Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.10.1
II.10.1 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598616:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
V.N. doc. E/CN.4/21, p. 27 (1 juli 1947). Zie anders Tophinke 2000, p. 47; Henrion 2005a, p. 40 die de onschuldpresumptie pas in het hierna te bespreken voorstel van Cassin tegenkwamen.
Winter 2006, p. 114-115; Sluga 2011, p. 110.
Verdoodt (1964, p. 131) ontleende een en ander aan direct contact met Cassin zelf (zie ook het dankwoord op p. 15).
V.N. doc. E/CN.4/21, annex D, p. 53 (1 juli 1947).
Geciteerd door Weissbrodt 2001, p. 17-18 onder verwijzing naar V.N. doc. E/CN.4/ AC.2/SR/4, p. 7 (8 december 1947).
Cassin wilde vermijden dat naast mensenrechtelijke principes zelf ook de toepassing van die principes in een UVRM zou worden opgenomen. Hieruit en eruit dat parallel werd vergaderd over de opstelling van een verdrag met meer specifieke rechtsvoorzieningen, concludeert Henrion (2005a, p. 40) dat Cassin de onschuldpresumptie zag als een primair en abstract rechtsprincipe en niet als detailuitwerking van het recht op een eerlijk proces.
Vgl. Köster 1979, p. 115. Tegelijkertijd kwam de expliciete koppeling aan het recht op een eerlijk proces ook in het Franse recht en de DDHC niet voor, zie Tophinke 2000, p. 48.
Art. 11 lid 1 UVRM luidt: “Everyone charged with a penal offence has the right to be presumed innocent until proved guilty according to law in a public trial at which he has had all the guarantees necessary for his defence.”
Opvallend is dat de Franse versie van de bewerking in beide opzichten dichterbij het voorstel van Cassin bleef: “Tout accusé est présumé innocent jusqu’à ce que sa culpabilité ait été prouvée et déclarée. Nul ne sera condamné ou puni pour un crime ou autre infraction pénale si ce n’est à la suite d’un procès public où il aura joui des garanties nécessaires à sa défense”, geciteerd uit Verdoodt 1964, p. 133.
Zie daarover nader § IV.2.4.
V.N. doc. E/CN.4/SR.55, p. 13 (2 juni 1948). Vgl. ook Weissbrodt 2001, p. 20.
Zie anders: Trechsel 2005, p. 154. Ten onrechte leidt hij uit de Engelse vertaling van het tweede voorstel van Cassin af dat Cassin juist een art. 6 lid 2 zonder criminal charge-eis voorstond.
V.N. doc. E/CN.4/SR.55, p. 13-14 (2 juni 1948).
Zie daarover § VI.2.1; § IX.6.
Resolutie 3/217 A van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (10 december 1948), V.N. doc. A/RES/3/217 A, Trb. 1969, 99.
Zie over die invloed van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uitvoerig Hannum 1996; Myjer 2014.
De vernietigende uitwerking van twee Wereldoorlogen en de flagrante schending van de rechten van het individu tijdens vooral de laatste van de twee, vormden aanleiding voor de internationale gemeenschap om zich met de bescherming van de fundamentele rechten van het individu te gaan bemoeien. Het besef ontstond dat staatssoevereiniteit niet zaligmakend is en de humane behandeling van het individu niet altijd kan garanderen. Daarvoor was internationale samenwerking nodig. Een en ander leidde in 1945 tot oprichting van de VN en resulteerde in 1948 in de aanvaarding van de UVRM.1
Reeds bij de eerste bijeenkomst van de mensenrechtencommissie die was belast met de voorbereiding van een internationale mensenrechtenverklaring en een verdrag dat zou uitmonden in het IVBPR, deed het Verenigd Koninkrijk voorstellen voor een VN-resolutie, waarin ook de presumptie van onschuld was opgenomen: “[...] at all trials the rights of the defense are scrupulously respected, including the principle [...] that every man is presumed innocent until he is proved guilty.”2 Het verbaast niet, gelet op de uitleg van het principe in Anglo-Amerikaanse rechtsstelsels, dat de onschuldpresumptie in dat voorstel één van de verdedigingsrechten van de verdachte was die tijdens een strafproces moeten worden gerespecteerd.
