Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/6.5.3
6.5.3 Overnames en desinvesteringen
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS497482:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie de AFM-brochure Koersgevoelige informatie, p. 9; Kamerstukken II, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 34. Uit onderzoek is gebleken dat openbare mededelingen over overnames en soortgelijke transacties het grootste aandeel vormen van het totale aantal persberichten met koersgevoelige informatie. Zie AFM Report 2007, p. 44-45.
Zie Rb. Amsterdam 29 januari 1996 (n.g.) (RDM). Opgemerkt wordt dat ik ben opgetreden als één van de advocaten van verdachte.
HR 3 juni 2003, JOR 2003/177 m.nt. J. Italianer (Pie Medical).
Met deze uitleg voorkwam de Hoge Raad op een praktische wijze vernietiging van het arrest en terugverwijzing naar het Hof. Het is intussen niet goed te begrijpen dat het OM bij het opstellen van de tenlastelegging, en het Hof bij de bewezenverklaring daarvan, kennelijk hebben gemeend dat een verwijzing naar 'een of meer andere bijzonderheden' met voldoende precisie het strafrechtelijk verwijt onder woorden brengt.
Hof Amsterdam 24 oktober 2003, JOR 2004/44, gesanctioneerd door HR 31 mei 2005, JOR 2005/ 185 m.nt. J. Italianer (Flexovit).
Rb. Amsterdam 19 januari 2006, JOR 2006/51 (HIM Furness).
Rb. Amsterdam 30 maait 2006, JOR 2006/152 m.nt. D.R. Doorenbos onder JOR 2006/153 (Veer Palthe Voitte).
Zie Hof Amsterdam 13 juni 2008, JOR 2009/10 m.nt. F.G.H. Kristen (Veer Palthe Voitte).
Zie Rb. Rotterdam 24 april 2006, JOR 2006/153 m.nt. D.R. Doorenbos en CBb 12 september 2006, JOR 2007/14 m.nt. D.R. Doorenbos en M.J.C. Somsen (Veer Palthe Voitte).
Enige terughoudendheid is intussen wel gepast bij het toekennen van gezag aan deze uitspraken van de bestuursrechter. Immers, de te bespreken uitspraken zijn gewezen door een voorzieningenrechter — een unus iudex — in verband met de tegen een voorgenomen openbaarmaking van een boetebesluit opengestelde rechtsgang (zie § 9.5.5). Hierdoor worden belangrijke effectenrechtelijke issues in voorlopige uitspraken (met in één opzicht een definitief en onomkeerbaar karakter: de toegestane of afgewezen openbaarmaking van een boetebesluit) door een voorzieningenrechter bepaald. Tegen deze uitspraak van de voorzieningenrechter is bovendien geen hoger beroep mogelijk. Heel erg gelukkig lijkt mij dit niet. Het blijft dan ook wachten op meer gezaghebbende uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de openbaarmakingsplicht.
Zie Vzngr. Rb. Rotterdam 3 september 2008, JOR 2008/274 m.nt. G.T.J. Hoff (Numico/AFM) en § 5.14 voor enkele relevante feiten van deze zaak. Zie eveneens de annotatie bij deze uitspraak van D.R. Doorenbos, Ondernemingsrecht 2008, 15, p. 558-563.
Zie Vzngr. Rb. Rotterdam 8 juli 2009, JOR 2009/234 m.nt. G.T.J. Hoff (Vedior/AFM) en § 5.13 voor enkele relevante feiten van deze zaak.
In dezelfde zin Doorenbos, Serie OO&R, deel 46(2008), p. 873 en 876. Doorenbos wijst erop dat de omschrijving van de voorwetenschapsbestanddelen 'concrete informatie' en het 'koersgevoeligheidsvereiste' in art. 1 van de Uitvoeringsrichtlijn definities en openbaarmaking er debet aan is dat 'reeds in de aanloop naar elke nieuwe situatie of gebeurtenis in het biedingsproces sprake kan zijn van voorwetenschap: het feit dat die situatie of gebeurtenis (nog) niet is ingetreden, staat daar op zichzelf niet aan in de weg.' Die analyse mondt vervolgens uit in zijn kritische vaststelling: 'Zodra ergens de term 'overnamebod' valt in correspondentie, notulen of getuigenverklaringen, lijkt de strafrechter er doorgaans al van overtuigd dat de voorwetenschap bestond.'
