United Nations Conference on the law of treaties, first and second sessions Vienna, 26 March-24 May 1968 and 9 April-22May 1969, Official Records, Documents of the Conference, p. 36
HR, 03-12-2010, nr. 09/01401
ECLI:NL:HR:2010:BL8864, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-12-2010
- Zaaknummer
09/01401
- LJN
BL8864
- Vakgebied(en)
Belastingen van rechtsverkeer (V)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2010:BL8864, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑12‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL8864
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BH6969
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑12‑2010
ECLI:NL:HR:2010:BL8864, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑12‑2010; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2009:BH6969, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL8864
- Vindplaatsen
FED 2011/10 met annotatie van P.G.H. ALBERT
BNB 2011/229 met annotatie van S. van Weeghel
FutD 2010-0799
Viditax (FutD) 2010032608
FED 2011/10 met annotatie van P.G.H. ALBERT
BNB 2011/229 met annotatie van S. van Weeghel
NTFR 2011/330 met annotatie van mr. M. van Leeuwaarden Adv. LLM
FutD 2010-2767
Viditax (FutD) 2012081005
Viditax (FutD) 2010120304
Conclusie 03‑12‑2010
Inhoudsindicatie
Kapitaalsbelasting; artikelen 33 en 37, lid 5, Wet op belastingen van rechtsverkeer; Nederlands-Zwitserse Vriendschapstractaat van 1875; Belastingverdrag Nederland-Zwitserland. Kan belanghebbende zich op grond van haar feitelijke vestigingsplaats (Zwitserland) met een beroep op het traktaat verzetten tegen heffing van kapitaalsbelasting? Beoordeling van de woonplaats van de inbrenger in verband met het discriminatieverbod van artikel 10, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland.
HR nr. 09/01401
Hof nrs. P07/01026 en 03/02595
Rechtbank nr. AWB 05/1160
Derde Kamer A
Naheffing kapitaalsbelasting 2000; vier voldoeningen kapitaalsbelasting 2001
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
MR. P.J. WATTEL
ADVOCAAT-GENERAAL
Conclusie van 4 maart 2010 inzake:
X N.V.
TEGEN
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
1. Overzicht
1.1. Deze zaak betreft kapitaalsbelastingheffing ter zake van (i) inbreng in 2000 in de belanghebbende, door haar 50%-aandeelhoudster (die is opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen), van dier gehele vermogen (behoudens twee kleine banksaldi en (opties) op aandelen in de belanghebbende) en (ii) vier kapitaalstortingen in 2001 in de belanghebbende, door haar 50%-aandeelhoudster en door werknemers in het kader van de uitoefening van optierechten op aandelen in de belanghebbende.
1.2. De kapitaalsbelasting is afgeschaft per 1 januari 2006.
1.3. De belanghebbende is opgericht naar Nederlands recht, maar feitelijk gevestigd in Zwitserland. Zij meent om twee redenen de (na)geheven kapitaalsbelasting niet verschuldigd te zijn. De eerste reden raakt alle vijf kapitaalstortingen (middel 1): het gelijke-behandelingsgebod in het Nederlands-Zwitserse Vriendschapstraktaat van 1875(1) (het Traktaat) juncto de vestigingsplaatsfictie ex art. 33 (oud) Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR) verbiedt haars inziens de heffing. De tweede reden raakt alleen de inbreng in 2000 (middel 2): de vestigingseis ex art. 37(5) (oud) Wet BvR is volgens de belanghebbende onverenigbaar met het discriminatieverbod in het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met Zwitserland (het Verdrag).(2)
1.4. Ik concludeer dat het Traktaat de belanghebbende geen soelaas biedt. Het Traktaat bevat weliswaar de verplichting voor Nederland om Zwitserse onderdanen op gelijke wijze te behandelen als Nederlandse onderdanen, maar de belanghebbende is opgericht naar Nederlands recht, zodat zij geacht moet worden de Nederlandse nationaliteit te bezitten. De belanghebbende kan zichzelf voor de toepassing van het Traktaat niet gelijk stellen met een Zwitserse onderdaan op de enkele grond dat zij feitelijk in Zwitserland is gevestigd. Feitelijke vestiging is geen onderdaanschap. Het Traktaat verbiedt Nederland evenmin om (kapitaals)belasting te heffen op grond van het nationaliteitsbeginsel (voor rechtspersonen: het oprichtingsrecht of de statutaire zetel).
1.5. Het belastingverdrag met Zwitserland bevat voor het geval van een dubbele vestigingsplaats van een rechtspersoon een tie break-bepaling (art. 2) die als verdragsvestigingsplaats aanwijst de Staat naar wiens recht de desbetreffende rechtspersoon is opgericht; de belanghebbende is daarom Verdragsinwoner van Nederland. Daardoor kan geen sprake zijn van directe discriminatie van de belanghebbende naar nationaliteit in de zin van art. 10(1) van het Verdrag.