In nadien geopperde voorstellen voor een mensenrechtencatalogus, een bill of rights, kwam de onschuldpresumptie aanvankelijk niet voor. Een tijdens de eerste bijeenkomst van de Mensenrechtencommissie gevormde werkgroep verzocht vervolgens de Franse jurist en latere winnaar van de Nobelprijs voor de vrede, René Cassin, een nieuw ontwerp voor een mensenrechtenverklaring op te stellen. Cassin was lid van de Franse Ligue des droits de l’homme die de Franse DDHC nog immer tot leidraad nam.3 Hij ontleende de onschuldpresumptie niet aan de door het Verenigd Koninkrijk voorgestelde resolutie, maar aan zijn eigen scholing in het Franse recht en aan artikel 9 van de DDHC.4
Een door Cassin voorgestelde UVRM-bepaling luidde:
“Every accused shall be presumed innocent until found guilty. No person may be punished except in pursuance of a judgment of an independent and impartial court of law, delivered after a fair and public trial, at which he has had a full hearing or has been legally summoned, and has been given all the guarantees necessary for his defence.”5
Deze bepaling werd op basis van commentaar van de Mensenrechtencommissie aangepast en hield daarna het volgende in:
“No one shall be held guilty until proved guilty and convicted. No one shall be convicted or punished for crime or any other offence except after public trial at which he has been given all guarantees necessary for his defence [...].”6
Het voorstel van Cassin wijkt in belangrijke mate af van het eerdere voorstel van het Verenigd Koninkrijk. De hiervoor beschreven afgescheiden ontwikkeling van de onschuldpresumptie op het Europese continent enerzijds en in het Angelsaksische recht anderzijds, verklaart dat. In het voorstel van Cassin is het vermoeden van onschuld een abstract, de relatie tussen staat en burger regulerend, beginsel.7 De onschuldpresumptie is voor hem niet één van de subrechten van het recht op een eerlijk proces, maar eerder een uitgangspunt dat geldt voorafgaand aan en gedurende dat proces. De onschuldpresumptie maakt een strafproces noodzakelijk om tot bestraffing te kunnen komen. Het heeft als het ware een dat proces funderende rol. Dat past bij de onschuldpresumptie als verbod op voorbarige punitiviteit, zoals begrepen door onder meer Beccaria en verwoord in artikel 9 DDHC. Zonder een proces kan immers de onschuldpresumptie niet aan de kant worden gezet en kan niet worden gestraft.8 Voor zover bekend, is bij de totstandkoming van de UVRM niet onder ogen gezien dat aan de verschillen in formulering van de relatie tussen onschuldpresumptie en eerlijk proces een wezenlijk verschil van inzicht over de inhoud van de onschuldpresumptie ten grondslag lag. Uiteindelijk zou worden gekozen voor een formulering waarin de onschuldpresumptie het eerlijk proces lijkt voor te schrijven en die derhalve aansluit op de interpretatie van de onschuldpresumptie als bejegeningsrecht.9
Tussen het voorstel van Cassin en de Engelse versie van de bewerking daarvan, zoals hiervoor beide geciteerd, doen zich nog twee andere relevante verschillen voor.10 Een eerste discrepantie behelst dat Cassin de verdachte voor onschuldig houdt (“every accused shall be presumed innocent until found guilty”) terwijl de bewerking verbiedt iemand voor schuldig te houden (“no one shall be held guilty”). Dit is een markant verschil, nu zich hiervoor al de vraag aandiende of een als bejegeningsrecht begrepen onschuldpresumptie iets anders of meer inhoudt dan een recht niet als schuldige te worden bejegend.11 Daarnaast weken de Franse en Engelse tekst lange tijd van elkaar af voor wat betreft het rechtssubject. Waar de Engelse versie handelde over No one en later over any person, had de Franse tekst het over tout accusé. De Britse afgevaardigde Wilson die op deze afwijking wees, meende dat “although the two texts were not quite identical, they had exactly the same meaning”.12 Cassin stond er echter op dat het woord accusé behouden zou blijven om te benadrukken dat het hier om strafrecht gaat.13 Om die reden werd – zonder dat een inhoudelijke wijziging werd gezien – het subject van de Engelse tekst everyone charged with a penal offence.14 Zoals hierna nog zal blijken is de daarmee gemaakte keuze – anders dan Wilson veronderstelde – van wezenlijk belang gebleken voor het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie in het verdragsrecht.15
Op 10 december 1948 nam de Algemene Vergadering van de VN de UVRM aan.16 De wereldwijde erkenning van de onschuldpresumptie is hoofdzakelijk te danken aan de opname ervan in artikel 11 lid 1 UVRM. De UVRM is cruciaal geweest voor de politieke, diplomatieke én juridische definitie van de mensenrechten.17 In dat laatste opzicht vooral indirect, doordat de vorming van het EVRM en het IVBPR goeddeels op de Universele Verklaring is geijkt.