NJB 2024/2459
Het door verdachte overtreden van een op grond van art. 5 lid 1 Wet openbare manifestaties (WOM) bepaalde demonstratiebeperking: vraag of de beperkingen gesteld aan de door de verdachte voorgenomen demonstratie pro-Palestina onrechtmatig zijn en of de strafbepaling van art. 11 WOM buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met de onder meer de rechten op vrijheid van meningsuiting en betoging in art. 10 en 11 EVRM. Omdat tegen een art. 5 WOM-besluit van een burgemeester een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, staat het de strafrechter bij een strafrechtelijke vervolging voor art. 11 WOM in beginsel niet vrij staat te onderzoeken of zo’n besluit van de burgemeester rechtmatig is. Wel moet de strafrechter in een geval als dit, waarin een verdachte wordt vervolgd in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, zich ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden als geheel – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Wanneer een strafrechtelijke veroordeling voor overtreding van art. 11 WOM – ook als daarbij zou worden volstaan met een lichte bestraffing of geen straf of maatregel zou worden opgelegd – in de concrete omstandigheden van het geval een ontoelaatbare inbreuk op de art. 10 en 11 EVRM vormt, brengt art. 94 Grondwet met zich dat art. 11 WOM buiten toepassing moet worden gelaten en zal ontslag van alle rechtsvervolging volgen. Onder verwijzing naar EHRM 7 februari 2017, nr. 57818/09 (Lashmankin/Rusland) gaat de Hoge Raad in op de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering waarbij in het bijzonder ook wordt ingegaan op het bepalen van de locatie en tijd van een demonstratie en het bestaan van een risico van botsingen met tegendemonstranten. In casu is de veroordeling van verdachte niet onverenigbaar met art. 10 en 11 EVRM en is de opgelegde straf (een taakstraf van twintig uren) proportioneel en is deze niet zo ingrijpend dat daarvan een “chilling effect” uitgaat.
HR 12-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1622
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12 november 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer, T.B. Trotman
- Zaaknummer
22/03695
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1622, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:620, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑06‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑03‑2023
- Wetingang
Essentie
Het door verdachte overtreden van een op grond van art. 5 lid 1 Wet openbare manifestaties (WOM) bepaalde demonstratiebeperking: vraag of de beperkingen gesteld aan de door de verdachte voorgenomen demonstratie pro-Palestina onrechtmatig zijn en of de strafbepaling van art. 11 WOM buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met de onder meer de rechten op vrijheid van meningsuiting en betoging in art. 10 en 11 EVRM. Omdat tegen een art. 5 WOM-besluit van een burgemeester een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, staat het de strafrechter ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.