1.6. Art. 10(4) van het Verdrag verbiedt Nederland echter evenzeer indirecte discriminatie door een Nederlandse vennootschap met een Zwitserse aandeelhouder ongunstiger te belasten dan een Nederlandse vennootschap met een Nederlandse aandeelhouder. Ik concludeer dat het Hof Amsterdam ten onrechte de vraag naar het eventuele Zwitserse inwonerschap van belanghebbendes aandeelhoudster als een slechts feitelijke kwestie heeft opgevat, de beantwoording waarvan bepaald wordt door bewijslastverdeling en -levering. De belastingrechter moet zich - desnoods van ambtswege - verdiepen in het Zwitserse recht als dat recht beslissend is voor de toepassing van art. 10(4) van het Verdrag. Het Hof had zich daarom zelfstandig moeten verdiepen in het Zwitserse belastingrecht voor zover dat bepalend is voor de verdragsvestigingsplaats van belanghebbendes aandeelhoudster in 2000 en kon zich niet beperken tot bewijsopdrachten en -oordelen.
2. Feiten, procesverloop en geschil in feitelijke instanties
2.1. X N.V. (de belanghebbende) is op 29 november 1996 opgericht naar Nederlands recht. Zij is statutair gevestigd te Z en heeft een correspondentieadres in Zwitserland. Zij is een houdster- en beheermaatschappij binnen een concern dat computerspellen ontwikkelt en waarvan het hoofdkantoor in Noorwegen is gevestigd. Het concern opereert in de Verenigde Staten van Amerika, China en Zwitserland.
2.2. Tot 26 mei 2000 werd de helft van de aandelen in de belanghebbende gehouden door een naar Nederlands-Antilliaans recht opgerichte N.V., A Holdings (inmiddels geheten B Holding N.V.; hierna: B). De overige aandelen waren in handen van zes in Noorwegen gevestigde (rechts)personen.
2.3. Op 26 mei 2000 heeft de belanghebbende nominaal ƒ 934.913,50 aandelen geplaatst bij B tegen inbreng door B van haar gehele vermogen (volgens de inbrengakte ter waarde $ 19.523.823,46) behoudens (opties) op aandelen in de belanghebbende en twee kleine banksaldi. Ter zake van deze inbreng heeft de Inspecteur met dagtekening 11 april 2003 een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting opgelegd ad € 192.242. De belanghebbende heeft daartegen vergeefs bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank Haarlem(3) (de Rechtbank).
2.4. Voorts hebben in 2001 B en werknemers (het dossier heldert niet op van wie) viermaal contanten in het kapitaal van de belanghebbende gestort (r.o. 2.1.4. Hofuitspraak). De werknemers stortten bij de uitoefening van optierechten op aandelen in de belanghebbende. Bij vier uitspraken op bezwaar van 5 juni 2003 heeft de Inspecteur de bezwaren van de belanghebbende afgewezen tegen haar voldoening op aangifte van kapitaalsbelasting ter zake van deze vier kapitaalstortingen. De belanghebbende heeft tegen die afwijzing beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam(4) (het Hof). Dit beroep is behandeld ter zitting van 2 april 2004. Het Hof heeft ter zitting besloten de behandeling van dat beroep aan te houden in verband met het lopende bezwaar van de belanghebbende tegen de in 2.3 genoemde naheffingsaanslag (r.o. 1.1.8. van de Hofuitspraak). Ook ter zake van de vier stortingen in 2001 rees namelijk de vraag of het genoemde Traktaat van 1875 in de weg staat aan de heffing van Nederlandse kapitaalsbelasting. De vijf zaken zijn uiteindelijk bij elkaar gekomen bij het Hof en aldaar gevoegd (r.o. 1.2.5. van de Hofuitspraak).
2.5. In geschil was, voor zover in cassatie van belang:
- of B ten tijde van de inbreng in 2000 was gevestigd op Curaçao (standpunt fiscus) of in Zwitserland (standpunt belanghebbende); en
- of het genoemde Traktaat van 1875 (ter zake van zowel de inbreng in 2000 als de vier stortingen in 2001) dan wel het genoemde belastingverdrag (ter zake van de inbreng in 2000) in de weg staat aan Nederlandse heffing van kapitaalsbelasting.
2.6. Over het eerste geschilpunt oordeelde de Rechtbank als volgt:
"4.6. (...). Bij de beoordeling van de plaats van vestiging van B neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier een passieve houdster- en financieringsmaatschappij betreft die naar haar aard over weinig substance beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende weersproken betoogd dat B inwoner van Zwitserland is geworden. Het gelijk op dit punt is mitsdien aan eiseres. (...)."
2.7. Het Hof kwam echter tot een ander oordeel:
"2.6.2.2. De onder 2.1.2.3 bedoelde uitgifte van aandelen [zie 2.3.; PJW] vond plaats bij een akte die is opgemaakt door een Nederlandse notaris. In de aanhef van die akte is onder meer vermeld dat B haar "regular place of business" heeft aan de a-straat 1 te R, Curaçao (Nederlandse Antillen). Dezelfde vermelding is opgenomen in een eveneens op 26 mei 2000 door dezelfde notaris opgemaakte akte van overdracht door B van aandelen in belanghebbende en in een door C op 23 mei 2000 namens B ondertekende volmacht.
2.6.2.3. In een uittreksel uit het handelsregister Curacao van 28 oktober 1996 is als "address
of business" van B een adres op Curaçao vermeld. In een uittreksel uit hetzelfde register van 23 mei 2000 is als haar "business address" vermeld a-straat 1 te Curaçao, blijkens dit uittreksel het adres van de "managing director" D NV. Volgens een uittreksel uit voormeld register van 3 oktober 2003 was dit adres van B toen nog ongewijzigd.