Een gunstige uitzondering daarop is de volgende rechtsoverweging van het CBb: 'Hoewel in het algemeen niet valt uit te sluiten dat bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot een openbaar bod reeds in een vroeg stadium sprake is van een bijzonderheid als bedoeld in art. 46, tweede lid, (oud) Wte 1995, geldt dat naar gelang het moment waarop de aandacht wordt gericht eerder in de tijd ligt, de mate waarin redelijkerwijs te verwachten is dat sprake is van een bijzonderheid die invloed zou kunnen hebben op de koers van effecten, geringer is.' Zie CBb 12 september 2006, JOR 2007/14 m.nt. D.R. Doorenbos en M.J.C. Somsen (Veer Palthe Voitte). Ook de Rotterdamse voorzieningenrechter besteedt aan dit aspect uitdrukkelijk aandacht in zijn uitspraak van 8 juli 2009, JOR 2009/234 m.nt. G.T.J. Hoff (Vedior/AFM).
Deze overweging komt voor in Hof Amsterdam 24 oktober 2003, JOR 2004/44 (Flexovit), Rb. Amsterdam 30 maart 2006, JOR 2006/152 m.nt. D.R. Doorenbos (Veer Palthe Voitte) en Hof Amsterdam 13 juni 2008, JOR 2009/10 m.nt. F.G.H. Kristen (Veer Palthe Voitte).
HR 3 juni 2003, JOR 2003/177 m.nt. J. Italianer (Flexovit).
Zie art. 4 lid 1 onderdeel a Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft. Mijn vermoeden is dat in de overnamepraktijk de uitstelgrond van art. 4 lid 1 onderdeel b Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft een minder grote rol speelt, omdat de goedkeuring van de raad van commissarissen voor de aanstaande transactie gewoonlijk al zal zijn verkregen (of dat het verkrijgen van die goedkeuring geen issue meer zal zijn) voordat de uitgevende instelling niet langer meer een beroep toekomt op de uitstelgrond van art. 4 lid 1 onderdeel a Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft.
Volgens een schatting van de AFM wordt ruim 25% van de aankondigingen van een openbaar bod voorafgegaan door verdachte koersbewegingen die erop wijzen dat de vertrouwelijkheid van de koersgevoelige informatie niet was gewaarborgd. Zie Het Financieele Dagblad van 6 september 2007 (Verdachte handel voor ruim kwart overnames). Zie echter ook Het Financieele Dagblad van 28 december 2007 (Koers stijgt vaak voor ovemamenieuws en Fusiekoorts bezorgt ook AFM overwerk. Verdachte koersbewegingen voorafgaand aan bijna helft van bekendmakingen van fusies en overnames in Nederland in 2007). Deze bevindingen tonen de betrekkelijke waarde aan van onderzoek dat door de AFM is uitgevoerd en op basis waarvan door de AFM is geconcludeerd dat door de regimewijziging de markt 'schoner' zou zijn geworden. Zie AFM Report 2007 (zie verder § 6.7).
Zie Het Financieele Dagblad van 11 mei 2005 (P&O Nedlloyd gaat op in Deense rederij. Overname door Maersk zet sector op scherp).
Zie het persbericht van VNU van 18 mei 2004 (VNU gaat strategische opties onderzoeken voor haar World Directories Groep). VNU kondigde daarbij aan dat zij zich wilde concentreren op het verzamelen van marktgegevens en bedrijfsinformatie. Met de opbrengst zou niet alleen de schuld van VNU verlaagd moeten worden, maar zou ook geïnvesteerd worden in de overgebleven divisies.
Zie Het Financieele Dagblad van 23 januari 2007 (Philips: tempo van overnames gaat omhoog. `Ook grotere deals zijn mogelijk').
Zie Het Financieele Dagblad van 17 maart 2007 (Ballast Nedam lonkt openlijk naar Strukton. Bruijninckx: 'We passen bij elkaar').
Zie Het Financieele Dagblad van 18 augustus 2007 (Hagemeyer fors onderuit. Signaal 'niet te koop' blaast alle speculatie uit de koers).
Zie de rubriek Veelgestelde vragen: Koersgevoelige infonnatie (www.afin.nl).
Een geijkt voorbeeld van koersgevoelige informatie is de aan- of verkoop van belangrijke deelnemingen of bedrijfsonderdelen.1 Aan dit voorbeeld zou nog het aangaan of verbreken van samenwerkingsverbanden kunnen worden toegevoegd. Of bij een dergelijke transactie sprake is van koersgevoelige informatie die door de uitgevende instelling openbaar gemaakt moet worden, zal afhangen van een reeks van factoren, zoals de omvang van de (des)investering ten opzichte van de grootte van de eigen onderneming, de strategische doeleinden die met de transactie worden beoogd en de te verwachten synergievoordelen. Niet alleen het eindresultaat — dat wil zeggen: de totstandkoming van de overname — zal koersgevoelige informatie kunnen opleveren, maar dat geldt evenzeer voor diverse stadia van de daaraan voorafgaande onderhandelingen.
