zijn neergelegd althans waarop deze zijn gebaseerd, verworpen. Daartoe heeft het geoordeeld dat in de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019, toereikend — ‘want voldoende concreet en met feiten onderbouwd’ — is gemotiveerd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden.
82.
Dit oordeel geeft in het licht van hetgeen tegen de rechtmatigheid van het besluit van 21 mei 2020 is aangevoerd blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd.
83.
Hetgeen door de raadsman tegen het besluit is ingebracht komt erop neer dat dit niet deugdelijk is gemotiveerd zoals bedoeld in artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht. Het verweer richtte zich — voor zover hier van belang — tegen de rechtmatigheid van het besluit voor wat betreft de juistheid van de vaststelling van de feiten waarop dit is gebaseerd.
84.
Aan de hand van het proces-verbaal ‘sfeerbeeld gedragingen pro-Israël en pro-Palestina op de Dam’ heeft verzoekers raadsman betoogd dat als ‘algemene ervaring politie’ verzoeker (derhalve volgens de politie) slechts ‘provocerend aanwezig is’ door ‘andersdenkende demonstranten’ te filmen, zonder dat dit tot geconcretiseerde incidenten heeft geleid. Deze ‘ervaring’ betreft gelet op haar onderbouwing slechts verzoeker en niet verzoeker én diens mededemonstranten. Verzoekers raadsman heeft in reactie op de gestelde ‘ervaring’ uitgelegd dat verzoeker zijn interacties met de politie filmt om ervoor te zorgen dat het handelen van politieambtenaren later te controleren is, en andersdenkenden enkel filmt indien deze de confrontatie zoeken.
85.
Het hof heeft de juistheid van dit (onderbouwde) standpunt in het midden gelaten. Dat geldt evenzeer voor het namens verzoeker ingenomen standpunt dat onbegrijpelijk is de aan het besluit van 21 mei 2020 ten grondslag gelegde (feitelijke) omstandigheid dat de situatie op de Dam ten aanzien van de demonstraties sinds 1 februari 2019 niet is verbeterd en dat zelfs sprake is van escalatie. De raadsman heeft dit standpunt onderbouwd op grond van de inhoud van de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 zelf, waaruit immers blijkt dat het sinds 1 februari 2019 pro-Palestinademonstranten en pro-Israëldemonstranten niet meer is toegestaan tegelijkertijd op de Dam te demonstreren. Reeds uit de inhoud van het besluit van 21 mei 2020, integraal in 's hofs arrest opgenomen, blijkt op geen enkele wijze dat het besluit van 1 februari 2019 niet (onverkort) is gehandhaafd.
86.
Tot slot heeft het hof in het midden gelaten wat de in het besluit van 21 mei 2020 gestelde ‘recente’ ‘meerdere incidenten’ inhouden en of verzoeker dan wel diens mededemonstranten daarin een initiërende rol hadden. De raadsman heeft als standpunt ingenomen dat het niet waarschijnlijk is dat de dato 21 mei 2020 ‘recent’ meerdere incidenten hebben plaatsgevonden omdat het land toen in lockdown zat en zich amper personen op straat bevonden.
87.
Gelet op deze omstandigheden is 's hofs arrest niet toereikend gemotiveerd. Het kan daarom niet in stand blijven.
Deelklacht 2
88.
‘s Hofs oordeel, dat de brief van 21 mei 2020 in samenhang met de brief van 1 februari 2019, toereikend gemotiveerd en/of voldoende concreet en met feiten onderbouwd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden en/of de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door artikel 10 EVRM, is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
89.
Namens verzoeker is, samengevat, tegen de besluiten aangevoerd dat de besluiten niet voldoen aan de vereisten zoals neergelegd in het arrest Fáber tegen Hongarije van het EHRM, dat de burgemeester als beschermer van de demonstratievrijheid de positieve verplichting heeft om bij tegenacties demonstraties daadwerkelijk mogelijk te maken, dat bestuurlijke overmacht in dit verband noch wordt gesteld of is gebleken en dat de besluiten niet zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd zijn.
90.
Het hof heeft in verband met zijn oordeel overwogen:
‘De beperking was bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zoals bedoeld in het tweede lid van die verdragsbepaling [bedoeld wordt: artikel 10 EVRM, WHJ]. Voor de beperking bestond een dringende maatschappelijke noodzaak en zij was niet disproportioneel.’
91.
Aldus heeft het hof in het licht van hetgeen tegen de besluiten is aangevoerd zijn oordeel niet begrijpelijk en en/of voldoende toereikend gemotiveerd. Dat is reeds het geval omdat het hof de verweren uitsluitend aan artikel 10 EVRM, en niet aan het tevens aangevoerde artikel 11 EVRM, heeft getoetst.
92.
Vooropgesteld moet worden dat de motiveringsplicht van de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 zich uitstrekt tot het aspect dat de vaststelling van de feiten die hebben geleid tot de genomen beslissing, alsook dat de burgemeester en/of de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio bij het stellen van beperkingen aan de demonstratievrijheid de eisen zoals neergelegd in artikel 10 en artikel 11 EVRM in acht moet nemen.
93.
Gelet op de inhoud van de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 en het verhandelde ter zitting in hoger beroep staat vast dat deze ten doel hadden beperkingen te stellen aan verzoekers recht tot betoging op de Dam te Amsterdam wegens het aldaar voorkomen van wanorde in verband met een op dezelfde plaats en tijd plaatsvindende tegendemonstratie. Om de twee groepen demonstranten uit elkaar te houden is besloten dat verzoeker c.s. (‘pro-Palestina’) op en rond de Dam mogen demonstreren uitsluitend op zondagen in de even weken, en demonstranten ‘pro-Israël’ op de zondagen van de oneven wekend.76.
94.
Het recht van vreedzame vergadering is, zoals in het juridisch beoordelingskader toegelicht, een individueel recht. De besluiten van 19 februari 2019 en 21 mei 2020 zijn aan verzoeker persoonlijk gericht. In deze besluiten wordt nergens beweerd dat verzoeker tijdens demonstraties in het verleden gewelddadig is geweest of gewelddadige intenties heeft gehad. In ieder geval blijkt uit de besluiten niet dat verzoeker naar het oordeel van de autoriteiten niet het recht op bescherming van artikel 11 EVRM toekomt. Hetzelfde geldt — mutatis mutandis — voor verzoekers (in de besluiten ongespecificeerde) mededemonstranten.
95.
Voor zover in de besluiten wordt gesproken van ‘geweld’ en bedoeld is verzoeker geweldshandelingen gedurende eerdere demonstraties toe te schrijven, zijn deze niet voldoende gemotiveerd. Niet kan immers worden uitgesloten dat in de besluiten daarmee op ‘mere pushing and shoving’ is gedoeld, dan wel op geweld, begaan door anderen dan verzoeker, hetgeen in beide gevallen ontoereikend is verzoeker de bescherming van artikel 11 EVRM te onthouden. Bovendien vormt eerder begaan geweld op zichzelf beschouwd niet reeds een grond tot aanname van ‘violent intentions’.
96.
De besluiten komen erop neer dat jegens verzoeker c.s. als vreedzame demonstranten beperkende maatregelen, zoals hier opgelegd, kunnen worden getroffen ofwel als gevolg van gedragingen jegens hen die stammen uit de groep van tegendemonstranten, ofwel als gevolg van gedragingen die niet een ‘threat of violent clashes’ inhouden.
97.
De autoriteiten, die, als ‘ultimate guarantor of the principles of pluralism, tolerance and broadmindedness’ zich in beginsel dienen te onthouden van het ingrijpen in de demonstratievrijheid, hebben in de besluiten niet gemotiveerd waarom de pro-Palestinademonstraties van verzoeker en de pro-Israëldemonstraties, die als elkaars tegendemonstraties moeten worden aangemerkt, niet ‘within sight and sound’ op de Dam kunnen plaatsvinden. De gehanteerde motivering in de besluiten kan hooguit als een vaag c.q. ‘unspecified risk’ worden aangemerkt. Deze voldoet in ieder geval niet aan de eis dat de autoriteiten ‘must produce concrete estimates of the potential scale of disturbance in order to evaluate the resources necessary for neutralising the threat of violent clashes’.
98.
Evenmin is in de besluiten gemotiveerd aangegeven dat sprake is van (structurele) bestuurlijke overmacht. De opmerking in het besluit van 21 mei 2020, dat de autoriteiten ‘geen mogelijkheid zien’ tot heroverweging van het besluit van 1 februari 2019, is op zichzelf reeds onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd, maar dit geldt ook ten aanzien van het tijdverloop sinds het eerdere besluit. De autoriteiten hadden in staat moeten zijn, zo het besluit van 1 februari 2019 al aanvaardbaar is, na ruim 15 maanden zorg te dragen voor adequate facilitering van verzoekers demonstraties.
