Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
HR, 18-07-2025, nr. 24/01332 bis
ECLI:NL:HR:2025:1175
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-07-2025
- Zaaknummer
24/01332 bis
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1175, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:632
ECLI:NL:HR:2025:106, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑01‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:632
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑01‑2025
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025071804
NDFR Nieuws 2025/1166
FutD 2025-1474
NTFR 2025/1225 met annotatie van mr. R.C.H. Graves
V-N 2025/34.14 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2025/316 met annotatie van R. van den Berg
NLF 2025/1578 met annotatie van Nicoline Bergman
NDFR Nieuws 2025/135
Viditax (FutD) 2025012402
FutD 2025-0152
V-N 2025/6.24 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/245 met annotatie van mr. R.C.H. Graves
NLF 2025/0313 met annotatie van Nicoline Bergman
Belastingblad 2025/106 met annotatie van J.M.J.F. JANSEN
FED 2025/35 met annotatie van R.H. Kastelein
BNB 2025/44 met annotatie van E.B. PECHLER
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ; artikel 6:22 Awb; eindarrest na tussenarrest HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01332bis
Datum 18 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het HOOFD GEMEENTEBELASTINGEN KENNEMERLAND ZUID
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024, nr. 23/308, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.
1. De loop van het geding in cassatie tot dusver
1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106 (hierna: het arrest van 24 januari 2025), wordt verwezen naar dat arrest.
1.2
Bij het arrest van 24 januari 2025 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dat de Hoge Raad de zaak zal afdoen. De Hoge Raad heeft beslist dat aan belanghebbende alsnog een vergoeding van griffierecht en van proceskosten dient te worden toegekend voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank.
1.3
De Hoge Raad heeft bij het arrest van 24 januari 2025 verder beslist dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kennemerland Zuid zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad is nadien gebleken dat abusievelijk een onjuiste naam van de verwerende partij is vermeld. Dit wordt in dit arrest hersteld.
2. Nadere beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de beroepsprocedure en de hogerberoepsprocedure
2.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 1.2 is overwogen, dient het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid alsnog te worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij zal worden uitgegaan van (i) twee proceshandelingen in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, en één proceshandeling in hoger beroep (hogerberoepschrift) en daarmee dus van één punt, en (ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in beroep en hoger beroep.
2.2
Daarvan uitgaande stelt de Hoge Raad de vergoeding van de kosten van de procedures in beroep en in hoger beroep vast met inachtneming van de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest (€ 907).1.Dat komt neer op een vergoeding van € 1.814 voor het geding voor de Rechtbank en van € 907 voor het geding voor het Hof.
3. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
3.1
Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat haar geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
3.2
Belanghebbende heeft bij bericht van 24 februari 2025 van die gelegenheid gebruikgemaakt. Het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid heeft daarop schriftelijk gereageerd. Aangezien dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
3.3.1
Belanghebbende heeft in haar bericht van 24 februari 2025 met betrekking tot het derde kenmerk, zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, opgemerkt dat de gemachtigde tot dat moment negen uur en drie kwartier heeft besteed aan deze cassatieprocedure, en naar verwachting nog één uur en veertig minuten aan de procedure zal besteden. Dit komt neer op een totale tijdsbesteding van 685 minuten (dat is elf uur en vijfentwintig minuten). Uitgaande van een volgens belanghebbende te hanteren uurtarief van € 162,63, bedragen de in redelijkheid gemaakte kosten van rechtsbijstand in deze cassatieprocedure € 1.857,23, aldus belanghebbende. Gelet hierop is volgens belanghebbende het derde kenmerk, zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, niet aanwezig bij de gemachtigde. Daarom dient artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) niet te worden toegepast, aldus belanghebbende.