Een belangrijke vraag is dan wanneer de overnamebesprekingen een zodanig stadium hebben bereikt dat sprake is van koersgevoelige informatie als bedoeld in art. 5:25i lid 2 j° art. 5:53 lid 1 Wft. Is dat reeds wanneer de overnamebesprekingen aanvangen, wanneer overeenstemming wordt bereikt over de belangrijkste modaliteiten van de transactie of pas op het moment dat er volledige overeenstemming tussen partijen over een transactie bestaat? Het bepalen van dit tijdstip is in de eerste plaats van belang voor de vraag wanneer in beginsel een publicatie ex art. 5:25i lid 2 Wft zal moeten plaatsvinden. In de tweede plaats is het de uitgevende instelling vanaf dit tijdstip toegestaan — mits aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan — een beroep te doen op de uitstelregeling van art. 5:25i lid 3 Wft. Ten slotte markeert dit tijdstip waarop de overnamebesprekingen koersgevoelige informatie kunnen opleveren ook het ingaan van het transactieverbod van art. 5:56 Wft en het tipverbod van art. 5:57 Wft.
Uit de uitspraken van de strafrechter die met betrekking tot (de in de loop der tijd overigens gewijzigde omschrijving van) het transactieverbod zijn gewezen, kan over het stadium van de onderhandelingen dat voorwetenschap zal opleveren het een en ander worden opgemaakt. Dat deze uitspraken mede relevant zijn voor de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen houdt verband met de omstandigheid dat het begrip 'voorwetenschap' thans niet alleen als grondslag dient voor het transactieverbod van art. 5:56 Wft, maar mede voor de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft (zie § 5.2 en § 5.3). Ik geef eerst verkort de relevante uitspraken weer.
In één van de eerste zaken die aan de strafrechter ter zake van een vermeende overtreding van de voorwetenschapswetgeving (art. 336a (oud) Sr) werd voorgelegd, ging het om de overname van RDM door Koninklijke Begemann Groep N.V.2 Verdachte, Joep van den Nieuwenhuyzen, was bestuursvoorzitter van Begemann. Hij werd ervan verdacht tijdens de onderhandelingen over deze overname aandelen Begemann te hebben gekocht. De rechtbank Amsterdam sprak verdachte vrij van het hem tenlastegelegde, omdat de rechtbank op basis van rapporten van vier geraadpleegde deskundigen tot het oordeel kwam dat de informatie met betrekking tot een eventuele overname van RDM voor het fonds Begemann niet koersgevoelig was. De deskundigen kenden daarbij onder meer betekenis toe aan de omstandigheid dat de Koninklijke Begemann Groep N.V. geregeld ondernemingen kocht en verkocht en dat de waarde van RDM ten tijde van de overname als going concern in feite nihil was.
In de zaak Pie Medical wend verdachte wegens handel met voorwetenschap (art. 31a Wte 1992 (oud)) veroordeeld, omdat hij certificaten van aandelen Pie Medical had gekocht.3 Hij had deze transacties verricht, terwijl hij op de hoogte was van het feit dat "tussen Philips Electronics N.V. en Pie Medical N.V. oriënterende gesprekken plaatsvonden omtrent de intensivering van de samenwerking tussen Pie Medical N.V. en de Medical Systems divisie van Philips op het gebied van ultrasound apparatuur, waarbij een openbaar bod door Philips op de aandelen van Pie Medical niet uitgesloten is en/of een of meer andere bijzonderheden, althans de essentie van de hierboven genoemde bijzonderheden". Ik merk hierbij nog op dat de Hoge Raad in zijn arrest de zinsnede "een of meer andere bijzonderheden" als een kennelijke misslag van het Hof aanmerkt4 en met verbetering van die misslag het laatste deel van de bewezenverklaring leest als "althans de essentie van de hierboven genoemde bijzonderheden". Hiermee lijkt de Hoge Raad te aanvaarden dat voor een bewezenverklaring van de tenlastelegging niet vereist is dat kennis van verdachte van alle details van de tenlastelegging bewezen moet worden.
