Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.6.3.3
4.6.3.3 Uurtarief
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454274:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de TCA-beschikking vermeldde de Ondernemingskamer dat de onderzoekers gemiddeld een tarief van € 270 hanteerden, overigens zonder zich erover uit te laten of dat uurtarief naar haar oordeel redelijk was. Zie OK 19 december 2005, ARO 2006/18 (TCA), r.o. 2.2. De Ondernemingskamer verwierp het bezwaar van TCA dat dit uurtarief te hoog was, zonder kenbare motivering.
Zie hiervoor § 4.3.2.
Zie ‘Tabel uurtarieven arbiters januari 2015’, nai.org.
Zie artikel 6.4 en 6.5 Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling. In zeer uitzonderlijke gevallen wordt hiervan naar boven toe afgeweken.
Van der Grinten 1993, p. 175.
Vgl. over de Stichting Rimari § 3.4.
Het komt slechts hoogst zelden voor dat uit beschikkingen van de Ondernemingskamer blijkt welk uurtarief de onderzoekers hebben gehanteerd.1 Het lijkt erop dat de onderzoekers in belangrijke mate zelf hun uurtarief kunnen bepalen. Naar mijn mening is deze situatie onwenselijk en moet het uurtarief van de onderzoekers door de Ondernemingskamer worden vastgesteld, en wel voor de aanvang van het onderzoek.2 Dat is fair ten opzichte van de onderzoekers, omdat deze dan van tevoren weten waar zij aan toe zijn (en eventueel hun benoeming kunnen weigeren als zij de vergoeding te laag vinden), en duidelijk voor alle partijen. De Ondernemingskamer moet naar mijn mening een vaste procedure volgen, ongeacht of de rechtspersoon de hoogte van het uurtarief aan de orde wil stellen.
Ik zou er voorstander van zijn als de Ondernemingskamer richtlijnen vaststelt voor de hoogte van het uurtarief van onderzoekers en door hen in te schakelen kantoorgenoten. Dat kan niet één tarief zijn, omdat de verschillen tussen enquêtes te groot zijn. Het uurtarief van de onderzoekers is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Relevante factoren zijn daarbij het type enquête, het belang van de zaak, de draagkracht van de rechtspersoon, de hoofdfunctie van de onderzoeker en, bij grotere onderzoeken, in hoeverre delen van het onderzoek aan kantoorgenoten van de onderzoeker kunnen worden gedelegeerd. Het uurtarief mag niet zo laag zijn dat het niet mogelijk is om gekwalificeerde onderzoekers te benoemen. Anderzijds is het ook niet nodig om uurtarieven vast te stellen die gelijk zijn aan de uurtarieven die onderzoekers in hun eigen praktijk als advocaat of registeraccountant hanteren. Het aanvaarden van een benoeming tot onderzoeker is ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid en er gaat ook een zeker prestige van uit. Op basis van de huidige praktijk heeft de Ondernemingskamer al inzicht in wat onderzoekers zoal als uurtarief in rekening willen brengen. Ook kunnen bijvoorbeeld de uurtarieven die het Nederlands Arbitrage Instituut voor arbiters hanteert als benchmark dienen. Het werk van een arbiter is niet minder verantwoordelijk dan dat van een onderzoeker, en de benodigde ervaring en het opleidingsniveau van onderzoekers en arbiters zijn vergelijkbaar. De uurtarieven die het NAI hanteert, bewegen zich in de bandbreedte tussen € 150 en € 500 per uur, afhankelijk van het financiële belang van de zaak, en of het een kort geding dan wel een bodemarbitrage betreft.3 Een andere benchmark zijn de tarieven voor curatoren. Het standaardtarief voor curatoren bedraagt per 1 januari 2017 € 212 en het maximum € 339,20.4 Een andere benchmark, alhoewel niet 214 In de TCA-beschikking vermeldde de Ondernemingskamer dat de onderzoekers gemiddeld een tarief van € 270 hanteerden, overigens zonder zich erover uit te laten of dat uurtarief naar haar oordeel redelijk was. Zie OK 19 december 2005, ARO 2006/18 (TCA), r.o. 2.2. De Ondernemingskamer verwierp het bezwaar van TCA dat dit uurtarief te hoog was, zonder kenbare motivering. helemaal vergelijkbaar, zijn de vergoedingen die worden betaald aan de leden van door de overheid ingestelde onderzoekscommissies. Als voorbeeld kan worden gewezen op het onderzoek van de commissie-Scheltema naar de ondergang van DSB. De leden van dit soort commissies ontvangen een vast bedrag per maand gedurende de onderzoeksperiode, gebaseerd op het salaris van een directeur-generaal: circa € 9.500 per maand (of een deel pro rata daarvan, als het een parttime uit te voeren onderzoek betreft). Ik ben niet de eerste die bepleit dat de Ondernemingskamer een uurtarief voor onderzoekers vaststelt. Van der Grinten heeft dat voorstel bijna 25 jaar geleden al gedaan.5 Ik ben het echter niet eens met zijn standpunt dat het uurtarief voor alle onderzoekers in dezelfde enquête hetzelfde moet zijn. Mijns inziens mag rekening worden gehouden met de kantoorkosten die sommige onderzoekers wel hebben en andere niet.
Op basis van bovenstaande suggesties zou de Ondernemingskamer richtlijnen voor uurtarieven van onderzoekers en hun kantoorgenoten kunnen vaststellen. Het lijkt mij verstandig dat de Ondernemingskamer, alvorens dat te doen, overleg voert met Stichting Rimari.6 Uiteraard moet voorkomen worden dat potentiële onderzoekers geen benoeming willen aanvaarden omdat zij de beloning te laag vinden. Verder, maar dat spreekt voor zich, moet de Ondernemingskamer de bevoegdheid hebben om in bijzondere gevallen van een richtlijn af te wijken, zowel naar boven als naar beneden. Ik verwacht dat als de Ondernemingskamer richtlijnen voor onderzoekers zou vaststellen, daar ook een zekere druk van uit zal gaan op potentiële onderzoekers om die tarieven, die mogelijk wat lager liggen dan de tarieven die zij voor hun hoofdwerkzaamheid in rekening brengen, te aanvaarden. Deze verwachting is mede gebaseerd op het feit dat veel onderzoekers nu ook al bereid zijn een korting op hun normale tarief te geven of niet alle aan het onderzoek bestede tijd in rekening te brengen.