99.
Dat klemt te meer omdat artikel 11 EVRM het recht omvat ‘to choose the time, place and manner of conduct of the assembly’, in verband waarmee het EHRM in de zaak Mustafa Hajili and Others tegen Azerbeidjan heeft bepaald dat wanneer de locatie van de samenkomst voor de deelnemers daaraan van groot belang is, ‘an order to change it may constitute an unjustified interference with their freedom of assembly under Article 11 of the Convention’.
100.
Dat grote belang was voor verzoeker als vanzelfsprekend aanwezig, gezien het recht van tegendemonstranten ‘to express their disagreement with the demonstrators’ op adequate wijze, dat wil zeggen: ‘within sight and sound’ van de andere demonstratie, en voorts de maatschappij niet de mogelijkheid dient te worden onthouden om verschillende meningen te horen ‘on any question which offends the sensitivity of the majority opinion’.
101.
De facto geven de besluiten er dus blijk van dat pro-Israëldemonstranten een gedeeltelijk demonstratieverbod hebben weten te bewerkstelligen op pro-Palestinademonstraties. Zover strekt het recht op tegendemonstratie evenwel niet, zoals is toegelicht in het juridisch beoordelingskader.
102.
De besluiten geven er daarnaast blijk van dat de autoriteiten het (grond)wettelijk systeem jegens verzoeker grotendeels buiten toepassing hebben gesteld door diens aan te melden demonstraties enkel nog op grond van de Wet openbare manifestaties te zullen beoordelen indien die zien op samenkomsten op de Dam op zondagen in even weken. Een dergelijke werkwijze, die niet een beoordeling van aangemelde demonstraties op eigen merites tot uitgangspunt heeft, is ook in strijd met de rechtspraak van het EHRM en de oordelen van het VN-Mensenrechtencomité.
103.
Aan besluit van 1 februari 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam onder meer ten grondslag gelegd dat het niet acceptabel is dat met grote regelmaat (kennelijk wekelijks) pro-Palestina en tegen het beleid van de Israëlische regering jegens de Palestijnen wordt gedemonstreerd. Voor zover de besluiten zijn gebaseerd op de stelling dat de Dam slechts eens per twee weken, buiten gehoorsafstand en buiten het zicht van een pro-Israëldemonstratie mag worden gebruik voor ‘het thema’ pro-Palestina, miskennen deze dat voorschriften op grond van de Wet openbare manifestaties gesteld niet betrekking mogen hebben op de inhoud van uitingen bij een demonstratie en dat het EHRM eist dat ter beperking van de vrijheid van expressie ten aanzien van gewichtige onderwerpen van maatschappelijk debat zware gronden gelden. Die blijken uit de besluiten evenwel niet.
104.
Daar komt overigens bij dat deze grondslag van het besluit van 1 februari 2019 niet door enige daaruit blijkende omstandigheid wordt gerechtvaardigd. Zo blijkt uit het besluit niet dat demonstraties op de voor andere ‘thema's’ door verzoekers uitoefening van zijn demonstratierecht in de verdrukking komen of dreigen te komen.
105.
De beperkingen aan de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering zoals in de aan verzoeker geadresseerde besluiten voldoen in het licht van het vorenstaande niet aan de eisen die de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 19 en 21 IVBPR daaraan stellen. Daar komt bij dat de besluiten, in het licht van het vorenstaande, niet zijn gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’ en ook om die reden niet aan voornoemde verdragseisen voldoen.
106.
Het hof heeft dit alles bij het beoordelen van de verweren miskend.
107.
Door slechts oppervlakkig c.q. in algemene termen te oordelen dat de beperking bij wet was voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden en dat voor de beperking een dringende maatschappelijke noodzaak bestond en deze niet disproportioneel was, heeft het hof zijn arrest, in het licht van hetgeen tegen de rechtmatigheid van de besluiten is aangevoerd, niet toereikend gemotiveerd.
108.
Voorts heeft het zodoende ook de artikelen 10 en 11 EVRM geschonden omdat het geen blijk heeft gegeven van ‘relevant and sufficient reasons’ voor de inbreuk op verzoekers mensenrechten.
109.
Aldus getuigt 's hofs verwerping van de verweren van een onjuiste rechtsopvatting. Althans heeft het hof zijn arrest niet begrijpelijk en/of toereikend gemotiveerd.
110.
Het kan mitsdien niet in stand blijven.
Deelklacht 3
111.
's Hofs oordeel, dat niet nodig is dat verzoeker of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om — ook voor hem — de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd, is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
112.
Gelet op de inhoud van de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 en het verhandelde ter zitting in hoger beroep staat, zoals in de vorige deelklacht reeds betoogd, vast dat deze ten doel hadden beperkingen te stellen aan verzoekers recht tot betoging op de Dam te Amsterdam wegens het aldaar voorkomen van wanorde in verband met op dezelfde plaats en tijd plaatsvindende tegendemonstraties alsook dat, om deze demonstranten uit elkaar te houden, is besloten dat verzoeker c.s. (‘pro-Palestina’) op en rond de Dam mogen demonstreren uitsluitend op zondagen in de even weken, en demonstranten ‘pro-Israël’ op de zondagen van de oneven weken.
113.
De besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 zijn aan verzoeker persoonlijk gericht en hebben betrekking op ‘zijn demonstraties’ (‘uw demonstraties’).
114.
Het recht van vreedzame vergadering is, zoals in het juridisch beoordelingskader toegelicht, een individueel recht. Uit dit kader blijkt ook dat de vraag, of een bijeenkomst al dan niet vreedzaam is, moet worden beantwoord aan de hand van geweld dat afkomstig is van de deelnemers. Het hof heeft nergens vastgesteld dat verzoeker en diens medebetogers ooit gewelddadige intenties hebben gehad en/of zich gewelddadig hebben gedragen, een en ander in de betekenis van die termen die daaraan door het VN-Mensenrechtencomité en het EHRM is toegekend. Het hof heeft — kortom — niet vastgesteld dat verzoekers demonstraties niet telkens als een ‘peaceful assembly’ in de zin van artikel 21 IVBPR en artikel 11 EVRM moest worden aangemerkt.
115.
's Hofs hier bestreden oordeel komt erop neer dat jegens verzoeker c.s. als vreedzame demonstranten de hier opgelegde beperkende maatregelen kunnen worden getroffen ofwel als gevolg van gedragingen jegens hen die stammen uit de groep van tegendemonstranten, ofwel als gevolg van gedragingen door hen die niet een ‘threat of violent clashes’ inhouden.
116.
De Staat als ‘ultimate guarantor of the principles of pluralism, tolerance and broadmindedness’ dient — zo blijkt uit de rechtspraak van het EHRM — zich echter in beginsel te onthouden van het ingrijpen in het recht als bedoeld in artikel 11 EVRM. Dat geldt in beginsel ook ten aanzien van de keuze van de plaats en tijd van de organisator van de demonstratie, die gewoonlijk het recht heeft de bijeenkomst ‘within sight and sound’ van zijn gekozen doelwit te laten plaatsvinden.
117.
In de gevallen waarin volgens het EHRM voor de autoriteiten een positieve verplichting bestaat tot het nemen van maatregelen, dient dat ten behoeve te zijn van ‘genuine, effective freedom of peaceful assembly’. Bijvoorbeeld in het geval van ‘hostile audience’ of tegendemonstraties, echter vanuit het primaire streven het recht van vergadering van beide betogende groepen te beschermen en dus beide betogingen zoveel mogelijk ‘within sight and sound’ van elkaar doorgang te laten vinden. Vereist voor het nemen van maatregelen in verband met een tegendemonstratie is dat van de tegendemonstranten aantoonbaar een ‘threat of violent clashes’ uitgaat. De autoriteiten zijn ook in zo'n geval nog steeds gehouden de minst beperkende maatregelen toe te passen. Het uitgangspunt om beide demonstraties op dezelfde tijd en locatie te laten plaatsvinden mag pas verlaten worden indien de autoriteiten op basis van een concrete risico-inschatting kunnen aantonen dat de situatie ook met voldoende politiecapaciteit niet is te beheersen.
118.