Hof Amsterdam merkte, kort gezegd, als voorwetenschap (als bedoeld in art. 46 lid 3 Wte 1995 (oud)) aan de kennis van een directielid van een beursgenoteerde onderneming dat een aantal grootaandeelhouders ontevreden was over de tegenvallende resultaten, dat zij daarover overleg wilden voeren met de onderneming en dat een concurrent tezelfdertijd kenbaar had gemaakt op korte termijn te willen spreken over een mogelijke samenwerking tussen beide ondernemingen, waarbij een openbaar bod mogelijk werd geacht.5 In een nadere bewijsoverweging oordeelt het Hof dat het een feit is van algemene bekendheid dat deze feiten in onderling verband beschouwd, die betrekking hebben op een (intensivering van) samenwerking dan wel op een mogelijke overname, althans daarop preluderen, uitermate koersgevoelig zijn.
In de zaak HIM Furness werd verdachte verweten voorwetenschap gedeeld te hebben met zijn broer (art. 46a Wte 1995 (oud)).6 Door de rechtbank Amsterdam werd als voorwetenschap aangemerkt dat verdachte kennis had van het voornemen HIM Furness door middel van een openbaar bod van de beurs te halen, dat gesprekken werden gevoerd over de samenvoeging van een aantal bedrijven (waaronder de bedrijven van verdachte) met HIM Furness en dat de grootaandeelhouder van HIM Furness de mogelijkheid onderzocht een openbaar bod uit te brengen.
In meerdere opzichten is de VPV-zaak de meest opmerkelijke. Verdachten waren bestuurders van een vermogensbeheerder. Zij hadden in privé diverse transacties verricht in aandelen van beursgenoteerde houdstermaatschappijen van Shell en Unilever. Tezelfdertijd waren verdachten bezig met de voorbereidingen van een openbaar bod op deze houdstermaatschappijen. Onderdeel van die voorbereidingen waren de gesprekken die werden gevoerd met het ministerie van Financiën over een fiscale ruling. Pas nadat met het ministerie van Financiën overeenstemming over de fiscale ruling was bereikt, werd door verdachten aangevangen met de onderhandelingen met de houdstermaatschappijen. De rechtbank Amsterdam veroordeelde verdachten wegens handel met voorwetenschap (art. 46 Wte 1995 (oud)).7 Daartoe overwoog de rechtbank in het bijzonder: "De onderhandelingen die tot een vaststellingsovereenkomst met de fiscus en uiteindelijk tot een openbaar bod moesten leiden bevonden zich op 9 september 1999 al in een zodanig vergevorderd stadium dat de contouren van de overname zichtbaar waren." De rechtbank baseert dat oordeel onder meer op de omstandigheid dat een voornemen bestond om in 1999 nog een openbaar bod op de houdstermaatschappijen uit te brengen. Toen was volgens de rechtbank ook bekend binnen welke marges het bedrag zich bewoog dat aan de fiscus moest worden afgedragen bij achterwege blijven van liquidatie van de houdstermaatschappijen. Voor de rechtbank was ook van belang dat in het aan de fiscus af te dragen bedrag na 9 september 1999 geen wezenlijke verandering is gekomen. Betekenis kende de rechtbank verder toe aan de omstandigheid dat als gevolg van de overname en na aftrek van kosten en fiscale lasten ongeveer een bedrag van NLG 4 miljard voor de aandeelhouders beschikbaar zou komen. "Dat het om zeer aanzienlijke bedragen ging was voor beide partijen een extra stimulans om de onderhandelingen met Financiën te laten slagen", aldus de rechtbank. Tot slot oordeelt de rechtbank dat eventuele hindernissen, die daarna zijn opgetreden en verzet van aandeelhouders voor de beoordeling van de koersgevoeligheid van de informatie niet relevant zijn. Niet onvermeld mag hier blijven dat de rechtbank bij een weergave van het toetsingskader en dus niet bij de bewijsoverwegingen — als volgt heeft overwogen: "Dat voorwetenschap in werkelijkheid kan bestaan in een pril stadium van de onderhandelingen, die gericht zijn op een overname, ook als die overname nog lang niet in zicht is, is overigens welhaast een feit van algemene bekendheid."