2.6.2.4. Tot de gedingstukken behoort een door C als directeur van B ondertekende en aan belanghebbende gerichte brief gedagtekend 23 mei 2000. In de kop van deze brief is als adres van B vermeld a-straat 1 te R. Als adres van belanghebbende werd een adres in Zwitserland vermeld.
2.6.2.5. Uit de gedingstukken blijkt dat B over de jaren 2000 en 2001 te Curaçao aangifte
voor de winstbelastingen heeft gedaan.
2.6.2.6. Het Hof leidt uit de onder 2.6.2.2 tot en met 2.6.2.5 vermelde feiten, tezamen en in onderling verband bezien, af dat B in 2000 en 2001 feitelijk op de Nederlandse Antillen was gevestigd. Het Hof kent aan de daar vermelde stukken meer betekenis toe dan aan de 'Einwohnererklärung" van het Kantonales Steueramt Q, aangezien die verklaring pas op 22 oktober 2003 is opgemaakt. Ditzelfde geldt voor de belastingaangiften in Zwitserland over 2000 en 2001, die pas op 10 juli 2003 zijn gedaan en de later opgelegde aanslagen in Zwitserse belastingen. Uit niets blijkt dat aan de verklaring en die aangiften en aanslagen een toetsing van de vestigingsplaats van B door de Zwitserse autoriteiten ten grondslag heeft gelegen. Voorts merkt het Hof op dat, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, de wijziging van de plaats van de feitelijke leiding van B pas op 15 april 2004, dus geruime tijd na afloop van het jaar 2001, is gemeld aan de belastingautoriteiten van de Nederlandse Antillen.
2.6.2.7. Belanghebbende heeft ter zitting van 7 november 2008 aangevoerd dat de administratie van zowel belanghebbende als B werd gevoerd in Zwitserland, dat daar ook de dagelijkse activiteiten plaatsvonden, dat op Curaçao geen beslissingen werden genomen en dat enige tijd is gekozen voor handhaving van de registratie op Curaçao, omdat liquidatie en verplaatsing van B flinke kosten met zich zou brengen. Het Hof acht in het licht van de onder 2.6.2.2 tot en met 2.6.2.5 vermelde feiten onvoldoende aannemelijk dat deze verklaringen de situatie weergeven zoals die in 2000 en 2001 in werkelijkheid bestond. Belanghebbende heeft dan ook niet het bewijs geleverd dat B ten tijde van de inbreng door haar in belanghebbende op 26 mei 2000 reeds feitelijk in Zwitserland was gevestigd."
2.8. Over het tweede geschilpunt (betreffende de inbreng in 2000) oordeelde de Rechtbank als volgt:
"4.7.1. De Nederlandse vertaling van de considerans van evenbedoeld op 19 augustus 1875 gesloten Tractaat (hierna: het Tractaat) luidt, onder meer:
"(...) Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en de Zwitserse Bondsraad, gelijkelijk bezield met den wensch de banden van vriendschap, die de beide landen verbinden, naauwer toe te halen, en willende de handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Zwitserland verbeteren en uitbreiden, hebben besloten een tractaat van vriendschap, vestiging en handel te sluiten (...)"
4.7.2. De Nederlandse vertaling van de considerans van het Verdrag van 12 november 1951 (hierna: het Verdrag) luidt:
"(...) Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds, en de Zwitserse Bondsraad, anderzijds, Bezield door de wens, zoveel mogelijk dubbele belasting te voorkomen op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen. Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten (...)"
4.7.3. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het Tractaat aan eiseres geen verdergaande rechtsbescherming dan het Verdrag van 12 november 1951. Redengevend voor dat oordeel is de omstandigheid dat het Verdrag een recentere uiting vormt van de rechtswil van beide verdragsluitende staten en dat het Verdrag om die reden beter het niveau van rechtsbescherming weergeeft dat door de verdragsluitende staten als wenselijk wordt gezien dan het Tractaat van 19 augustus 1875. Voorts neemt de rechtbank bij dat oordeel in aanmerking dat het Verdrag meer specifiek gericht is op belastingheffing dan het Tractaat. Daar doet niet aan af dat artikel 1 van het Tractaat mede ziet op de betaling van belastingen en tevens een clausule van meestbegunstiging bevat. Ten slotte acht de rechtbank in dit verband van belang dat de in artikel 10 van het Verdrag opgenomen nondiscriminatiebepaling ziet op belastingen van elke soort en benaming en derhalve een zeer ruim toepassingsbereik heeft. Het beroep op het Tractaat baat eiseres mitsdien niet.
4.7.4. Artikel 10 van het Verdrag luidt, voor zover hier van belang:
"1. Onderdanen van een van de beide Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing (...) onderworpen, die anders of zwaarder zou zijn dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.
2. De uitdrukking "onderdanen" betekent: (...);
b. alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de beide Staten van kracht is.
(...)"
4.7.5. Naar het oordeel van de rechtbank is in het voorliggende geval geen sprake van een situatie waarin onderdanen van een van beide staten in de andere staat aan een belastingheffing worden onderworpen die anders of zwaarder is dan de belastingheffing, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Ook artikel 37, vijfde lid, Wet BRV leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ongelijke behandeling die in het licht van het Verdrag ontoelaatbaar is. Het antwoord op de vraag of eiseres als onderdaan van Nederland of als onderdaan van Zwitserland wordt aangemerkt, is hiervoor niet van belang. Het beroep op het Verdrag baat eiseres evenmin.