In het licht van deze normen, die blijkens uit de rechtspraak van het EHRM en de oordelen van het VN-Mensenrechtencomité, geeft 's hofs oordeel, nu dat betrekking heeft op verzoeker en diens mededemonstranten en de getroffen maatregelen zoals in deze zaak is gebeurd, blijkt van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd.
119.
Immers heeft het hof in verband met zijn oordeel niet vastgesteld dat aantoonbaar sprake is van dreiging van gewelddadige confrontaties of van aantoonbaar ontoereikende politiecapaciteit, zodat het uitwijken naar het qua tijd en/of plaats (buiten ‘sight and sound’) uiteen houden van de pro-Palestina- en pro-Israëldemonstranten als minst beperkende maatregel kon worden beschouwd. In dit licht heeft het hof dus ook miskend verzoekers recht zijn demonstratie zoveel mogelijk ‘within sight and sound’ van de pro-Israëldemonstratie te laten plaatsvinden, alsook zijn ‘privilege’ om de plaats en tijd te kiezen die voor het houden van zijn demonstratie en voor zijn boodschap de grootste impact kan hebben.
120.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Deelklacht 4
121.
Het hof heeft op onjuiste en/of onbegrijpelijke, althans niet toereikende gronden verworpen het verweer dat in verband met verzoekers demonstraties sprake is van een ontoelaatbaar integraal demonstratieverbod en/of het verweer dat verzoekers voor 24 mei 2020 aangemelde demonstratie is beperkt enkel op grond van een ontoelaatbaar integraal demonstratieverbod en/of het verweer dat de door verzoeker aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 niet op zijn merites is beoordeeld, en/of het verweer dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar dienen plaats te vinden, en/of het verweer dat zogeheten bestuurlijke overmacht ter zake van verzoekers demonstratie van 24 mei 2020 niet aannemelijk is.
122.
Verzoekers raadsman heeft aangevoerd dat de besluiten van 21 mei 2020 en 1 februari 2019 onrechtmatig zijn en dat dientengevolge de daarin gegeven aanwijzingen en beperkingen onrechtmatig zijn, zodat het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet Openbare Manifestaties’ niet kan worden bewezenverklaard.
123.
Daartoe heeft hij betoogd dat de voorschriften en beperkingen jegens verzoekers demonstratie een ‘blanket prohibition’ vormen om op oneven weken op de Dam te demonstreren. Zo'n algeheel demonstratieverbod naar plaats en tijd is op grond van de (memorie van toelichting op de) Wet openbare manifestaties, de rechtspraak van het EHRM en de rechtsgeleerde literatuur onrechtmatig, omdat iedere betoging zelfstandig op haar eigen merites dient te worden beoordeeld.
124.
Voorts is, aldus de raadsman, verzoekers voor 24 mei 2020 aangemelde demonstratie ten onrechte niet op deze wijze beoordeeld.
125.
De besluiten, waarin verzoeker de hem tenlastegelegde beperkingen zijn opgelegd, geven er blijk van dat de autoriteiten het (grond)wettelijk systeem jegens verzoeker grotendeels buiten toepassing hebben gesteld door diens aan te melden demonstraties enkel op grond van de Wet openbare manifestaties te zullen beoordelen indien die zien op samenkomsten op de Dam op zondagen in even weken. Immers bleef van verzoeker ook na 1 februari 2019 verlangd worden dat hij zijn demonstraties aanmeldt. Dat betekent dat verzoekers demonstratievrijheid bij voorbaat vergaand is beperkt op een wijze die ontoelaatbaar is.
126.
In de besluiten ligt besloten dat een demonstratie die aangemeld wordt voor een tijdstip buiten de zondagen in even weken niet wordt beoordeeld. Dat is in strijd met de vereisten die in dit verband aan de autoriteiten wordt gesteld namelijk ‘to safeguard the right to assemble peacefully’ en het in beginsel betrachten van tolerantie om dit recht zoveel mogelijk te verwezenlijken.
127.
In dit licht bezien, alsmede gelet op het systeem van de Wet openbare manifestaties en/of de beginselen van een behoorlijk bestuur kan de burgemeester of de voorzitter van de Veiligheidsregio zichzelf niet van plicht ontslaan om een aangemelde demonstratie op grond van de inhoud daarvan niet toe te staan enkel op de grond dat de organisator daarvan voornemens is die op ander tijdstip te houden dan hem in een op dit punt min of meer generiek besluit is toegestaan.
128.
Uit het oordeel van het EHRM dat ‘alleged prior involvement of the applicants (…) in certain other violent acts’ op zichzelf niet voldoende is om de aanname van ‘violent intentions’ te rechtvaardigen en in het gezichtspunt dat de autoriteiten in beginsel ook tolerantie moeten betrachten jegens ‘spontane’ (dat wil zeggen: niet aangemelde) demonstraties, ligt besloten dat iedere (aangemelde) demonstratie op eigen merites moet worden beoordeeld.
129.
Dat blijkt ook uit de memorie van toelichting op artikel 5 Wet openbare manifestaties, waarin is verduidelijkt dat met ‘voorschriften en beperkingen’ wordt geduid op ‘elementen van een beschikking voor één concreet geval’, en dat ‘de gegeven situatie’ centraal staat bij de vraag of beperkingen worden gevorderd. Tot slot blijkt dit uit de opvatting van Roorda.
130.
Daarmee is onverenigbaar het verzoeker opgelegde demonstratieverbod naar tijd, geldend voor een bepaalde plaats. Dat klemt temeer nu verzoeker in beginsel het recht toekomt de plaats en tijd van zijn demonstraties te kiezen, terwijl naar maatstaven van zowel het EHRM, de Venetiëcommissie als het VN-Mensenrechtencomité een tegendemonstratie zoveel mogelijk in het zicht en binnen gehoorsafstand van de demonstratie waartegen deze is gericht moet plaatsvinden, alsook dat van de autoriteiten wordt verlangd beide demonstraties zoveel mogelijk tegelijkertijd te laten plaatsvinden, zo nodig met inzet van toereikende politiecapaciteit.
131.
Het EHRM heeft bepaald:
‘States must not only safeguard the right to assemble peacefully but also refrain from applying unreasonable indirect restrictions upon that right. In view of the essential nature of freedom of assembly and its close relationship with democracy there must be convincing and compelling reasons to justify an interference with this right.’
De besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 dienen te worden aangemerkt als ‘unreasonable indirect restrictions’ van verzoekers recht op vreedzame vergadering c.q. recht tot betoging.
132.
Het hof heeft geoordeeld dat niet nodig is dat verzoeker of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om — ook voor hem — de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd. Voor zover het hof daarmee heeft bedoeld te zeggen dat het het begrip ‘één concreet geval’ opvat als ‘pro-Palestina-demonstraties’ in het algemeen, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd. Immers is het recht zoals neergelegd in artikel 11 EVRM een individueel recht, zodat de opvatting dat andere groepen demonstranten die (globaal beschouwd) dezelfde mening als verzoeker wensen te uiten op de uitoefening daarvan invloed hebben onverenigbaar. Zo zou op die wijze verzoeker worden beoordeeld op grond van gewelddadige intenties van groepen met welke hij niets van doen heeft.
133.
Althans had de aangemelde demonstratie op haar merites, en dus niet op basis van het besluit van 1 februari 2019, moeten worden beoordeeld. In het besluit van 21 mei 2020 is niet toereikend onderbouwd waarom die beoordeling niet heeft plaatsgevonden. Het achterwege blijven van die beoordeling is ook niet begrijpelijk, nu niet is gebleken dat ten aanzien van de door verzoeker aangekondigde demonstratie sprake was van gewelddadige intenties, een intentie tot het plegen van wanordelijkheden of het zoeken van confrontaties met een ‘hostile audience’ en de autoriteiten in beginsel gehouden waren — indien voor 24 mei 2020 ook een pro-Israëldemonstratie zou zijn verwacht — beide demonstraties ‘within sight and sound’ van elkaar te laten plaatsvinden.
134.
Het hof heeft dit alles miskend. Ook hier geldt dat het hof de artikelen 10 en 11 EVRM geschonden heeft reeds omdat het geen blijk heeft gegeven van ‘relevant and sufficient reasons’ die de inbreuk op verzoekers mensenrechten zouden rechtvaardigen.
135.
Aldus geven zijn oordelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Althans heeft het zijn arrest op deze punten niet toereikend gemotiveerd.
136.
Mitsdien kan het arrest niet in stand blijven.