Hoewel het Hof Amsterdam8 in hoger beroep met betrekking tot het begrip `voorwetenschap' dezelfde maatstaf als de rechtbank aanlegde, kwam hij echter tot het oordeel dat "de onderhandelingen met Financiën zich op 17 september 1999 zich in een zodanig concreet en vergevorderd stadium [bevonden], dat de contouren van een overname van de houdstervennootschappen zichtbaar waren." Zoals hiervoor is gebleken, was de rechtbank van oordeel dat reeds vanaf 9 september 1999 sprake was van voorwetenschap. Daarbij wijst het Hof erop dat "op 17 september 1999 sprake was van een koersgevoelige bijzonderheid, inhoudende dat de vaststellingsovereenkomst tussen VPV en Financiën van essentieel belang was voor de bepaling van de omvang van de fiscale claim, de bandbreedte van de lumpsum en het gedifferentieerde bod, zodat de contouren van overeenstemming met Financiën op dat moment zichtbaar waren." Het Hof kent daarbij betekenis toe aan de omstandigheid dat op 17 september 1999 een bespreking heeft plaatsgehad met de onderhandelaars van Financiën waarop de gevolgen van de eerst op 14 september 1999 gepubliceerde surtaxregeling zijn besproken en de verdachte en zijn adviseur hebben medegedeeld verder te willen onderhandelen. Ook — zo overweegt het Hof — is op die datum de inhoud van het vernieuwde (gedifferentieerde) bod duidelijk geworden. Daaraan wordt toegevoegd dat "er nadien nog weliswaar wijzigingen [zijn] gekomen die hebben geleid tot vernieuwde vaststellingsovereenkomsten, maar de uiteindelijk overeengekomen lumpsum is telkens (...) binnen de eerder duidelijk geworden bandbreedte gebleven." Het Hof oordeelt verder dat deze bijzonderheid koersgevoelig is in de zin van art. 46 Wte 1995 (oud): "Op de vraag of openbaarmaking van de stand van de onderhandelingen op 17 september 1999 in aanzienlijke mate invloed zou kunnen hebben op de koers van de betreffende effecten wordt door het hof bevestigd beantwoord. Een belegger zal de informatie immers relevant hebben gevonden bij het nemen van beslissingen. Hiermee is de koersgevoeligheid gegeven. Het hof betrekt bovendien in dit oordeel dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt dat bij openbaarmaking van berichten over een mogelijke overname van een beursgenoteerde vennootschap, de koers van de doelvennootschap in de regel (in aanzienlijke mate) zal stijgen."
De VPV-zaak heeft niet alleen tot voormelde uitspraken van de strafrechter geleid, maar ook tot uitspraken van de bestuursrechter.9 Het gaat in deze zaak om het oordeel van de AFM over de vereiste betrouwbaarheid van de bestuurders van de vermogensbeheerder (die tevens verdachten waren in de strafzaak). Voorafgaand aan de feitelijke beoordeling van de motivering die de AFM voor haar onbetrouwbaarheidsoordeel heeft gegeven, plaatst het CBb de koersgevoeligheid van overnamebesprekingen eerst in het volgende perspectief: "Hoewel in het algemeen niet valt uit te sluiten dat bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot een openbaar bod reeds in een vroeg stadium sprake is van een bijzonderheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, (oud) Wte 1995, geldt dat naar gelang het moment waarop de aandacht wordt gericht eerder in de tijd ligt, de mate waarin redelijkerwijs te verwachten is dat sprake is van een bijzonderheid die invloed zou kunnen hebben op de koers van effecten, geringer is." Na een beoordeling van de feitelijke omstandigheden komt het CBb tot de slotsom "dat de — op het niet buiten twijfel staan van de betrouwbaarheid van appellanten gebaseerde — aanwijzingen tot het ontheffen van appellanten uit hun functies niet kunnen worden gedragen door de daaraan gegeven feitelijke grondslag, zijnde het op 9 september 1999 ontstaan van een bijzonderheid, in verband waarmee AFM het bestaan en misbruik van voorwetenschap heeft aangenomen." Het CBb overwoog daartoe onder meer als volgt: "Uit de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden blijkt (...) dat bij MvF niet zozeer de hoogte, maar vooral de fiscaal-technische en juridisch en politiek verdedigbare onderbouwing van de belastingclaim beslissend werd geacht. Het College vindt bovendien in de gedurende de onderhandelingen gewijzigde modaliteiten van het overnameplan en, daarmee samenhangend, met betrekking tot de onderbouwing van het als lump sum af te dragen bedrag, bevestiging voor de opvatting dat op 9 september 1999 nog geen sprake was van een bijzonderheid in de hiervoor genoemde betekenis. Veeleer blijkt uit de verschillende interne memo's en notities van MvF dat over de voor MvF acceptabele modaliteiten en fiscale onderbouwing tot het moment dat mondeling met F overeenstemming werd bereikt, interne afstemming moest plaatsvinden."
