Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.6.3.2:4.6.3.2 Bestede tijd
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.6.3.2
4.6.3.2 Bestede tijd
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454275:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 5.4.6.
De Ondernemingskamer heeft de onderzoeker vervangen in OK 1 juni 2015, ARO 2015/154 (Energie Concurrent). In deze zaak oordeelde de Ondernemingskamer dat de onderzoeker desalniettemin niet gekort zou worden op de hem toekomende vergoeding.
Zie § 3.8.
Zo ook Van der Grinten 1993, p. 175.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste component waarnaar de Ondernemingskamer moet kijken is het aantal uren dat door de onderzoekers en de door hen ingeschakelde kantoorgenoten aan het onderzoek is besteed. Tenzij er concrete aanwijzingen voor het tegendeel zijn, kan de Ondernemingskamer ervan uitgaan dat de overgelegde staat van werkzaamheden juist is. Wat de Ondernemingskamer moet beoordelen, is of het redelijk is deze uren aan de rechtspersoon (of een derde die voor de onderzoekskosten zekerheid heeft gesteld) in rekening te brengen. Daartoe kan de Ondernemingskamer zich de volgende vragen stellen:
Hebben de onderzoekers zich aan de onderzoeksopdracht gehouden? Werkzaamheden buiten de onderzoeksopdracht (bijvoorbeeld bemiddelen, als dat geen onderdeel uitmaakt van de onderzoeksopdracht)1 komen niet voor vergoeding in aanmerking en moeten in mindering worden gebracht. Een korting op het aantal in rekening te brengen uren is ook op zijn plaats als het onderzoek niet aan de opdracht beantwoordt en de Ondernemingskamer zich om die reden genoodzaakt ziet een nader onderzoek te gelasten.
Is het onderzoek kwalitatief onder de maat uitgevoerd, met andere woorden, hebben de onderzoekers de beginselen van behoorlijk onderzoek met voeten getreden? Als dat het geval is, lijkt het niet heel redelijk de kosten van het onderzoek volledig ten laste van de rechtspersoon te brengen.2 Een opdrachtnemer die toerekenbaar tekortschiet in de uitvoering van zijn werkzaamheden kan ook geen aanspraak maken op de afgesproken vergoeding. Nu valt de rechtsverhouding tussen de onderzoekers en de Ondernemingskamer niet te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht,3 maar bij wijze van analogie zou de Ondernemingskamer de regels die gelden voor een wanpresterende deskundige kunnen toepassen.
Hebben de onderzoekers het onderzoek efficiënt uitgevoerd? Uiteraard is dat voor de Ondernemingskamer moeilijk te toetsen. Vanwege de onderzoeksvrijheid die de onderzoekers hebben, is meer dan een marginale toetsing door de Ondernemingskamer ook niet wenselijk. Wat de Ondernemingskamer echter wel kan doen, is beoordelen of de onderzoekers aan onderdelen van het onderzoek veel meer tijd hebben besteed dan in het onderzoeksbudget was voorzien. Als de onderzoekers voor een dergelijke overschrijding geen aannemelijke verklaring hebben, kan dat reden zijn voor een korting.4
Geen reden voor een korting op het aantal bestede uren zijn klachten van partijen dat zij het niet eens zijn met de bevindingen van de onderzoekers. Dat is ook het geval als in de tweedefaseprocedure de Ondernemingskamer een beslissing neemt die afwijkt van de bevindingen van de onderzoekers. Nog afgezien van het feit dat de Ondernemingskamer de vergoeding voor de onderzoekers al eerder heeft vastgesteld, betekent het feit dat zij het niet eens is met de bevindingen van de onderzoekers niet dat zij hun werk niet goed hebben uitgevoerd.