Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/5.4.2
5.4.2 ‘Tort of deceit’: vereisten
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346101:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Winfield & Jolowicz 2014, p. 324.
Edgington v Fitzmaurice (1885) 29 Ch. D. 459, de overweging van rechter Bowen bij nr. 483.
Derry v Peek (1889) UKHL 1.
Zie Polhill v Walter (1832) 3 B & Ad. 114; Edgington v Fitzmaurice (1885) 29 Ch. D. 459 bij nr. 482; Brown Jenkinson & Co. Ltd V Percy Dalton (London) Ltd [1957] 2 Q.B. 621. Winfield & Jolowicz 2014, p. 329.
Winfield & Jolowicz 2014, p. 329.
Zie Downs v Chappell [1997] 1 W.L.R. 426.
Zie Dadourian Group International Inc v Simms (2009) EWCA Civ 169.
Zie J.E.B. Fasteners Ltd v Marks Bloom & Co [1983] 1 ALL E.R. 583 bij nr. 589 per rechter Stephenson.
Dit wordt de ‘no-transaction measure of recovery genoemd’, zie Poole 2007 (de inleiding). In East v Maurer [1991] 1 W.L.R. 461 werd bepaald dat de benadeelde ook recht heeft op vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de ‘loss of opportunity’ om zijn middelen rendabeler in te zetten.
Dit is uitgemaakt in Doyle v Olby (Ironmongers) Ptd [1969] 2 QB 158.
Smith New Court Securities Ltd v Scrimgeour Vickers (Asset Management) Ltd [1997] A.C. 254 bij nr. 279. Zie Clarkson & Keating 2014, p. 334.
Voor de ‘tort of deceit’ is in de eerste plaats vereist dat er een onjuiste voorstelling van feiten (of een feit) is gecreëerd (‘representation of fact’) door gedane uitspraken of het vertonen van bepaald gedrag.1 Een belofte of een uitspraak omtrent de intentie iets te doen in de toekomst, kan evengoed een ‘statement of fact’ opleveren , want zoals rechter Bowen reeds in 1885 opmerkte: ‘There must be a misstatement of an existing fact: but the state of a man’s mind is as much a fact as the state of his digestion’.2 Dit kan met name van belang zijn voor situaties waarin de bestuurder verklaart – of beter gezegd: de intentie uitspreekt – dat de vennootschap zal nakomen. De verklaring kan zowel schriftelijk als mondeling zijn gedaan. Als tweede vereiste geldt dat de spreker dient te hebben geweten dat de voorstelling van zaken die werd gegeven feitelijk onjuist is, waarbij voldoende is dat wordt aangetoond dat de spreker elk geloof in de juistheid van de informatie ontbeerde. In Derry v Peek bepaalde het House of Lords dat in geval van een oprechte overtuiging van de juistheid van de uitlatingen geen sprake kan zijn van ‘deceit’, hoe onzorgvuldig deze overtuiging ook tot stand is gekomen en hoezeer ook een redelijke grond voor die overtuiging heeft ontbroken.3 Hierbij werd wel opgemerkt dat een objectief gezien volstrekt onredelijk geloof in een bepaalde feitelijkheid wel als bewijs kan dienen voor het vaststellen van de vereiste wetenschap. In dezelfde uitspraak werd uitgemaakt dat het motief van de handelingen – zowel wat betreft dat van een nobele aard als dat van een bedrieglijk karakter – irrelevant is indien kennis van de onjuistheid van de informatie is komen vast te staan.
Een volgend vereiste voor de ‘tort of deceit’ is dat bij de persoon die de informatie verstrekt de intentie moet hebben bestaan dat de ontvanger van de informatie zijn handelen daarop baseert. Hierbij dient in het oog te worden gehouden dat de intentie geenszins behoeft te zijn gericht op het ontstaan van schade bij de ontvanger.4 Voldoende is dat hij wist dat de geadresseerde partij in vertrouwen op de verschafte informatie zou handelen.5 De door de wederpartij uiteindelijk geleden schade behoeft voor de vaststelling van de aansprakelijkheid derhalve niet voorzienbaar te zijn geweest.
Tot slot is nodig dat de benadeelde partij ook daadwerkelijk heeft gehandeld op basis van die informatie en daardoor schade heeft geleden.6 De beoordeling van de vraag of de benadeelde zijn handelen heeft gebaseerd op de verstrekte (onjuiste) informatie is een feitelijke vraag. Daarbij geldt het vermoeden dat de benadeelde door de verkregen informatie is bewogen tot het aangaan van de bewuste transactie indien van de voorgestelde stand van zaken het aannemelijk is dat een redelijk denkend persoon deze van belang zou achten bij de te nemen beslissing.7 Bovendien behoeft de onjuiste informatie niet de enige beweegreden te zijn geweest voor het sluiten van de transactie; voldoende is dat deze een substantieel onderdeel heeft uitgemaakt van de uiteindelijke afweging.8 De vergoedbare schade wordt, zoals in hoofdstuk 4 reeds werd aangegeven, bepaald door het verschil dat is opgetreden in de vermogenspositie van de benadeelde als gevolg van de onjuiste mededelingen.9 De benadeelde is daarbij gerechtigd tot herstel van de situatie waarin hij had verkeerd als de ‘deceit’ niet had plaatsgevonden en ook overigens is de aansprakelijke persoon gehouden alle directe schade die is ontstaan als gevolg van de ‘deceit’ te vergoeden.10 In uitzondering op de regel dat de omvang van de schadevergoeding bij ‘torts’ dient te worden bepaald aan de hand van de objectieve maatstaf van de ‘redelijke voorzienbaarheid’ van de opgetreden schade, kent de ‘tort of deceit’ deze beperking niet.11 Vergoed dient te worden alle daadwerkelijke schade die rechtstreeks voortvloeit uit het sluiten van de overeenkomst waartoe de benadeelde heeft besloten op basis van de onjuiste informatie.