In dit verband dient tevens gewezen te worden op enkele uitspraken van de bestuursrechter over de naleving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie.10
In de Numico-zaak oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam als volgt over de koersgevoeligheid van de lopende overnameonderhandelingen.11 "Met de AFM is de voorzieningenrechter van oordeel dat Numico voorafgaande aan 9 juli 2007 beschikte over koersgevoelige informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de Wft. De voorzieningenrechter acht daarvoor redengevend dat in het weekend voorafgaande aan maandag 9 juli 2007 een uitdrukkelijk verzoek van Danone voorlag om tot besprekingen te komen met het oog op een openbaar bod op Numico, dat Danone haar initiële voorstel € 51,= per aandeel te bieden had verhoogd tot € 53,= en dat de RvC van Numico groen licht had gegeven onderhandelingen aan te gaan, waarbij een ondergrens van € 55,= per aandeel was aangegeven. Gelet op die omstandigheden in onderling verband acht de voorzieningenrechter de niet openbare informatie ter zake een op handen zijnde openbaar bod van Danone waarover Numico reeds voor 9 juli 2007 beschikte voldoende concreet als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de Wft. Hier kan niet aan afdoen dat Numico nog tot het moment dat zij op 9 juli 2007 tot een akkoord kwam met Danone met twee andere partijen in gesprek was. Evenmin kan hieraan afdoen dat er ook op 9 juli 2007 nadere onderhandelingen over enige andere punten dan de prijs per aandeel gevoerd dienden te worden. Voorts mag duidelijk zijn dat openbaarmaking van die informatie significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten of op de koers van daarvan afgeleide financiële instrumenten. Dit volgt reeds uit het gegeven dat reeds geruchten omtrent overname van Numico hebben geleid tot een zeer volatiel koersverloop."
In een vergelijkbare andere zaak — de Vedior-zaak12 — oordeelde de voorzieningenrechter: "Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de AFM worden gevolgd in haar stelling dat er met betrekking tot Vedior ten tijde van de opening van de beurs op 30 november 2007 sprake was van koersgevoelige informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de Wft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon er voorafgaande aan 30 oktober 2007 door beide partijen op grond van concrete op hen betrekking hebbende informatie redelijkerwijs worden verwacht dat een overname stand zou komen. Redengevend hiervoor is dat Randstad op 22 november 2007 een aangepast voorstel tot een vriendelijk overnamebod heeft gedaan (een combinatie van cash en aandelen Randstad waarbij de premie opliep tot 66% per aandeel), met welk voorstel de belangrijkste bezwaren tegen een eerder voorstel waren weggenomen. Verder zijn de Raad van Commissarissen en de Raad van Bestuur van Vedior op 29 november 2007 formeel akkoord gegaan met het starten van onderhandelingen met Randstad en lag er toen onder meer een van Randstad afkomstig concept gereed van een "Merger Agreement". Ten slotte mocht worden verwacht dat openbaarmaking van deze concrete informatie significante invloed zou kunnen hebben op de koers van het aandeel Vedior."
Welke lering is uit deze uitspraken te trekken over de koersgevoeligheid van (de stand van) overnamebesprekingen? Naar mijn oordeel blijkt uit deze uitspraken dat de strafrechter (alsook de bestuursrechter) stellig bereid is overnamebesprekingen reeds in een zeer pril — oriënterend of verkennend — stadium aan te merken als voorwetenschap.13 In deze uitspraken klinkt in elk geval niet door dat de strafrechter ook is nagegaan wat op het moment dat de effectentransacties door een insider werden verricht de mate van waarschijnlijkheid is geweest van het succesvol afronden van de overnamebesprekingen.14 Deze benadering wordt blijkens uitspraken van de Supreme Court in de USA wel gevolgd indien het niet zeker is of bepaalde gebeurtenissen daadwerkelijk in de toekomst zullen plaatsgrijpen (zie § 2.9.3 en § 2.11). Het ontbreken van een dergelijke beoordeling zou — mogelijk ten onrechte — de indruk kunnen wekken dat de strafrechter bij een ex post beoordeling van het handelen van een verdachte wijsheid achteraf in zijn vonnis debiteert.