4.8. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De subsidiaire stelling van verweerder [fraus legis; PJW] behoeft mitsdien geen behandeling."
2.9. Het Hof heeft belanghebbendes hiertegen gerichte hoger beroep, alsmede haar rechtstreekse beroep op het Hof inzake de vier stortingen in 2001 (zie 2.4. hierboven) ongegrond verklaard, daartoe overwegende als volgt:
"2.6.1.2. In artikel 33 van de Wet was in de jaren 2000 en 2001 bepaald dat een buiten de lidstaten van de Europese Unie gevestigd lichaam waarvan de statutaire zetel zich in Nederland bevindt, wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd. Vast staat dat de statutaire zetel van belanghebbende zich in die jaren in Nederland bevond, zodat zij ingevolge voormeld artikel 33 ter zake van de onderhavige stortingen en inbreng kapitaalsbelasting werd verschuldigd.
2.6.1.3. Belanghebbende betoogt dat het Tractaat aan het op die grond verschuldigd zijn van kapitaalsbelasting in de weg staat, aangezien daarmee zou zijn beoogd om voor onderdanen van Nederland en Zwitserland een recht van vrije vestiging in beide staten tot stand te brengen. Het Hof verwerpt dit betoog. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 13 juli 2001, BNB 2001/323, rechtsoverweging 3.7, is in het algemeen een staat bevoegd het nationaliteitsbeginsel ten grondslag te leggen aan de personele begrenzing van zijn belastinggebied. Uit het Tractaat blijkt niet dat Nederland en Zwitserland zich daarbij hebben verplicht van het uitoefenen van die bevoegdheid af te zien. Gelet op het geheel van de aan de nationaliteit verbonden rechten en plichten is hier geen sprake van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van belanghebbende ten opzichte van een naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap die haar feitelijke zetel in Zwitserland heeft.
(...).
2.6.3.1. Uit het onder 2.6.2 overwogene [zie onderdeel 2.7 hierboven; PJW] vloeit voort dat B ten tijde van de onder 2.1.2.3 bedoelde inbreng inwoner was van de Nederlandse Antillen. Aangezien zij dus geen inwoner was van Zwitserland, is het Verdrag niet van belang bij de beoordeling of belanghebbende ter zake van die inbreng aanspraak kan maken op vrijstelling van kapitaalsbelasting.
2.6.3.2. Voorts kan niet worden gezegd dat de rechtbank op dit punt buiten de rechtsstrijd is getreden. Het Hof leest in de stellingname van de inspecteur bij de rechtbank niet diens instemming met het achterwege blijven van heffing van kapitaalsbelasting, indien zou worden geoordeeld dat B in Zwitserland was gevestigd."
3. Het geschil in cassatie
3.1. De belanghebbende heeft tegen 's Hofs in één geschrift verenigde uitspraken tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De Staatssecretaris heeft bij verweer geconcludeerd tot verwerping van dat beroep. De belanghebbende heeft de Staatssecretaris van repliek gediend. Bij brief van 30 oktober 2009 heeft de Staatssecretaris medegedeeld niet te zullen dupliceren.
3.2. De belanghebbende stelt twee middelen van cassatie voor, die ik als volgt samenvat:
(i) het Hof heeft in r.o. 2.6.1.3. het recht, met name art. 1 en 4 van het Traktaat geschonden, nu art. 1 van het Traktaat een ongeclausuleerd recht van vrije vestiging voor onderdanen van beide staten inhoudt,(5) zodat de vestigingseis van art. 33 (oud) Wet BvR in strijd is met het Traktaat;
(ii) het Hof heeft ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld (r.o. 2.6.2.6) dat B op Curaçao was gevestigd. De belanghebbende beroept zich ter zake onder meer op het Besluit van 6 maart 2001, nr. CPP2000/3020M, BNB 2001/230.
3.3. De Staatssecretaris stelt bij verweer, met verwijzing naar tekst en strekking van het Traktaat, dat het Hof terecht onder verwijzing naar HR BNB 2001/323(6) heeft geoordeeld dat het Traktaat zich niet verzet tegen Nederlandse belastingheffing van eigen onderdanen waar onderdanen van Zwitserland buiten worden gelaten. De Staatssecretaris meent voorts dat, nu in diverse stukken R (Curaçao) als 'regular place of business' van B wordt genoemd, het Hof zonder motiveringsgebrek heeft kunnen oordelen dat de belanghebbende niet heeft bewezen dat B in Zwitserland is gevestigd.
3.4. Bij repliek wijst de belanghebbende er (nogmaals) op dat volgens art. 31 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht (Vienna Convention on the Law of Treaties; VCLT(7)) de heldere tekst van het Traktaat prevaleert boven de door de Staatssecretaris gestelde strekking ervan. Een 'gebod tot gelijkstelling', zoals in art. 1 van het Traktaat, heeft volgens de belanghebbende (blz. 3 repliek), die naar literatuur(8) verwijst, een ruimer bereik dan een 'verbod tot discriminatie':
"Nu vast staat dat belanghebbende zich in Zwitserland heeft gevestigd, dienen op grond van artikel 1 van het Traktaat zowel Zwitserland als Nederland haar gelijk te stellen met een Zwitsers onderdaan. Zwitserse onderdanen zijn in Nederland niet aan heffing van kapitaalsbelasting onderworpen."