Middel 2
Het recht (waaronder de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 19 en 21 IVBPR) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste en/of onbegrijpelijke althans ontoereikend gemotiveerde gronden heeft verworpen het verweer dat in verzoekers geval artikel 11 van de Wet openbare manifestaties buiten toepassing dient te blijven omdat verzoekers arrestatie en politiedetentie en/of strafrechtelijke vervolging een niet-noodzakelijke, althans disproportionele inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM vormen en verzoeker mitsdien dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, althans doordat het hof verzoeker een bestraffende sanctie heeft opgelegd.
Toelichting
1.
Verzoekers raadsman heeft aangevoerd dat in verzoekers geval artikel 11 van de Wet openbare manifestaties buiten toepassing dient te blijven en verzoeker dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de jegens hem naar aanleiding van de demonstratie van 24 mei 2020 genomen maatregelen afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien een inbreuk maken op de artikelen 10 en 11 van het EVRM. Het verweer dienaangaande luidt als volgt:
- ‘44.
Cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de jegens hem in verband met de demonstratie van 24 mei 2021 [bedoeld zal zijn: 2020, WHJ] genomen maatregelen afzonderlijk althans in samenhang bezien een inbreuk vormen op de artikelen 10/11 EVRM.
- 45.
Ook maatregelen, die door de autoriteiten worden genomen na een act of assembly leiden tot de vaststelling dat inmenging plaatsvindt met artikel 10 of artikel 11 EVRM en dat daardoor deze verdragsbepalingen worden geschonden.
- 46.
Het EHRM onderscheidt volgens zijn rechtspraak onder meer de volgende — op zichzelf staande — maatregelen als beperkingen van de vrijheden als bedoeld in de artikelen 10 en 11 EVRM:
- —
de verwijdering van een demonstrant van een bepaalde locatie.
- —
de arrestatie van een demonstrant.
- —
de (aansluitende) detentie van een demonstrant in het politiebureau.
- —
de strafrechtelijke vervolging van een demonstrant.
- —
het aan de demonstrant opleggen van bestraffende maatregelen.
- 47.
Cliënt is door de autoriteiten verwijderd van de Dam. Daarmee had kunnen worden volstaan. Zijn arrestatie en politiedetentie (liefst vijf uur en 48 min) vormen een niet-noodzakelijke, althans disproportionele inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM. Althans geldt dat voor deze maatregelen in combinatie met cliënts verdere strafrechtelijke vervolging. Althans voor het daarbij opleggen van een strafrechtelijke sanctie.
- 48.
Daarom is in dit geval toepassing van artikel 11 Worn in strijd met de artikelen 10/11 EVRM en dient deze bepaling op grond van artikel 94 Grondwet buiten toepassing te blijven.’
2.
Daaraan voorafgaand heeft de raadsman aangevoerd:
- ‘30.
Het tenlastegelegde voorschrift en de tenlastegelegde beperking c.q. de uitvoering daarvan hebben inbreuk gemaakt op cliënts vrijheid van expressie en vrijheid van vreedzame vergadering. Ook daarom kan het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet Openbare Manifestaties’ niet worden bewezen. Althans dient wegens schending van de artikelen 19/21 IVBPR en 10/11 EVRM een ontslag van alle rechtsvervolging te worden uitgesproken.
- 31.
Buiten kijf staat dat de bijeenkomst van 24 mei 2020 zoals cliënt die aankondigde een voorgenomen vreedzame demonstratie betrof en dat de bijeenkomst van 24 mei 2020 ook daadwerkelijk vreedzaam was.
- 32.
‘Vreedzaam’ in dit verband omvat ‘conduct that may annoy or give offence, and even conduct that temporarily hinders, impedes or obstruct the activities of third parties.’ Pas bij gewelddadig gedrag of gewelddadige intenties, wordt volgens het EHRM een grens gesteld.
- 33.
De vrijheid van demonstratie wordt door het EVRM en het IVBPR beschermd door de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 19 en 21 IVBPR, de vrijheid van expressie en vrijheid van vreedzame vergadering.
- 34.
Het EHRM hanteert het uitgangspunt dat de vergadervrijheid, het recht op ‘peaceful assembly’, moet worden beschouwd als een van de fundamenten van een democratische samenleving. Meermaals heeft het EHRM overwogen dat ook spontane, niet-aangekondigde demonstraties onder de bescherming van het EVRM vallen. Bijvoorbeeld in een zaak tegen de Russische politicus Navalnyy.
- 35.
(…) (I)n verscheidene uitspraken heeft het EHRM overwogen dat wanneer ‘irregular demonstrators’ vreedzaam betogen, van de autoriteiten tolerantie wordt verlangd ‘if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance’.
- 36.
Het EHRM oordeelde ook dat een demonstratie, die spontaan wordt gehouden buiten een bij de autoriteiten aangemelde demonstratie, ook onder het recht op ‘peaceful assembly’ valt. De vordering van de politie aan de demonstranten om uiteen te gaan vormde aldus het EHRM een schending van het recht op ‘peaceful assembly’, omdat de demonstratie vreedzaam was.
- 37.
De vergader- c.q. demonstratievrijheid is ondertussen niet absoluut. Ook niet als het gaat om vreedzame demonstraties. Aan de vrijheid mogen de autoriteiten beperkingen stellen. Op grond van artikel 10 lid 2 EVRM en artikel 11 lid 2 EVRM worden echter wel strikte eisen gesteld aan die beperkingen. Die dienen ‘prescribed by law’ en ‘necessary’ te zijn. Om aan die laatstgenoemde eis te voldoen dient voor zo'n inbreuk een ‘pressing social need’ te bestaan. Ook dienen de beperkingen proportioneel te zijn ten opzichte van de in voornoemde verdragsbepalingen genoemde doelcriteria. Tot slot eist het EHRM dat de beperkende maatregelen rusten op ‘relevant and sufficient reasons’.
- 38.
Op geen enkele wijze blijkt dat ten aanzien van de aangekondigde demonstratie of de daadwerkelijk op 24 mei 2020 gehouden demonstratie sprake was van geweld, gewelddadige intenties, een intentie tot het plegen van wanordelijkheden of het zoeken van confrontaties met een ‘hostile audience’. Zelfs blijkt niet dat op 24 mei 2021 een ‘hostile audience’ op de Dam aanwezig was. Niet blijkt in het bijzonder dat sprake was van een concrete, zich op 24 mei 2021 te verwezenlijken of verwezenlijkte grond tot het stellen van beperkingen zoals bedoeld in artikel 2 Wom.
- 39.
Ook in het besluit van 1 februari 2019 wordt niet gesteld dat cliënt niet (telkens) vreedzaam demonstreert. Wat in die brief met ‘onaanvaardbaar’ wordt bedoeld, maakt de brief niet duidelijk. Hier herhaal ik de argumenten als hierboven aangevoerd in kantlijnnummer 29.
- 40.
Gezien al deze omstandigheden zijn de voorafgaand aan 24 mei 2021 opgelegde beperkingen/voorschriften niet ‘necessary’ in de zin van de artikelen 10 en 11 EVRM en/of disproportioneel, althans berusten deze niet op ‘relevant and sufficient reasons.’ Dat geldt ook voor het daadwerkelijk gevolg geven aan de vooraf gestelde beperkingen/voorschriften.
- 41.
De burgemeester had de situatie om 13.00 uur kunnen en moeten beoordelen en toen moeten beslissen of demonstratie niet alsnog had moeten doorgaan. Daarvan is niets gebleken.’
3.
Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe onder ‘Strafbaarheid van de verdachte’ het volgende overwogen:
‘De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De arrestatie en politiedetentie vormen een niet-noodzakelijke, althans disproportionele inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM.
Het hof verenigt zich niet met het standpunt van de raadsman en overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verdachte tweemaal is gevorderd de Dam te verlaten. De verdachte heeft hier vervolgens telkens geen gehoor aan gegeven. Dat de verbalisanten de verdachte daarop hebben gearresteerd, acht het hof geen disproportionele inbreuk op het betogingsrecht van de verdachte. Uit de bespreking van de verweren tegen de besluiten vloeit voort dat de daarbij gegeven beperking van de grondrechten van de verdachte de toets aan de artikelen 10 en 11 EVRM kan doorstaan. Toen bleek dat de verdachte zich aan die beperking niet hield, was zijn arrestatie een noodzakelijk en proportioneel middel.
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.’
4.