3.3.2
Belanghebbende heeft in haar bericht van 24 februari 2025 verder opgemerkt dat in deze cassatieprocedure bij haar gemachtigde de eerste twee kenmerken, zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, aanwezig zijn. Volgens belanghebbende werkt het kantoor van haar gemachtigde (hierna: de gemachtigde) op basis van het principe van ‘no cure, no pay’ (hierna: no cure no pay) en komen proceskostenvergoedingen, waaronder begrepen vergoedingen van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, volledig aan de gemachtigde toe. Belanghebbende voert echter aan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet enkel is gebaseerd op het principe no cure no pay en dat de gemachtigde ook andere diensten aanbiedt die niet op basis van het principe no cure no pay worden verricht. In het bedrijfsmodel van de gemachtigde komt volgens belanghebbende slechts 20 procent van de omzet voort uit een toegekende proceskostenvergoeding. Gelet op de diversiteit van de dienstverlening van de gemachtigde en de omstandigheid dat een aanzienlijk deel van de werkzaamheden van de gemachtigde niet op basis van het principe no cure no pay plaatsvindt, voldoet het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet aan de kenmerken zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, aldus belanghebbende.
3.4.1
Bij de beoordeling van de hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 bedoelde informatie stelt de Hoge Raad het volgende voorop.2.
3.4.2
In de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever met de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv)3.beoogde een einde te maken aan de overcompensatie die in geval van onverkorte toepassing van het Besluit optreedt bij het toekennen van proceskostenvergoedingen in het kader van procedures op het gebied van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet bpm).Onder verwijzing naar dit doel van de WHpkv heeft de Hoge Raad vervolgens in het arrest van 17 januari 2025 overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen (rechtsoverweging 3.5.1).Gevallen die kennelijk niet alle hiervoor bedoelde kenmerken hebben, moeten volgens het arrest van 17 januari 2025 in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van de leden 1 en 2 van artikel 19a van de Wet bpm en van de leden 1 en 2 vanartikel 30a van de Wet WOZ. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende (rechtsoverweging 3.5.2).
3.4.3
De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor in 3.4.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend.
3.4.4
Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.
3.4.5
Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor in 3.4.2 onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor in 3.4.2 onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft.
3.4.6
Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel geldt bovendien dat, indien een gemachtigde of diens kantoor verschillende bedrijfsonderdelen heeft waarvan slechts een deel een bedrijfsmodel heeft dat inhoudt dat in procedures wordt opgetreden op basis van no cure no pay, alleen dat deel van de dienstverlening in de beschouwingen moet worden betrokken.
3.4.7
Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet alle hiervoor in 3.4.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat dit bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft4., en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.
3.5.1
Met hetgeen belanghebbende aan nadere gegevens heeft verstrekt, is zij, gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is vooropgesteld, niet geslaagd in het leveren van bewijs waardoor buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat hier sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
3.5.2
Voor zover de door belanghebbende verstrekte gegevens zijn toegespitst op de kosten van deze cassatieprocedure – zie hiervoor in 3.3.1 – geven zij namelijk geen inzicht in het bedrijfsmodel van de gemachtigde. De Hoge Raad kan op basis van die gegevens, gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.4 is overwogen, niet beoordelen of het geval van belanghebbende kennelijk niet alle hiervoor in 3.4.2 vermelde drie kenmerken heeft.
3.5.3
Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet alleen is gebaseerd op het principe no cure no pay omdat de gemachtigde ook andere diensten aanbiedt die niet op basis van het principe no cure no pay worden verricht, geldt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.6 is overwogen, dat alleen het deel van de dienstverlening dat is gebaseerd op het principe no cure no pay, in de beschouwingen moet worden betrokken. Belanghebbende heeft geen gegevens verstrekt op grond waarvan kan worden beoordeeld of dit deel voldoet aan het hiervoor in 3.4.2 onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Ook daarom kan de Hoge Raad, gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.5 is overwogen, niet beoordelen of het geval van belanghebbende kennelijk niet alle hiervoor in 3.4.2 vermelde drie kenmerken heeft.
3.5.4
Bij deze stand van zaken is in cassatie niet komen vast te staan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 3.4.2 bedoeld. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van de WHpkv.
3.6
Bij die berekening gaat de Hoge Raad uit van(i) twee proceshandelingen (beroepschrift in cassatie en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken5.) en daarmee dus van 2,5 punt,(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en (iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd.Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 226,75.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de beslissing over de vergoeding van de proceskosten voor het beroep en het hoger beroep,
- draagt het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138,
- draagt het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 49,
- veroordeelt het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 226,75 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 907 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
Zie HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.6.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Vgl. HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, rechtsoverweging 3.5.1.