Belanghebbende beroept zich in haar repliek voorts op HR 12 mei 2006, nrs 40 450 t/m 40 453(9) (r.o. 3.2.2.) en betoogt tot steun aan haar tweede middel:
"De Inspecteur heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de gegevens op grond waarvan zowel de Zwitserse als de Antilliaanse fiscus om B Holding N.V. als inwoner van Zwitserland aan te merken, onjuist of onvolledig zijn, c.q. dat de heffing in Zwitserland niet in redelijkheid op enige regel van Zwitsers recht kan zijn gestoeld. Zowel het Hof als de inspecteur hebben verzuimd het Zwitserse c.q. Antilliaanse recht ter zake te onderzoeken. (...). Door dit naast een inhoudelijke toetsing van het Zwitserse c.q. Antilliaanse recht buiten beschouwing te laten geeft het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting."
4. Het Traktaat van 1875 (middel 1)
4.1. De belanghebbende betoogt dat de art. 1 en 4 van het Traktaat meebrengen dat Nederlanders die in Zwitserland zijn gevestigd, voor de heffing van Nederlandse kapitaalsbelasting op dezelfde manier moeten worden behandeld als Zwitsers die in Zwitserland zijn gevestigd. Belanghebbendes uitputtende betoog komt erop neer dat het Traktaat voorziet in een 'ongeclausuleerd' recht van vrije vestiging, hetgeen volgens haar niet alleen de ontvangststaat tot gelijke behandeling verplicht, maar tevens de vertrekstaat verbiedt vertrekbelemmeringen op te werpen.
4.2. Art. 32 (oud) Wet BvR luidde in de litigieuze jaren 2000 en 2001 als volgt:
"1. Onder de naam 'kapitaalsbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van het bijeenbrengen van in aandelen verdeeld kapitaal in Nederland gevestigde lichamen.
2. Onder lichamen worden verstaan verenigingen, andere rechtspersonen, vennootschappen en doelvermogens.
3. (...)."
4.3. Art. 33 (oud) Wet BvR bepaalde:
"Een buiten de lid-staten van de Europese Unie gevestigd lichaam waarvan de statutaire zetel zich in Nederland bevindt, wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd."
Nu Zwitserland geen lid was - noch is - van de Europese unie, moest de belanghebbende dus geacht worden in Nederland te zijn gevestigd.
4.4. De artt. 1 en 4 van het Traktaat van 1875 luiden als volgt:(10)
"(Art. 1) "De wederzijdsche onderdanen en burgers der beide Hooge contracterende Partijen zullen volkomen met de nationalen worden gelijkgesteld, voor al wat aangaat het verblijf en de vestiging, de uitoefening van den handel, de nijverheid en de beroepen, de betaling der belastingen, de uitoefening der godsdiensten, het regt om allerlei roerende en onroerende eigendommen te verkrijgen en daarover te beschikken bij koop, verkoop, schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging bij versterf.
Zij zullen volkomen gelijkgesteld worden met de onderdanen der meest bevoorregte vreemde natie, voor zooveel aangaat hunnen persoonlijken staat onder alle andere opzigten.
Door de bovenstaande bepalingen wordt niet afgeweken van de wettelijke onderscheidingen tusschen de personen van Westersche herkomst en die van Oostersche herkomst in de Nederlandsche bezittingen van den Oosterschen Archipel."
(Art. 4) "Elke tariefsvermindering, elke gunst, elke vrijdom, die een der Hooge contracterende Partijen zal toestaan aan de onderdanen, [in 1996 geschrapt (zie mijn voetnoot 10; PJW): aan den handel, aan de voortsbrengselen van den grond of der nijverheid] eener derde mogendheid, zal onmiddellijk en onvoorwaardelijk tot de andere dezer Hooge Partijen worden uitgestrekt.
Geene der Hooge contracterende Partijen zal de andere onderwerpen aan een verbod of wettelijken last onder een dezer opzigten, welke niet te gelijkertijd op alle andere natien wordt toegepast.""
4.5. Voor de tekst van het aanvullende Protocol van 1877, waarin de reikwijdte van art. 1 wordt verduidelijkt, zie u het citaat opgenomen in onderdeel 4.9 hierna.
4.6. Art. 1 van het Traktaat is voldoende concreet en onvoorwaardelijk om rechtstreeks rechten en verplichtingen aan te ontlenen, zodat het "een ieder verbindt" in de zin van art. 93 van de Grondwet en voor rechtstreekse toepassing door de belastingrechter in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor het geciteerde art. 4. De belanghebbende kan zich er dus op beroepen voor de belastingrechter.
4.7. Art. 1 geeft "de wederzijdse onderdanen en burgers der beide Hooge contracterende Partijen" het recht op "volkomen gelijkstelling" met "nationalen." Ik zie niet hoe dat de belanghebbende kan baten bij de bestrijding van de te haren laste geheven Nederlandse kapitaalsbelasting. Nu zij naar Nederlands recht is opgericht en statutair in Nederland is gevestigd, heeft zij voor de toepassing van de geciteerde bepalingen onmiskenbaar de Nederlandse nationaliteit. Zij is vanuit Nederland bezien dus een "nationaal". Dat betekent dat zij in Zwitserland aanspraak heeft op gelijkstelling met een Zwitserse "nationaal." In Nederland wordt zij per definitie gelijkgesteld met een Nederlandse "nationaal", want zij is een Nederlandse "nationaal." Hetzelfde geldt mijns inziens voor de toepassing van art. 4 van het Traktaat op de belanghebbende. Zolang het uitsluitend gaat om de Nederlandse behandeling van een Nederlander worden de geciteerde bepalingen volgens hun tekst domweg niet geactiveerd.