Voorts heeft het hof verzoeker een taakstraf voor de duur van 20 uur opgelegd, indien niet naar behoren verricht te vervangen door tien dagen hechtenis. Daartoe heeft het als volgt overwogen:
‘De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Worn. Ondanks dat hij wist dat een pro-Palestina demonstratie niet was toegestaan in de oneven weken op zondag op de Dam, en dat de kennisgeving van zijn voorgenomen demonstratie bij besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio was verboden op de Dam en verwezen naar het Museumplein, heeft de verdachte op 24 mei 2020 gedemonstreerd op de Dam. Toen hem is gevorderd de demonstratie te beëindigen en zich te begeven naar het Museumplein, weigerde hij. De verdachte heeft daarmee kenbaar gemaakt geen gehoor te geven aan regels en besluiten van het bevoegde gezag. Het hof acht in beginsel een geldboete passend en geboden. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn beperkte financiële draagkracht, acht het hof echter raadzaam om een taakstraf op te leggen.’
Eerste deelklacht
5.
Het hof heeft het verweer, strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging, op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden verworpen.
6.
Het in middel 1 uiteengezette juridische kader is ook ter zake dit middel van belang (zie middel 1, kantlijnnummers 8 tot en met 77)
7.
Het hof heeft in zijn arrest een aantal door de raadsman aangevoerde feiten en omstandigheden niet weersproken:
- —
24 mei 2020 was de tijd van de eerste lockdown in verband met de covid 19-pandemie. Er bevonden zich toen heel weinig mensen op straat;
- —
niet is gebleken dat ten aanzien van de door verzoeker aangekondigde demonstratie en/of de daadwerkelijk op 24 mei 2020 gehouden demonstratie ten aanzien van verzoeker als organisator dan wel diens mededemonstranten sprake was van gewelddadige intenties en het plegen van geweld. Ook is ten aanzien van deze personen niet gebleken van intenties tot het begaan van wanordelijkheden of het zoeken van confrontaties met enig ‘hostile audience’ of andere personen;
- —
niet is gebleken dat op 24 mei 2020 op de Dam ten tijde van cliënts betoging een ‘hostile audience’ c.q. een pro-Israëlbetoging aanwezig was;
- —
niet is gebleken dat sprake was van een concrete, zich op 24 mei 2021 verwezenlijkte grond tot het stellen van beperkingen zoals bedoeld in artikel 2 Wet openbare manifestaties.
Uitgangspunten bij de beoordeling van het verweer
8.
Ter zake de beoordeling van het gevoerde verweer had het hof de volgende uitgangspunten dienen te hanteren. Daarvan heeft het ten onrechte geen blijk gegeven.
9.
Indien in strijd met vooraf gestelde administratieve voorschriften een betoging wordt gehouden, betekent dat niet dat de tegen die betoging genomen maatregelen niet onderworpen zijn aan de eisen die de artikelen 10 en 11 EVRM stellen.
10.
Ook in het geval van een ‘unlawful assembly’ c.q. een ‘unlawful situation’ moeten de autoriteiten tolerantie betrachten en dient de te nemen maatregelen jegens de demonstratie te worden beoordeeld op verenigbaarheid met de artikelen 10 en 11 EVRM. Dat blijkt uit onder meer de zaken EHRM Frumkin tegen Rusland en Laguna Guzman tegen Spanje. De te betrachten mate van tolerantie dient te worden getoetst aan de omstandigheden van het geval, waaronder de duur en mate van de daardoor veroorzaakte wanorde en of de deelnemers voldoende gelegenheid is geboden om hun mening te verkondigen.
11.
Een doelstelling van de vrijheid van vergadering is het waarborgen van en forum voor publiek debat en het openlijk uiten van protest. ‘Part of the very essence of freedom of assembly’ is het privilege van de organisator van een samenkomst om te beslissen welke de locatie het meest geschikt is voor haar doel. De vrijheid van vreedzame vergadering als gegarandeerd in artikel 11 EVRM omvat tevens het recht het tijdstip van de samenkomst te kiezen.
12.
Artikel 11 EVRM omvat tevens het recht op tegendemonstratie. De Staat dient een tegendemonstratie in beginsel mogelijk te maken ‘within sight and sound’ van de demonstratie waartegen deze is gericht. De Staat heeft, mede in verband hiermee, als ‘ultimate guarantor of the principles of pluralism, tolerance and broadmindedness’, de positieve verplichting ervoor zorg te dragen dat zowel een demonstratie als een daartegen gerichte demonstratie op dezelfde tijd en locatie te laten plaatsvinden. Daartoe zijn de autoriteiten gehouden zo nodig zorg te dragen voor een toereikende inzet van politie ter voorkoming van wanordelijkheden. Eerst in het uitzonderlijke geval van bestuurlijke overmacht zijn de autoriteiten van die verplichting ontheven. Een ‘unspecified risk of violence’ rechtvaardigt niet ‘the exceptional case where the State is manifestly unable to protect the participants from a severe threat to their safety’.
Kern van 's hofs verwerping van het verweer
13.
's Hofs verwerping van het verweer komt er in de kern op neer dat verzoeker zonder meer gehouden was aan de vordering te voldoen. Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover immers het hof als uitgangspunt van zijn beslissing heeft genomen dat ter zake verzoekers betoging op 24 mei 2020 sprake was van een ‘unlawful sitiation’, onthief die omstandigheid het hof niet van zijn verplichting tot ‘strict scrutiny’ van de vraag of een legitiem doel bestond tot het treffen van beperkende maatregelen en van de vraag of de door de autoriteiten getroffen beperkende maatregelen ‘necessary’ zoals bedoeld in de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM waren. Dit klemt temeer nu de door verzoeker aangemelde demonstratie niet door de voorzitter van de Veiligheidsregio op haar merites is beoordeeld en de vorderingen om de Dam te verlaten uitsluitend waren gebaseerd op de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 die, zoals in het vorige middel betoogd, door het hof niet rechtmatig konden worden bevonden.
14.
Het hof heeft (in reactie op het verweer) niet voldaan aan het vereiste ‘sufficient and relevant reasons’ op te geven voor zijn beslissing.
15.
Reeds gelet op de vorengenoemde redenen is 's hofs beslissing in strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM en/of niet toereikend gemotiveerd.
Vraag of een legitiem doel voor beperkingen kon worden aangenomen
16.
17.
Hier zij vooropgesteld dat het hof ter zake de bijeenkomst op de Dam op 24 mei 2020 niet heeft vastgesteld dat verzoeker en diens mededemonstranten zich niet vreedzaam gedroegen. Dat betekent dat verzoeker ter zake deze bijeenkomst de bescherming genoot van artikel 11 EVRM en artikel 21 IVBPR.
18.
Het hof heeft niet vastgesteld dat ter zake van de bijeenkomst op de Dam op 24 mei 2020 dat sprake was van de noodzaak deze op de Dam te beperken op grond van bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
19.
Het beeld van verzoekers zaak is dat van een lege stad tijdens de eerste volledige lockdown van Nederland in coronatijd, terwijl een handjevol demonstranten de (tevens lege) Dam betreedt voor het houden van een vreedzame demonstratie. Uit het besluit van 21 mei 2020 is niet gebleken dat de autoriteiten het verzoeker niet hebben toegestaan om op 24 mei 2020 op de Dam te demonstreren omdat een pro-Israëldemonstratie was aangemeld.
20.
Aldus is het onbegrijpelijk dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat een legitiem doel bestond voor het beperken van verzoekers rechten als bedoeld in de artikelen 10 en 11 EVRM. Althans is 's hofs arrest in verband hiermee niet toereikend gemotiveerd. Dat klemt temeer omdat verzoeker zijn mening uitte over een onderwerp dat gekwalificeerd dient te worden als een ‘serious matter of public interest’, zodat zwaarwegende gronden waren vereist die te beperken. Het hof heeft blijkens zijn overwegingen dergelijke gronden niet vastgesteld, zodat het ten onrechte (impliciet) heeft geoordeeld dat tot een beperking van verzoekers vrijheid van expressie een legitiem doel bestond.
‘Necessity-test’
21.
Ten aanzien van de ‘necessity-test’ die van het hof werd verlangd, dient vooropgesteld te worden dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat verzoeker tijdens de demonstratie van 24 mei 2020 enige ‘reprehensible’ gedraging heeft begaan of dat die demonstratie een bovenmatige ‘disruption to ordinary life’ inhield of veroorzaakte.
Verzoekers arrestatie
22.