Vgl. punt 5 van onderdeel A1 van de bijlage bij het Besluit.
Uitspraak 24‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ; artikel 6:22 Awb; kan een (eventuele) schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb?; gevolgen vergoeding griffierecht en proceskostenvergoeding.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01332
Datum 24 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE KENNEMERLAND ZUID
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024, nr. 23/3081., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/6728) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Na het verstrijken van de voor de motivering van het beroep in cassatie gestelde termijn heeft belanghebbende een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Kennemerland Zuid (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij beschikking van 25 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 262.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
2.2
Bij haar daartegen gerichte bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht om toezending van het taxatieverslag, de grondstaffels, indexeringscijfers en de KOUDV- en liggingsfactoren van de woning en de vergelijkingsobjecten (hierna: de overige gegevens).
2.3
De heffingsambtenaar heeft het taxatieverslag naar belanghebbende gestuurd en belanghebbende voor de overige door haar gevraagde gegevens gewezen op het inzagerecht.
2.4
Belanghebbende heeft haar bezwaarschrift aangevuld en daarin het verzoek om toezending van de hiervoor in 2.2 genoemde overige gegevens herhaald. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
2.5
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar met het verstrekken van het taxatieverslag in de bezwaarfase aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft voldaan. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat, gelet op het door de heffingsambtenaar in beroep overgelegde taxatierapport, de waarde van de woning eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Met betrekking tot dit geschilpunt heeft het Hof geoordeeld dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
3.2.1
Voor het Hof heeft belanghebbende verder betoogd dat de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase kon volstaan met het verstrekken van het taxatieverslag.
3.2.2
Deze klacht slaagt volgens het Hof wel. De stukken van het geding laten geen andere slotsom toe dan dat belanghebbende aan de heffingsambtenaar een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de woning, aldus het Hof. Ook de omstandigheid dat die gegevens mogelijk voorafgaand aan het hoorgesprek wel ter inzage hebben gelegen, doet daaraan niet af. Volgens het Hof was de heffingsambtenaar daarom op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ gehouden te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om haar een afschrift van die gegevens te verstrekken, maar heeft hij aan deze verplichting niet voldaan.
3.2.3
Het Hof heeft voorts overwogen dat in een geval waarin wordt geoordeeld dat de waarde niet te hoog is vastgesteld maar wel sprake is van een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de rechter bevoegd is maar niet verplicht, om het bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Het Hof heeft geen aanleiding gezien om van die bevoegdheid gebruik te maken, omdat het aannemelijk acht dat het gebrek aan informatievoorziening door de heffingsambtenaar niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor belanghebbende om beroep in te stellen. Belanghebbende heeft in beroep immers tal van andere beroepsgronden aangevoerd die losstaan van de gebrekkige informatieverstrekking, zoals de waardedrukkende invloed van het ontbreken van een achtertuin en spouwmuren, de ongeschiktheid van twee van de gebruikte referentie-objecten en een gebrekkige motivering van de uitspraak op bezwaar, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof kan bovendien niet worden geoordeeld dat de waarde van de woning pas aannemelijk is gemaakt met de stukken die in de beroepsfase zijn overgelegd. Met name de al in het taxatieverslag genoemde verkoopprijs van het referentie-object [a-straat 2] onderbouwt de waarde ruimschoots. Het Hof heeft geen aanleiding gezien de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van het geding voor het Hof, en omdat volgens het Hof de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd, evenmin in de kosten van het geding voor de Rechtbank.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel komt op tegen de hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ van doorslaggevende betekenis moet zijn voor het instellen van beroep om aanspraak te kunnen maken op een proceskostenvergoeding.
4.2
Het middel stelt in wezen de vraag aan de orde of en, zo ja, in welke gevallen de rechter, wanneer hij een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ constateert, ervan kan afzien om de heffingsambtenaar in verband daarmee te veroordelen in de proceskosten.