Het lijkt er overigens op dat de strafrechter zich bewust is van het risico van hindsight bias, maar zich daartegen soms bij voorbaat indekt met de overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat besprekingen over een mogelijke overname uitermate koersgevoelig zijn.15 Hierbij past onmiddellijk een kanttekening. Volgens art. 339 lid 2 Sv behoeven feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs. Een gegeven kan eerst als feit van algemene bekendheid worden aangemerkt als over dat gegeven in redelijkheid geen discussie mogelijk is. Pas dan zal immers aanvaardbaar zijn dat een dergelijk gegeven ook niet op de terechtzitting ter sprake behoeft te zijn gebracht. Betwijfeld mag worden of de koersgevoeligheid van (de stand van) overnamebesprekingen onder alle omstandigheden een feit van algemene bekendheid is. Dat hierover in redelijkheid discussie mogelijk is, wijst de VPV-zaak uit. De AFM, het OM, de verdediging, de strafrechter (rechtbank en Hof) en de bestuursrechter (rechtbank en CBb) hebben allen een ander oordeel gegeven over het moment waarop verdachten bekend werden met voorwetenschap. Onder die omstandigheden is het mijns inziens rechtens niet aanvaardbaar een discussie in een bewijsoverweging "dood te slaan" met een beroep op feiten die — al dan niet "welhaast" — van algemene bekendheid zijn.
Lering is ten slotte ook te trekken uit het feit dat de Hoge Raad heeft gesanctioneerd dat een tenlastelegging melding maakt van nog niet openbaar gemaakte concrete informatie waarover een insider ten tijde van het verrichten van een effectentransactie zou hebben beschikt, maar waaraan toegevoegd is "althans de essentie daarvan" of woorden van gelijke strekking.16 De bewijslevering van het OM zal hierdoor vergemakkelijkt worden. Ook in het geval een strafvervolging wegens een overtreding van de openbaarmakingsplicht door een uitgevende instelling wordt ingesteld, zal vermoedelijk door het OM een toevlucht kunnen worden gezocht in een dergelijke uitbreiding van de tenlastelegging.
Minstens zo belangrijk voor de overnamepraktijk is nog een ander moment in de overnamebesprekingen. Een uitgevende instelling mag namelijk een beroep doen op de uitstelregeling van art. 5:25i lid 3 Wft indien en voor zolang openbaarmaking van de bewuste informatie de uitkomst of het normale verloop van de onderhandelingen kan beïnvloeden.17 Gedurende deze periode heeft de uitgevende instelling een rechtmatig belang bij uitstel van openbaarmaking van de bewuste koersgevoelige informatie. Het voorgaande betekent ook dat indien en zodra de onderhandelingen een zodanig stadium hebben bereikt dat openbaarmaking daarvan niet langer meer de uitkomst of het normale verloop van de onderhandelingen kan beïnvloeden onverwijld daarna de openbaarmakingsplicht nageleefd zal moeten worden (zie § 5.12.1).
Tijdens overnamebesprekingen kan de uitgevende instelling met een situatie worden geconfronteerd waarin zij niet langer een beroep mag doen op de uitstel-regeling van art. 5:25i lid 3 Wft. Die situatie doet zich voor indien de overname-besprekingen zijn uitgelekt en de uitgevende instelling niet langer in staat is de vertrouwelijkheid van de achtergehouden informatie te waarborgen (art. 5:25i lid 3 onderdeel c Wft) (zie ook § 5.14). In dat geval is de uitgevende instelling genoodzaakt onverwijld een persbericht uit te geven.
Het uitlekken van overnamebesprekingen op de Nederlandse effectenmarkt lijkt heden ten dage schering en inslag te zijn.18 Opmerkelijke koers- en omzetbewegingen waren bijvoorbeeld in de volgende gevallen te zien. In een op 9 juli 2007 nabeurs verschenen persbericht werd het voorgenomen openbare bod van Danone op Numico aangekondigd. De koers van het aandeel Numico was op die dag inmiddels van € 39,95 naar € 44,50 (ca. 11%) opgelopen. In een ander geval werd door Hagemeyer op 9 oktober 2007 in een persbericht bevestigd dat Sonepar voornemens is een openbaar bod op Hagemeyer uit te brengen. Gedurende de zeven handelsdagen voorafgaand aan dit persbericht is de koers van het aandeel Hagemeyer opgelopen van € 2,88 tot € 4,16 (ca. 44%). In het persbericht stelt Hagemeyer: "Until yesterday evening there have been no contacts between Hagemeyer and Sonepar in respect of Sonepar's intended offer." Sonepar doet vervolgens op 9 oktober 2007 melding van een substantiële deelneming van 10,24% in Hagemeyer en vermeldt als datum van ontstaan van de meldingsplicht voor dit gehele pakket 9 oktober 2007. Ten slotte zij nog gewezen op het persbericht van Vedior van 30 november 2007, waarin werd aangekondigd dat er gesprekken plaatsvinden tussen Vedior en Randstad. Op diezelfde dag was de koers van het aandeel tot aan het uitbrengen van het persbericht inmiddels reeds opgelopen van € 12,38 naar € 15,26 (ca. 24%). Zie § 5.14 voor de resultaten van het onderzoek van de AFM naar een aantal van deze zaken.