Het hof heeft verzoekers arrestatie niet onrechtmatig geoordeeld. Daartoe heeft het overwogen dat verzoeker ter plaatste niet voldeed aan twee vorderingen om de Dam te verlaten. Aldus heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd. Ten eerste heeft het blijkens zijn oordeel uitsluitend acht geslagen op de perceptie van de politie ter plaatse en de rechtmatigheid van verzoekers aanhouding uitsluitend beoordeeld naar aanleiding van de vraag of jegens verzoeker ten tijde van diens aanhouding een redelijk vermoeden van schuld kon worden aangenomen. In het licht van de eisen die de artikelen 10 en 11 EVRM aan de beoordeling van de rechtmatigheid van beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering, alsook in het licht van de rechtspraak van het EHRM, had het hof evenwel moeten beoordelen of verzoekers arrestatie achteraf bezien ‘necessary’ c.q. proportioneel kan worden geoordeeld ter beperking van diens mensenrechten. Daarvan heeft het hof geen blijk gegeven.
23.
Voor zover verzoekers door middel van arrestatie bewerkstelligde verwijdering van de Dam werd ingegeven doordat de autoriteiten die middag een pro-Israëldemonstratie verwachtten, kan deze niet ‘necessary’ worden geoordeeld omdat voor die verwijdering een ‘pressing social need’ ontbrak. Daarbij dient vooropgesteld te worden dat de verwachting, dat een pro-Israëldemonstratie zou worden gehouden, niet is gesteld of gebleken. Voor zover evenwel die verwachting een rol speelt, geldt dat de autoriteiten de positieve verplichting hadden ervoor zorg te dragen dat beide demonstraties tegelijkertijd beide op de Dam, en ‘within sight and sound’ van elkaar, konden plaatsvinden. Zo nodig met adequate politie-inzet. In dit verband is relevant dat het hof niet heeft vastgesteld of uit het dossier heeft kunnen afleiden dat aan de zijde van de autoriteiten sprake was van bestuurlijke overmacht.
24.
In verband hiermee had het hof betekenis had moeten toekennen aan het gegeven dat op 17 mei 2020 een pro-Israëlbetoging op de Dam heeft plaatsgevonden, ten aanzien waarvan niet is vastgesteld dat de autoriteiten die onmiddellijk hebben beëindigd, in het bijzonder niet wegens een mogelijk nog te verwachten pro-Palestinademonstratie.
25.
Doch zelfs indien zou kunnen worden aangenomen dat van bestuurlijke overmacht sprake was, dan kan verzoekers arrestatie daarmee in het licht van de eisen die de artikelen 10 en 11 EVRM stellen niet worden gerechtvaardigd. Het hof heeft niet uitgelegd waarom in dat geval de enkele verwijdering van verzoeker van de Dam niet een maatregel was om op toereikende wijze aan een legitiem doel (aangenomen moet dan worden: het voorkomen van wanordelijkheden) tegemoet te komen.
26.
's Hofs arrest geeft ook in dit licht blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is het arrest om deze redenen niet toereikende gemotiveerd.
Verzoekers detentie in het politiebureau en diens strafrechtelijke vervolging
27.
Namens verzoeker is aangevoerd dat naast verzoekers arrestatie zijn politiedetentie van vijf uur en 48 minuten en diens verdere strafrechtelijke vervolging niet-noodzakelijke en disproportionele inbreuken op zijn demonstratievrijheid c.q. de artikelen 10 en 11 EVRM vormden. Het hof heeft op die standpunten niet gereageerd. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt echter dat detentie in het politiebureau of een strafrechtelijke vervolging (ongeacht of die leidt tot een veroordeling) naar aanleiding van een demonstratie zelfstandige gronden kunnen vormen die tot het oordeel moeten leiden dat artikel 10 en/of 11 EVRM is geschonden. Aldus heeft het hof ook gezien deze omstandigheden blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
Tweede deelklacht
28.
Het hof verzoeker ten onrechte althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerd gronden een strafrechtelijke sanctie opgelegd.
29.
Namens verzoeker is aangevoerd dat naast verzoekers arrestatie, zijn politiedetentie van vijf uur en 48 minuten en diens verdere strafrechtelijke vervolging een strafrechtelijke sanctionering een niet-noodzakelijke en disproportionele inbreuk vormt op zijn demonstratievrijheid c.q. de artikelen 10 en 11 EVRM. Het hof heeft op dat standpunt niet gereageerd.
30.
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt echter dat een strafrechtelijke sanctionering naar aanleiding van een demonstratie een zelfstandige grond kan vormen voor het oordeel dat artikel 10 en/of 11 EVRM is geschonden.
31.
Aldus heeft het hof gezien deze omstandigheden blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
32.
Dat klemt temeer gezien het volgende.
33.
In het vorenstaande is reeds betoogd dat de demonstratie van 24 mei 2020 een vreedzame vergadering betrof en dat het hof ten aanzien verzoeker in het kader daarvan niet enige ‘reprehensible’gedraging heeft kunnen vaststellen, alsook dat het hof niet heeft kunnen vasatstellen dat is gebleken van een bovenmatige ‘disruption to ordinary life’, veroorzaakt door die demonstratie.
34.
Uit 's hofs arrest moet worden afgeleid dat verzoeker schuldig is bevonden aan een strafbaar feit en daarvoor bestraft is enkel op de grond dat hij in de publieke ruimte een vreedzame demonstratie hield.
35.
Een taakstraf van 20 uur kan niet een relatief lage sanctie worden genoemd.
36.
Uit de rechtspraak van het EHRM hebben Roorda, Brouwer en Schilder afgeleid dat een strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten is in beginsel niet toegestaan.
37.
Om deze redenen heeft het hof, door verzoeker strafrechtelijk te sanctioneren, blijkt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is — mede in het licht van het standpunt van de verdediging — de strafoplegging niet toereikend gemotiveerd.
38.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 26 maart 2023,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑03‑2023
Zie bijv. EHRM [GC] 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a. (Navalnyy t. Rusland): ‘According to its settled case-law, a complaint about one's arrest in the context of a demonstration falls to be examined under Article 11 of the Convention on the basis that Article 10 is to be regarded as a lex generalis in relation to Article 11, which is a lex specialis (…)’, EHRM 10 juli 2012, nr. 34202/06 (Berladir t. Rusland): ‘The Court considers that it is appropriate to examine this case under Article 11 of the Convention, in the light of Article 10’ en EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others t. Georgië): ‘The Court notes at the outset that in relation to the same facts the applicants relied on two separate Convention provisions: Article 10 and Article 11 of the Convention. It further notes that it has already considered a number of cases where protests took place on either private or State property under Article 10 of the Convention, read in the light of Article 11 (…).’
HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2126.
Zie artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht.
Vgl. T&C Awb, aant. 1 ad artikel 3:46 Awb.
Kamerstukken II, 1988–1989, 21 221, nr. 3, p. 108 (artikel 3:46 luidt in deze toelichting artikel 4.1.4.2).
EHRM 6 oktober 2022, nrs. 69483/13, 76319/13 en 30456/14 (Mustafa Hajili and Others t. Azerbeidjan).
EHRM 6 oktober 2022, nrs. 69483/13, 76319/13 en 30456/14 (Mustafa Hajili and Others t. Azerbeidjan) en EHRM 23 oktober 2008, 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland).
‘Furthermore, the Court reiterates that in order to comply with the requirement of proportionality and to strike a fair balance between the competing interests at stake the authorities normally should, inter alia, consider less intrusive measures before refusing to authorise an assembly.’ Vgl. EHRM 6 oktober 2022, nrs. 69483/13, 76319/13 en 30456/14 (Mustafa Hajili and Others t. Azerbeidjan)
EHRM 17 juli 2007, nr. 25691/04 (Bukta and Others t. Hongarije).
EHRM 10 juli 2012, 34202/06 (Berladir and Others t. Rusland). Zie bijv, ook EHRM 27 januari 2009, nr. 16999/04 (Samüt Karabulut t. Turkije). Het betrof hier het niet voldoen aan een aanmeldingsvereiste.
VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37(2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 16.
EHRM 5 januari 2016, nr. 74568/12 (Frumkin t. Rusland). Ook bijv.: EHRM 4 december 2014, nr. 76204/11 (Navalnyy and Yashin t. Rusland), EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse t. Frankrijk).