4.3.1
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat de op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ op de heffingsambtenaar rustende informatieverplichting inhoudt dat hij aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen (hierna: waardebeschikking), en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens moet verstrekken. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten.2.Deze gegevens zijn van belang om de juistheid van de waardebeschikking te kunnen controleren om daarmee een eventuele bezwaarprocedure op zinvolle wijze te kunnen benutten en vervolgens te kunnen beoordelen of het zinvol is beroep in te stellen.3.Aan de verplichting tot het verstrekken van deze gegevens doet niet af dat het op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, die daarom tevens voorafgaand aan het horen in een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb ter inzage moeten worden gelegd.4.Indien een voldoende specifiek verzoek tot het verstrekken van de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde gegevens in de bezwaarfase wordt gedaan, moeten deze gegevens, met het oog op een zinvolle benutting van de bezwaarprocedure, voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar worden verstrekt.
4.3.2
Verder stelt de Hoge Raad voorop dat geen rechtsregel meebrengt dat de belanghebbende die een verzoek tot het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft gedaan, dat verzoek naderhand in de bezwaarfase moet herhalen wanneer hem blijkt dat de heffingsambtenaar nog niet (volledig) aan dat verzoek is tegemoetgekomen. Indien de heffingsambtenaar deze gegevens niet uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar heeft verstrekt, heeft hij daarom artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ geschonden, ook zonder dat de belanghebbende zijn verzoek heeft herhaald. De omstandigheid dat een herhaling van het verzoek achterwege is gebleven, staat evenmin eraan in de weg dat de belanghebbende zich in de beroepsfase met succes op die schending beroept. Indien en voor zover de belanghebbende zijn verzoek tot het verstrekken van deze gegevens uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven,5.kan echter niet worden gezegd dat de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ schendt indien hij deze gegevens niet (volledig) verstrekt.
4.4.1
De Hoge Raad stelt verder voorop dat de rechter onder omstandigheden met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij kan gaan aan een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.
4.4.2
Op grond van artikel 6:22 Awb kan de rechter beslissen de uitspraak op bezwaar, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand te laten indien aannemelijk is dat de belanghebbende door deze schending niet is benadeeld. De maatstaf om vast te stellen of de belanghebbende door een dergelijke schending is benadeeld, is volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de huidige tekst van artikel 6:22 Awb of zonder die schending een inhoudelijk andere uitkomst van de besluitvorming mogelijk was geweest.6.Voor de beoordeling van de vraag of een andere uitkomst van de besluitvorming mogelijk was geweest, is beslissend of het bestuursorgaan zonder de schending tot een andere uitspraak op bezwaar zou zijn gekomen.7.Indien dat het geval is – en die schending dus niet met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd – moet de uitspraak op bezwaar worden vernietigd, eventueel met instandhouding van de rechtsgevolgen daarvan (artikel 8:72, lid 3, letter a, Awb).8.Als gevolg daarvan bestaat recht op vergoeding van griffierecht en als regel ook op een proceskostenvergoeding. In een dergelijk geval kan alleen van het toekennen van een proceskostenvergoeding worden afgezien bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. Daarvan is sprake indien de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende zelf.9.Ook indien deze schending met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd omdat belanghebbende door die schending niet is benadeeld, en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding.10.Bij toepassing van artikel 6:22 Awb kan de rechter alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding.11.De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet.
4.4.3
Uit hetgeen hiervoor in 4.4.2 is geoordeeld, volgt dat een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb indien aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad indien de heffingsambtenaar wel tijdig alle gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ zou hebben verstrekt en de belanghebbende zijn inbreng (mede) op die gegevens zou hebben gebaseerd. Bij gevallen waarin de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin de belanghebbende al over de gevraagde gegevens beschikte.De omstandigheid dat de belanghebbende in (hoger) beroep niet alleen klaagt over de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, maar ook andere klachten tegen de uitspraak op bezwaar aanvoert, bijvoorbeeld met betrekking tot de vastgestelde WOZ-waarde, kan daarentegen geen grond vormen voor het oordeel dat de belanghebbende door de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet is benadeeld in de zin van artikel 6:22 Awb. Dat de belanghebbende, nadat de gevraagde gegevens in (hoger) beroep alsnog beschikbaar zijn gekomen, deze niet ter discussie heeft gesteld of op basis van die gegevens niet heeft onderbouwd dat de WOZ-waarde naar een onjuist bedrag is vastgesteld, is evenmin van belang voor de beoordeling of hij door het aanvankelijke gebrek aan informatie is benadeeld in de zin van artikel 6:22 Awb.