4.8. De belanghebbende beroept zich echter - uitputtend - op de strekking van de geciteerde Traktaatbepalingen die haar haars inziens aanspraak geven op behandeling, door Nederland, alsof zij een Zwitserse "nationaal" zou zijn.
4.9. De belanghebbende citeert een uitspraak van de Rechtbank `s-Gravenhage van 26 september 2000(11) over de vraag of een Zwitserse vrouw rechtstreeks - in weerwil van het Nederlandse beleid neergelegd in hoofdstuk B11 van de Vreemdelingencirculaire 1994 - een verblijfsrecht kon ontlenen aan het geciteerde art. 1 van het Traktaat. Die Rechtbank heeft zich daartoe over de ontstaansgeschiedenis van het Traktaat laten voorlichten door de Minister van Buitenlandse Zaken en oordeelde vervolgens als volgt over de strekking van art. 1 daarvan:
"2.8. De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft verweerder bij schrijven van 13 maart 2000 verzocht de volgende vragen ter beantwoording door te geleiden naar de Minister van Buitenlandse Zaken:
1. Kunnen op grond van de totstandkomingsgeschiedenis van het Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen Nederland en Zwitserland (hierna: het Tractaat) uitspraken worden gedaan omtrent het werkingsbereik van art. 1? Biedt die geschiedenis grond voor de opvatting dat het Tractaat er (enkel) toe strekte de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Zwitserland te verbeteren en uit te breiden en niet tot doel had om te voorzien in een recht van vrije vestiging voor de wederzijdse onderdanen wanneer die vestiging niet ten dienste stond van het (zelfstandig) uitoefenen van een economische activiteit?
2. Wat was de aanleiding voor de wijziging van het op 19 augustus 1875 te Bern gesloten Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat?
3. Is in de bespreking die tot wijziging heeft geleid ook de noodzaak tot aanpassing van art. 1 van het Tractaat voorwerp van overleg geweest? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is van wijziging afgezien? Blijkt uit de notulen van de besprekingen iets omtrent de uitleg die door Nederland en/of Zwitserland (in 1996) aan deze bepaling werd gegeven?
4. Is bekend welke uitleg Zwitserland geeft aan het in art. 1 van het Tractaat vervatte recht op vrije vestiging?
5. Valt uitleg van een bepaling in het Tractaat binnen de kring van onderwerpen die op de voet van art. 2 van de Notawisseling tussen de Nederlandse en Zwitserse Regering tot wijziging van het Tractaat (Trb 1996, 217) voor bespreking in het bilateraal Comité in aanmerking komt? Zo ja, is bespreking daarvan te voorzien?
2.9. Naar aanleiding hiervan is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een rapport opgemaakt d.d. 10 april 2000. Bij begeleidende brief d.d. 23 mei 2000 heeft verweerder de rechtbank dit rapport doen toekomen, waarin omtrent de uitleg van het Tractaat op grond van de verdragsgeschiedenis, voorzover hier van belang, het volgende naar voren is gebracht.
"De voorgeschiedenis van het Tractaat gaat terug tot de jaren zestig van de negentiende eeuw. In 1862 stemde de Staten-Generaal niet in met de tekst van een dergelijk tractaat, o.a. in verband met het feit dat Zwitserland geen vrije godsdienstuitoefening toestond aan zich daar te lande vestigende vreemdelingen. Hernieuwde onderhandelingen werden in 1867 door Nederland afgebroken. Het achterliggende belang in 1862 voor het sluiten van het Tractaat, was vooral een handelsbelang. Op instigatie van de in Zwitserland gevestigde Nederlandse consul-generaal heeft in oktober 1874 een briefwisseling plaatsgevonden tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Financiën, naar aanleiding waarvan de verdragsonderhandelingen werden heropend. Men was het erover eens dat het niet alleen voor de Nederlanders in Zwitserland, maar ook voor de Nederlandse handel van belang was dat het verdrag gesloten werd. Op verzoek van Financiën informeert de consul generaal naar de regelgeving in de 25 kantons ten aanzien van de vestiging van Nederlanders. Globaal is de situatie als volgt "(...) dat onderdanen van al die vreemde mogendheden die tot de confederatie in geen verdragsbetrekking staan, door de kantons ten opzigte van hunnen vestiging en van de uitoefening van hun bedrijf niet even gunstig behoeven behandeld te worden als de onderdanen van staten met wie verdragen gesloten zijn, welke laatstbedoelde onderdanen zij behandelen moeten als hunnen eigene burgers (...)". Op 19 augustus 1875 wordt het Tractaat getekend. In de memorie van toelichting voeren de ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën met betrekking tot de heropening van de onderhandelingen in 1874 aan "(...) vooral echter waren het de in Zwitserland bestaande bepalingen omtrent de 'vestiging' die het raadzaam deden achten de gelijkstelling der Nederlandse onderdanen met de nationalen daar te lande verzekerd te zien (...)".