EHRM 6 januari 2021, nr. 41462/17 (Laguna Guzman t. Spanje). Ook uit bijvoorbeeld de zaken Oya Ataman tegen Turkije en Balçik and Others tegen Turkije blijkt iets over de mate van de tolerantie die hier wordt verlangd. In beide zaken ging het om een demonstratie op een druk tijdstip van de dag, waarbij potentieel het verkeer werd ontwricht of een tramlijn werd geblokkeerd. Telkens kwam het niet zover en werd de demonstratie na een half uur beëindigd. Het EHRM oordeelde in beide zaken dat artikel 11 EVRM was geschonden. De overwegingen in Oya Ataman luiden: ‘(T)here is no evidence to suggest that the group in question represented a danger to public order, apart from possibly disrupting traffic. There were at most fifty people, who wished to draw attention to a topical issue. The Court observes that the rally began at about 12 noon and ended with the group's arrest within half an hour. It is particularly struck by the authorities’ impatience in seeking to end the demonstration (…).’ Aan dit alles deed volgens de overwegingen van het EHRM niet af dat de demonstratie niet was aangemeld en dat zo'n kennisgeving vooraf de autoriteiten in staat zou hebben gesteld maatregelen te nemen tot minimaliseren van verkeersoverlast. Ook niet dat ‘the group of demonstrators was informed a number of times that their march was unlawful and would disrupt public order at a busy time of day, and had been ordered to disperse.’ Zie EHRM 5 december 2006, nr. 74552/01 (Oya Ataman t. Turkije). Vgl. ook EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik t. Turkije).
EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen), EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan t. Armenië), ECRM 10 oktober 1979, nr. 8191/78 (Rassemblement Jurassien Unité Jurassienne t. Zwitersland), EHRM 18 juni 2013, nr. 8029/07 (Gün and Others t. Turkije); EHRM 27 juni 2006, nr. 75569/01 (Cetinkaya t. Turkije), EHRM 5 december 2006, nr. 74552/01 (Oya Ataman t. Turkije), EHRM 21 oktober 2010, nr. 4916/07, 25924/08 en 14599/09 (Alekseyev t. Rusland), ECRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Fascism and Racism t. Verenigd Koninkrijk), EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland), ECRM 6 maart 1989, nr. 13079/87 (G. t. Duitsland), EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik t. Turkije) en EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse t. Frankrijk).
‘As a general principle, the Court nevertheless reiterates that any demonstration in a public place inevitably causes a certain level of disruption to ordinary life, including disruption of traffic, and that it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance.’ Bijv. EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
Guidelines van de OSCE/Venetiëcommissie, OSCE/ODIHR & Venetiëcommissie 2010, p. 15, zie ook EHRM 21 juni 1988, nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärtze für das Leben’t. Oostenrijk), alsook B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss. 2016, p. 22.
Bijv. EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others t. Georgië): ‘Article 11 of the Convention only protects the right to ‘peaceful assembly’, a notion which does not cover a demonstration where the organisers and participants have violent intentions. The guarantees of Article 11 therefore apply to all gatherings except those where the organisers and participants have such intentions, incite violence or otherwise reject the foundations of a democratic society.’ Zie ook bijv. EHRM 25 juli 2017, nr. 31475/10 (Annenkov and Others t. Rusland) en EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taranenko t. Rusland). In EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02 e.a. (Nurettin Aldemir and Others t. Turkije) werd overwogen: ‘(W)here demonstrators do not engage in acts of violence, it is important for public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings (…).’ Zie ook EHRM 15 december 2015, nr. 41479/10 (Budaházy t. Hongarije). In EHRM 25 juli 2017, nr. 31475/10 (Annenkov and Others t. Rusland) is overwogen: ‘The possibility of persons with violent intentions, not members of the organising association, joining a demonstration cannot as such take away that right (…).’
VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 15.
‘(T)he mere fact that acts of violence occur in the course of a gathering cannot, of itself, be sufficient to find that its organisers had violent intentions.’ Zie EHRM 6 oktober 2015, 30582/04 and 32152/04 (Karpyuk and Others t. Oekraïne).
Zie VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 4.
‘Even if there is a real risk that a public demonstration might result in disorder as a result of developments outside the control of those organising it, such a demonstration does not as such fall outside the scope of Article 11 § 1, and any restriction placed thereon must be in conformity with the terms of paragraph 2 of that provision (…).’ Zie EHRM 25 juli 2017, nr. 31475/10 (Annenkov and Others t. Rusland). Zie ook EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taranenko t. Rusland). Roorda, Brouwer en Schilder stellen dan ook in hun Evaluatie van de Wet openbare manifestaties vast dat aan een betoging niet de bescherming van artikel 11 EVRM ontvalt, als de kans groot is dat zij zal uitmonden in ongeregeldheden als gevolg van ontwikkelingen die buiten de organisatie om plaatsvinden. Zie B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Evaluatie Wet openbare manifestaties, 3 juli 2015, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, p. 19.
‘Any measures interfering with freedom of assembly and expression other than in cases of incitement to violence or rejection of democratic principles — however shocking and unacceptable certain views or words used may appear to the authorities — do a disservice to democracy and often even endanger it (…).’ Zie EHRM 24 juli 2012, nr. 40721/08 (Fáber t. Hongarije). Zie ook EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland) en EHRM 21 oktober 2010, nrs. 4916/07, 25924/08 en 14599/09 (Alekseyev t. Rusland).
EHRM 20 september 2018, nr. 23086/08 (Mushegh Saghatelyan t. Armenië), EHRM 2 februari 2010, nr. 25196/04 (Christian Democratic People's Party t. Moldavië no. 2).
EHRM 20 september 2018, nr. 23086/08 (Mushegh Saghatelyan t. Armenië).
Vgl. EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse t. Frankrijk), nr. 37 en EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen), nr. 93. In laatstgenoemde zaak was wel sprake van confrontaties en dreiging met ‘physical force’: ‘At around 11.40 a.m. the lorry drivers approached the farmers. They demanded an end to the roadblocks, under threat of physical force. The police urged the parties to the conflict to calm down and to wait for the outcome of the negotiations between the farmers and the Prime Minister. According to the Government, the farmers and the lorry drivers had a few arguments, but more serious confrontations were avoided.’
EHRM 8 maart 2022, nr. 10613/10 (Ekrem Can and Others t. Turkije). ‘Dat een persoon of groep zich eerder heeft schuldig gemaakt aan strafbare uitingen (…) mag op zich geen reden zijn om een demonstratie te verbieden: uitingen zijn slechts strafbaar achteraf.’ Zie noot van De Meij onder Vz. ABRvS 23 november 1979 (Ten Berge/Stroink), aangehaald in: B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss. 2016, p. 124.
B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss. 2016, p. 376. Roorda verwijst ter verdere onderbouwing naar de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 21 en naar J.P. Loof, De burgemeester en de demonstratievrijheid, 2007, Gst. 2007/104. In de evaluatie van de WOM voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit 2015 wordt hetzelfde standpunt ingenomen: B. Roorda, J. Brouwer en A.E. Schilder, evaluatie van de Wet openbare manifestaties voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2015, p. 227.
In het wetsvoorstel was artikel 5 nog artikel 4. Zie Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 19.
Zie Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 19.
EHRM 15 november 2018, nrs. 29580/12, 36847/12, 11252/13 (Navalnyy t. Rusland).
In zijn overzichtsrapport ‘Demonstreren: een schurend grondrecht?’ stelt de Nationale ombudsman zich op het standpunt dat wanneer demonstranten zich niet aanmelden, ook dan het uitgangspunt is dat de demonstratie onverkort gefaciliteerd wordt door de overheid. Zie Nationale ombudsman 2018/015, Demonstreren, een schurend grondrecht?, p. 19. Guidelines van de OSCE/Venetiëcommissie, OSCE/ODIHR & Venetiëcommissie 2010, p. 15, zie ook EHRM 21 juni 1988, nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärtze für das Leben’ t. Oostenrijk).
Zie European Commission for Democracy through Law (Venetië-commissie), Compilation of Venice Commission Opinions Concerning Freedom of Assembly, 1 juli 2014 (CDL-PI(2014)0003).
Strizhak t. Belarus (CCPR/C/124/D/2260/2013), Zie ook general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 22.
EHRM. februari 2017, nrs. 57818/09 e.a. (Lashmankin and Others t. Rusland). Zie ook EHRM 24 mei 2016, nrs. 37273/10 e.a (Süleyman Çelebi and Others t. Turkije).
EHRM 8 maart 2022, nr. 10613/10 (Ekrem Can and Others t. Turkije). Zie ook EHRM 27 november 2012, nr. 58050/08 (Sáska t. Hongarije).
EHRM 6 oktober 2022, nrs. 69483/13, 76319/13 en 30456/14 (Mustafa Hajili and Others t. Azerbeidjan) en EHRM 7 oktober 2008, nr. 10346/05 (Éva Molnár t. Hongarije), alsook bijv. EHRM 8 december 1999, nr. 23885/94 (Freedom and Democracy Party (ÖZDEP) t. Turkije).