4.4.4
Uit hetgeen hiervoor in 4.4.2 is overwogen, volgt verder dat in geval van schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ in de regel een proceskostenvergoeding wordt toegekend, ook indien aan die schending met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt voorbijgegaan. Dat is alleen anders indien bijzondere omstandigheden aan die vergoeding in de weg staan. Ook leidt een geslaagd beroep op een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ tot vergoeding van het griffierecht, tenzij aan dat verzuim met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij wordt gegaan en zich bovendien bijzondere omstandigheden voordoen die aan een vergoeding van het griffierecht in de weg staan.De omstandigheid dat de belanghebbende in (hoger) beroep niet alleen klaagt over de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, maar ook andere klachten tegen de uitspraak op bezwaar aanvoert, bijvoorbeeld met betrekking tot de vastgestelde WOZ-waarde, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het toekennen van een vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding achterwege kan blijven.
4.5.1
Het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden, is niet bestreden in cassatie. Daarmee staat in cassatie vast dat artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is geschonden, en dat de Rechtbank dit heeft miskend. In zijn hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel, met als slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd, ligt als oordeel van het Hof besloten dat de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Het Hof heeft hiertoe klaarblijkelijk redengevend geacht dat het gebrek aan informatievoorziening door de heffingsambtenaar niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor belanghebbende om beroep in te stellen, omdat zij nog andere klachten heeft aangevoerd. Kennelijk heeft het Hof om diezelfde reden geen aanleiding gezien om, ondanks de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, aan belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de Rechtbank toe te kennen.
4.5.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.3, tweede alinea, is overwogen, is het middel terecht voorgesteld voor zover het inhoudt dat het Hof ten onrechte artikel 6:22 Awb heeft toegepast op de grond dat belanghebbende ook andere klachten heeft aangevoerd.Dit kan echter niet tot cassatie leiden, aangezien het Hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat het taxatieverslag de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde ruimschoots onderbouwt. Daarmee is geen andere slotsom mogelijk dan dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad indien de heffingsambtenaar wel tijdig alle gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ zou hebben verstrekt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 4.4.3, eerste alinea, eerste volzin, rechtvaardigt die slotsom wel het oordeel dat er aanleiding was om in dit geval artikel 6:22 Awb toe te passen.
4.5.3
Het middel slaagt voor zover het opkomt tegen de beslissing van het Hof om, ondanks de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Uit hetgeen hiervoor in 4.4.4 is overwogen, volgt dat die beslissing is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, aangezien een geslaagd beroep op schending van die bepaling, ook bij toepassing van artikel 6:22 Awb, dient te leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. De omstandigheid dat belanghebbende in beroep, naast de klacht over de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, nog andere klachten heeft aangevoerd, is geen dergelijke bijzondere omstandigheid. De omstandigheid dat niet kan worden geoordeeld dat de waarde van de woning pas aannemelijk is gemaakt met de stukken die in de beroepsfase zijn overgelegd, is evenmin zo’n omstandigheid. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat er nog andere omstandigheden zijn die, gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.4 is overwogen, het achterwege blijven van een proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen. Het Hof had dus vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar moeten veroordelen in de proceskosten. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht.
4.5.4
De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Aan belanghebbende dient alsnog een vergoeding van griffierecht en van proceskosten te worden toegekend voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank.
5. Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kennemerland Zuid (hierna: het College) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
6. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
6.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,12.gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025) heeft overwogen, dient te worden beoordeeld of hier sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van dat arrest.
6.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding nog niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om te beoordelen of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 6.1 bedoeld.