Artikel 1 van het toen in onderhandeling zijnde Tractaat luidt als volgt. De wederzijdse onderdanen en burgers der beide Hooge contracterende Partijen zullen volkomen met de nationalen worden gelijkgesteld, voor al wat aangaat het verblijf en de vestiging, de uitoefening van de handel, de nijverheid en de beroepen, de betaling der belastingen, de uitoefening der godsdiensten, het regt om allerlei roerende en onroerende eigendommen te verkrijgen en daarover te beschikken bij koop, verkoop, schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging bij versterf.
De Raad van State evenwel blijkt bij brief van 2 november 1875 aan de Koning bedenkingen te hebben tegen deze tekst. "Bij art. 1 van dit tractaat worden de woorden 'le séjour et l établissement' die in het verworpen tractaat [van 1862; PJW] met het oog slechts op eene gelijkstelling aan de 'nation la plus favorisée' gebezigd waren, in verband gebracht met eene assimilation complète aux nationaux in welk verband zij in andere verdragen niet voorkomen. (...). Dientengevolge toch zouden naar het schijnt aan de Zwitsers hier te lande en in onze koloniën regten kunnen worden verzekerd die niet overeen te brengen zijn met onze wetgeving op de toelating, vestiging, uitzetting en uitlevering van vreemdelingen in het algemeen, welke rechten dan ook nog nimmer aan onderdanen van andere staten zijn toegekend, doch -en hierop zij al dadelijk met aandrang gewezen- welke eenmaal tot de Zwitsers uitgestrekt zijnde, aanleiding zullen geven aan allen, die bij het verdrag aanspraak bekomen hebben om te worden behandeld op den voet der meest begunstigde natie, om hen ook voor zich te vorderen". Naar aanleiding van dit commentaar besluiten de betrokken ministers onderhandelingen met Zwitserland aan te gaan met betrekking tot een aanvullend protocol, dat de bedoeling van artikel 1 van het Tractaat moet verduidelijken. Bij brief van 9 maart 1876 schrijft Buitenlandse Zaken aan de consul-generaal te Bern "(...) De bedoeling der geïncrimineerde bepaling is, zoals u bekend, om de duidelijke opheffing te verzekeren der moeielijkheden waaraan thans Nederlanders in sommige Zwitsersche kantons blootstaan en hetzelfde aan de Zwitsers in Nederland te verzekeren, niet om de werking te verhinderen van wetsvoorschriften tot eventueel nodige handhaving van orde en rust in beide rijken of om de uitlevering van vreemde onderdanen te verbieden. Dat die bedoeling eveneens die van de Zwitsersche regering is, meen ik ook te kunnen afleiden uit de tractaten door Zwitserland met andere mogendheden gesloten en uit de eigen wetgeving van dien staat (...)".
Op 24 april 1877 wordt het protocol getekend, dat, voorzover hier van belang, als volgt luidt.) Terwijl het bedongene bij art. 1 aan de onderdanen der beide Hooge contracterende Partijen volkomen gelijkstelling met de nationalen verzekert, zelfs voor alles wat het verblijf en de vestiging aangaat, doet dat artikel toch, zoowel in het Koningrijk der Nederlanden en zijne koloniën als in Zwitserland, geenszins te kort aan het regt om te eischen dat elk onderdaan of burger van een der beide staten, die wil toegelaten worden om in den anderen te verblijven of zich te vestigen, houder moet zijn van een paspoort of ander authentiek bewijs van nationaliteit; noch aan het regt om personen, wien het aan middelen van onderhoud mogt ontbreken of die ten laste der openbare liefdadigheid mogten komen, van het grondgebied van de betrokken Staat te verwijderen; noch aan het regt om personen, die de rust en de openbare orde of de inwendige of uitwendige veiligheid van den Staat in gevaar mogten brengen, uit te zetten of wel hun eene bepaalde verblijfplaats aan te wijzen; noch aan het regt om vreemde misdadigers uit te leveren. Dit protokol zal dezelfde kracht en waarde hebben als of het woordelijk in het tractaat van 19 augustus 1875 was opgenomen.
In de memorie van toelichting wordt nogmaals gewezen op het feit dat het sluiten van dit verdrag vastlegt wat voor de handel al geldt, maar dat het vooral gesloten wordt om de gelijkstelling van Nederlandse onderdanen met Zwitsers te bewerkstelligen bij vestiging en verblijf in Zwitserland."
4.10. Ik leid hieruit af dat een onderdaan van Zwitserland die zich in Nederland wil vestigen, op grond van het Traktaat recht heeft op (fiscale) behandeling in Nederland die niet minder gunstig is dan die van een Nederlander en vice versa, en dat de verdragsluitende partijen daarop slechts beperkingen mogen aanbrengen voorzien in het geciteerd additionele protocol. Hoewel hieruit volgt dat het recht op vrije vestiging ruim is in die zin dat (rechts)personen op grond van het Traktaat aanspraak op verblijf kunnen maken zonder dat daarvoor omzetting of uitwerking in nationale regelgeving van het ontvangstland is vereist,(12) behelst het geenszins een verbod voor Nederland of Zwitserland om nationaliteit, oprichtingsrecht of statutaire zetel als aanknopingspunt voor belastingheffing te gebruiken.