EHRM 12 mei 2015, 73235/12 (Identoba and Others t. Georgië).
VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 18 en 52.
EHRM 21 juni 1988, nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärtze für das Leben’ t. Oostenrijk).
EHRM 24 juli 2012, nr. 40721/08 (Fáber t. Hongarije).
Bijv. EHRM 7 februari 2017, nrs. 57818/09 e.a. (Lashmankin and Others t. Rusland).
‘[The Court] consistently underlined the importance of the right to counter-demonstration, which could be held at the same time and venue with a demonstration (…).’ Zie EHRM 1 februari 2022, nr. 9157/08 (Manannikov t. Rusland). Zie ook EHRM 29 juni 2006, nr. 76900/01 (Öllinger t. Oostenrijk).
VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 26.
EHRM 24 juli 2012, nr. 40721/08 (Fáber t. Hongarije).
VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 52.
EHRM 29 juni 2006, nr. 76900/01 (Öllinger t. Oostenrijk).
EHRM 24 juli 2012, nr. 40721/08 (Fáber t. Hongarije).
Kamerstukken II 1985/86 19 427, nr. 3, p. 19–20. Zie ook J.P. Loof, De burgemeester en de demonstratievrijheid, Gemeentestem, 2007, p. 472.
Vgl. ABRvS 22 november 1985, AB 1986, 157. Er dient dus te worden voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zie ook noot A.E. Brouwer onder Rb. Noord-Holland 15 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:4711, AB 2015/369, B. Roorda, Wet openbare manifestaties, in: A.E.M. van den Berg, J.H.A. van der Grinten en A.E. Schilder (red.), Hoofdstukken openbare-orde echt, Nijmegen, 2015, p. 167 en B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss., 2016, p. 415 e.v.
VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 52. Zie ook Alekseev t. Rusland (CCPR/C/109/D/1873/2009) en Amelkovich t. Belarus (CCPR/C/125/D/2720/2016).
EHRM 12 mei 2015, 73235/12 (Identoba and Others t. Georgië). Zie ook EHRM 20 oktober 2005, nr. 74989/01 (Ouranio Toxo and Others t. Griekenland): ‘Lastly, the Court must examine whether the police sufficiently guaranteed the protection of the party's premises. In this connection it notes that they could reasonably have foreseen the danger that the tension would boil over into violence and clear violations of freedom of association. The day that the sign in question was put back, groups of people had gathered in front of the party headquarters shouting insults and threats at the applicants. The State should therefore have taken appropriate measures to prevent or, at least, contain the violence. However, the Court cannot but find that the public authorities failed to take the measures necessary in the circumstances of the case.’ In contrast hiermee: EHRM 21 juni 1988 (Plattform ‘Ärzte Für Das Leben’ t. Oostenrijk).
EHRM 24 juli 2012, nr. 40721/08 (Fáber t. Hongarije).
EHRM 10 juli 2012, 34202/06 (Berladir and Others t. Rusland). Zie ook EHRM 14 december 2006, nr. 29372/02 (Karman t. Rusland), EHRM 12 juli 2001, nr. 29032/95 (Feldek t. Slowakije) en EHRM 8 juli 1999, nr. 26682/95 (Sürek t. Turkije (no. 1)).
VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 48.
Zie Kamerstukken II 1985–1986,19 427, nr. 3, p. 18.
‘The sole existence of a legitimate aim for an interference with the freedom of expression is not sufficient to indicate the presence of a pressing social need for such interference’’. Vgl. o.m.: EHRM 28 maart 2013, nr. 14087/08 (Novaya Gazeta and Borodyanskiy t. Rusland), EHRM 29 juni 2004, nr. 64915/01 (Chauvy and Others t. Frankrijk) en EHRM 22 april 2010, nr. 40984/07 (Fatullayev t. Azerbeidzjan).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie-en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 114.
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times t. Verenigd Koninkrijk (nr. 1)). Zie ook bijv. EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) en A.J. Nieuwenhuis/M. den Heijer/A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, 2021, p. 116.
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times t. Verenigd Koninkrijk (nr. 1)). Gerards merkt op dat ‘in de praktijk’ deze factoren en de toetsing daarvan door elkaar lopen en licht dat als volgt toe: ‘Regelmatig overweegt het Hof bijvoorbeeld dat het bestaan van een ‘pressing social need’ een redelijke mate van proportionaliteit tussen doel en beperking vereist, ja nou ik terwijl deze vereisten in Sunday Times als afzonderlijke toetsingscriteria worden gepresenteerd. Op soortgelijke wijze blijkt de constatering dat een rechtvaardiging niet ‘sufficient’ is, vooral een conclusie te zijn die voortvloeit uit een integrale beoordeling van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de inmenging. Het Hof stelt dan vast dat de aangevoerde redenen wel relevant zijn, maar oordeelt dat deze niet zwaarwegend genoeg zijn om de inmenging van de vrijheid van meningsuiting te kunnen rechtvaardigen.’ Zie J.H. Gerards, in: SDU Commentaar EVRM, C.5.4.1.
Bijv. EHRM 18 januari 2001, nr. 24876/94, EHRM 4 december 2008, nrs. 30562/04 en 30566/04 (S. and Marper t. Verenigd Koninkrijk), EHRM 19 november 2019, nr. 58954/09 (Obote t. Rusland) en EHRM [GC] 30 juni 2015, nr. 41418/04 (Khoroshenko t. Rusland). Zie ook A.J. Nieuwenhuis/M. den Heijer/A.W. Hins, a.w., p. 113; J.H. Gerards, a.w., C.5.4.3 en J.H. Gerards, How to improve the necessity test of the European Court of Human Rights, International Journal of Constitutional Law, 2013, p. 467.
EHRM 23 oktober 2008, 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland).
Vgl. EHRM 29 juni 2006, nr. 76900/01 (Öllinger t. Oostenrijk)
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, 2021, a.w., p. 114. Zij verwijzen naar EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen) en EHRM 17 november 2009, nr. 26258/07, 26255/07 (Rai and Evans t. Verenigd Koninkrijk). In verband met de eis dat ‘relevant and sufficient reasons’ moeten bestaan voor de inmenging, stellen Nieuwenhuis e.a.: ‘De vraag of de inmenging proportioneel is, zal vrijwel steeds beantwoord dienen te worden door te onderzoeken of er relevante en voldoende redenen zijn voor de inmenging. Daarbij kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen. Het Hof toetst met andere woorden in concreto of er een billijke afweging is gemaakt.’ Zie A.J. Nieuwenhuis/M. den Heijer/A.W. Hins, a.w., p. 119.
‘The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during an act of assembly and those, such as punitive measures, taken afterwards (…).’ Bijv. EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) en EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
Bijv. EHRM 13 januari 2009, no. 31451/03 (Açik and Others t. Turkije).
Idem.
Bijv. EHRM 18 december 2007, nos. 32124/02 e.a. (Nurettin Aldemir and Others t. Turkije). Vgl. ook Tuskia and Others t. Georgië, waarin de demonstranten niet werden gearresteerd, gedetineerd en strafrechtelijk werden vervolgd en waarin het EHRM oordeelde dat de artikelen 10 en 11 EVRM niet waren geschonden: EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others t. Georgië).
Bijv. EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
UK Supreme Court 25 juni 2021, 2019/0106 (Director of Public Prosecutions v. Ziegler and others).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 89 en p. 116. Zij verwijzen naar EHRM 1 december 2011, nr. 8080/08, 8577/08 (Schwabe and M.G. t. Duitsland). Zie ook EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik and Others t. Turkije), EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02 e.a. (Aldemir and Others t. Turkije), EHRM 13 oktober 2020, nrs. 35880/14, 75926/17 (Zakharov and Varzhabetyan t. Rusland) en EHRM 10 november 2020, nr. 75186/12 (Navalnyy and Gunko t. Rusland).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder 2021, a.w., p. 115 (voetnoten weggelaten).
EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07 e.a. (Novikova and Others t. Rusland) en EHRM 3 mei 2022, 18079/15 (Bumbeş t. Roemenië). Zie uit laatstgenoemd arrest ook de volgende overweging: ‘(T)he Court notes that when dismissing the applicant's challenge against the police report and the fine imposed on him, the national courts did not assess the level of disturbance his actions had caused, if any.’
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder 2021, a.w., p. 115.
EHRM 3 mei 2022, 18079/15 (Bumbeş t. Roemenië).
‘In dat verband is mede van belang dat uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt dat het recht van vrijheid op vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een ‘reprehensible act’ pleegt tijdens de demonstratie.’ Zie HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.