6.3
Totdat het arrest van 17 januari 2025 werd gewezen, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het College zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
7. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 6.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑01‑2025
Vgl. HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, rechtsoverwegingen 3.2.4 en 3.2.5.
Vgl. HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, rechtsoverweging 4.3.2, en HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:290, rechtsoverweging 4.3.
Vgl. HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, rechtsoverweging 3.2.3.
Vgl. HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1168, rechtsoverweging 3.3.
Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 46, en Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 37.
Vgl. CBb 15 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:279, rechtsoverweging 4.3, ABRvS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:268, rechtsoverweging 16, en CRvB 23 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:834, rechtsoverweging 4.3.5.
Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14 en blz. 38.
Vgl. HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, rechtsoverweging 3.8.1.
Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 15, en Kamerstukken II 2010/11, 32 450, nr. 7, blz. 14. Vgl. ook ABRvS 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1602, rechtsoverweging 14.1, CRvB 15 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:950, rechtsoverweging 6.1, en CBb 5 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:145, rechtsoverweging 9.
Vgl. ABRvS 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1602, rechtsoverweging 14.1.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Beroepschrift 24‑01‑2025
Hoge Raad
T.a.v.: Sector Bestuursrecht
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[…], 10-06-2024
Onderwerp: beroep in cassatie
Ons kenmerk: […]
Procedurenummer gerechtshof: HR 24/01332
Edelhoogachtbare,
Hierbij vul ik namens mijn cliënt. [X], het beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam aan. Een machtiging treft u als bijlage aan (bijlage 1). Ik verzoek u de nota griffierecht op te nemen in de rekening-courantverhouding met debiteurnummer […] t.n.v. […].
Cassatiemiddelen:
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, omdat:
- 1.
het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de schending van artikel 40 Wet WOZ van doorslaggevende betekenis dient te zijn voor het instellen van beroep wil er aanspraak op een kostenvergoeding kunnen worden gemaakt.
Standpunt belanghebbende:
Met deze uitspraak van kan mijn cliënt zich niet verenigen, om de hierboven, onder ‘cassatiemiddelen’ verkort weergegeven redenen. Hierna zullen de cassatiemiddelen alsmede de toelichting daarop uiteen worden gezet.
Cassatiemiddel 1
Het hof oordeelt dat wanneer er sprake is van een schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ, eerst dan recht bestaat op een kostenvergoeding als aannemelijk is dat belanghebbende zonder de schending geen beroep had ingesteld. Naar mijn mening getuigt dit standpunt van een onjuiste rechtsopvatting. Ik verwijs ter onderbouwing van mijn standpunt naar ECLl:NL:RBMNE:2024:1523 vanaf punt 27 en volgende. De beoordelingsmaatstaf die het hof hanteert is subjectief en gaat uit van aannames. Het hof kan en mag niet voor belanghebbende bepalen of deze onafhankelijk van de schending ook wel in beroep zou zijn gegaan. Misschien is de overweging wel geweest: ik moet vanwege de schending van artikel 40 Wet WOZ toch al in beroep, dus ik neem daarin mijn eerdere gronden, of nieuwe gronden ook gelijk mee. Het kan dan ook heel goed zo zijn dat zonder de schending van artikel 40 was besloten toch niet in beroep te gaan. De door het hof aangelegde toetsingsmaatstaf is derhalve niet houdbaar. Ik blijf bij mijn standpunt dat er altijd een kostenvergoeding moet volgen bij een schending van artikel 40 Wet WOZ. Ook mag het sanctioneren van deze schending nooit worden gekoppeld aan het procedeergedrag van belanghebbende, wat wel gebeurd als men de opvattingen van het hof volgt.
Conclusie:
Op basis van de bovenstaande grieven verzoek ik u:
- 1.
Het beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- 2.
De uitspraak van het gerechtshof te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien;
- 3.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de bezwaarfase op grond van art. 7:15 Awb;
- 4.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de (hoger-) beroepsfase en in cassatie op grond van artikel 8:75 Awb en conform het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 mei 2022 (ECLl:Nl:HR:2022:752).
Hoogachtend,