Zoals aangegeven, zal de uitgevende instelling ingeval de overnamebesprekingen zijn uitgelekt niet langer een beroep kunnen doen op de uitstelregeling van art. 5:25i lid 3 Wft. Mijns inziens is de reden hiervoor niet alleen dat de uitgevende instelling kennelijk niet langer in staat is om de vertrouwelijkheid van de achtergehouden informatie te waarborgen, maar onder omstandigheden ook omdat inmiddels van verder uitstel misleiding van het publiek te duchten is (art. 5:25i lid 3 onderdeel b Wft) (zie ook § 5.13).
De overnamepraktijk laat ook persberichten van uitgevende instellingen zien die weliswaar minder in het geijkte patroon passen, maar toch koersgevoelige informatie kunnen opleveren.
Vermoedelijk om rust rondom de onderhandelingen te creëren, maakte P&O Nedlloyd bekend dat het overnamegesprekken voerde met de marktleider Maersk. Volgens een woordvoerder van P&O Nedlloyd bevonden de gesprekken zich nog "in een pril stadium" en was er "nog geen zekerheid of de gesprekken zullen leiden tot een bod".19 De Gouden Gids werd door VNU publiekelijk in de etalage geplaatst voordat gesprekken waren gevoerd met potentiële kopers.20 Philips kondigde begin 2007 aan dat het tempo van overnames zou worden opgevoerd: "De afgelopen maanden hebben we meer mankracht vrijgemaakt om potentiële overnamekandidaten te identificeren. Dat heeft een grotere pijplijn opgeleverd."21 Een ander voorbeeld is de openlijke belangstelling die de bestuursvoorzitter van Ballast Nedam aan de dag legde om door een met naam en toenaam genoemde branchegenoot overgenomen te worden.22 Daartegenover kan de openbare mededeling van de bestuursvoorzitter van Hagemeyer, in reactie op overnamegeruchten, geplaatst worden dat Hagemeyer "absoluut niet te koop is".23 Tijdens het WK voetbal 2010 maakte Ajax bekend dat Bayern München belangstelling had getoond in een overname van haar in de nationale selectie spelende verdediger Gregory van der Wiel. De in de media wel genoemde overnameprijs van € 14 miljoen bedroeg tweederde van het kort daarvoor bekend gemaakte verlies van Ajax over 2009. Op 21 juli 2010 meldde Ajax in een persbericht dat partijen niet langer meer in onderhandeling waren.
Vermeld moet worden dat we in de overnamepraktijk ook wel voorbeelden zien van partiële openbaarmaking van koersgevoelige informatie. Zo wordt tussen partijen soms geheimhouding overeengekomen over de overnameprijs. In een dergelijk geval kan de overnemende uitgevende instelling wel het verwachte effect van de overnamesom op de verwachte gezamenlijke fmanciële resultaten weergeven in het persbericht, zonder de hoogte van de overnamesom te noemen. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de vereiste transparantie, in die zin dat de belegger duidelijkheid heeft over de impact van de overname op het bedrijf en daarmee op zijn belegging. Bij het publiceren van de eerstvolgende financiële cijfers zal de overname inmiddels verwerkt zijn in de resultaten en zijn de beleggers volledig geïnformeerd.24
Soms leidt een overname van een onderneming tot een koerseffect bij andere uitgevende instellingen die in dezelfde sector werkzaam zijn. De reden hiervoor kan zijn dat de markt de overname heeft opgevat als een aanwijzing dat een verdere consolidatie in de betreffende sector zal plaatsvinden, en dat overnames van andere uitgevende instellingen in het verschiet zullen liggen. Tot een openbaarmakingsplicht zal deze ontwikkeling niet snel leiden, omdat — zoals vereist door art. 5:25i lid 2 j° art. 5:53 lid 1 Wft — de bewuste informatie in dit geval niet rechtstreeks betrekking heeft op de uitgevende instelling (zie § 5.5).