4.11. Heffing op basis van nationaliteit, oprichtingsrecht of statutaire zetel is overigens geen vertrekbelemmering, aangezien heffing op die basis geen onderscheid maakt naar vestigingsplaats of woonplaats en geen onderscheid maakt tussen de binnenlandse situatie en de grensoverschrijdende situatie.(13) Nederland zou de litigieuze kapitaalstortingen ook hebben belast indien de belanghebbende feitelijk in Nederland was gevestigd.
4.12. De door de belanghebbende aangehaalde literatuur (zie voetnoot 8) biedt in dit verband mijns inziens geen gezichtspunten. Of het gaat om een discriminatieverbod of een wellicht ruimer werkend gelijkstellingsgebod is irrelevant in een situatie zoals in casu, waarin het gaat om de Nederlandse behandeling van een Nederlander of de Zwitserse behandeling van een Zwitser. Dat de belanghebbende feitelijk in Zwitserland is gevestigd, maakt haar geen Zwitserse "nationaal" (Zwitsers onderdaan of statutair in Zwitserland gevestigd) en geeft haar dus geen beroep op het Traktaat als ware zij een naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap.
4.13. Uw arrest HR BNB 2001/323,(14) waarop het Hof zijn oordeel mede baseert, betrof een feitelijk op de Nederlandse Antillen, maar statutair in Nederland gevestigde vennootschap. U oordeelde dat de vestigingsplaatsfictie van art. 33 (oud) Wet BvR geen door art. 26 IVBPR verboden discriminatie inhoudt:
"3.7. (...) In het algemeen is een staat bevoegd het nationaliteitsbeginsel ten grondslag te leggen aan de personele begrenzing van zijn belastinggebied. Indien een staat dit beginsel volgt, kan, gelet op het geheel van aan de nationaliteit verbonden rechten en plichten, in zijn algemeenheid niet worden gezegd dat dit leidt tot een verschil in behandeling ten nadele van zijn onderdanen, waarvoor objectieve en redelijke gronden ontbreken (vergelijk HR 13 november 1996, nr. 30 136, BNB 1997/54). Dit geldt voor zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. Met betrekking tot de toepassing van artikel 33 van de Wet moet daarbij in aanmerking worden genomen dat een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap door haar rechtsvorm en de daarop toepasselijke regels een zodanige met Nederland verbonden eigen identiteit heeft, dat de wetgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor het in de heffing betrekken van een zodanige vennootschap, anders dan geschiedt bij een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap die haar feitelijke zetel buiten de EG heeft. Van een ongeoorloofde discriminatie is derhalve geen sprake."
4.14. In haar commentaar op de thans in cassatie bestreden uitspraak van het Hof betwijfelt de redactie van V-N(15) of deze interpretatie van art. 26 IVBPR wel mutatis mutandis kan gelden voor de toepassing van art. 1 van het Traktaat dat immers - aldus die redactie - gebiedt om verschillende gevallen (dat van een Zwitser en dat van een Nederlander) gelijk te behandelen, terwijl art. 26 IVBPR juist gebiedt om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Ik betwijfel op mijn beurt of dat commentaar hout snijdt: art. 1 van het Traktaat verplicht Nederland en Zwitserland immers om de onderdanen van de andere Staat die, afgezien van hun nationaliteit, in gelijke feitelijke (vestigings)omstandigheden verkeren als nationalen, niet ongunstiger te behandelen dan die nationalen. Dat is dus een gebod om feitelijk gelijke gevallen gelijk te behandelen.
4.15. Onze belanghebbende is echter géén onderdaan van de andere Staat en hoe dan ook is mijns inziens juist 's Hofs conclusie dat tekst noch strekking van het Traktaat aanleiding geeft tot de veronderstelling dat Nederland en Zwitserland zouden hebben afgezien van hun bevoegdheid om de personele begrenzing van hun belastingjurisdicties te bepalen op basis van nationaliteit of oprichtingsrecht.
4.16. Middel 1 faalt daarom.
4.17. De belanghebbende heeft zich niet beroepen op de meestbegunstigingbepaling in art. 1 van het Traktaat, hoewel de tot heffing leidende vestigingsplaatsfictie van art. 33 (oud) Wet BvR alleen gold voor vennootschappen die feitelijk buiten de EU zijn gevestigd, waardoor kapitaalstortingen in naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen die in andere EU-lidstaten zijn gevestigd gunstiger behandeld werden. Deze bepaling was gebaseerd op art. 2(1) van de EG-Kapitaalsbelastingrichtlijn(16) dat gebaseerd is op het geharmoniseerde uitgangspunt dat het binnen de EU aan de lidstaat van feitelijke vestiging is om te bepalen of en zo ja, hoeveel kapitaalsbelasting geheven wordt (binnen de beperkingen van die Richtlijn en met als einddoel de afschaffing van de kapitaalsbelasting). Een meestbegunstigingsverplichting zou kunnen meebrengen dat dat uitgangspunt ook jegens Zwitserland toegepast zou moeten worden. Uit de tekst van art. 1 en vooral uit het in 4.9. geciteerde aanvullende Protocol blijkt echter dat art. 1 ziet op gelijke behandeling van inbound Zwitsers in Nederland en van inbound Nederlanders in Zwitserland. Daar gaat het in belanghebbendes geval niet om. De meestbegunstigingsbepaling heeft in belanghebbendes geval dus mijns inziens geen voorwerp.(17)
5. De vestigingsplaats van belanghebbendes aandeelhoudster/het belastingverdrag met Zwitserland (middel 2)
5.1. Het tweede middel ziet op de inbreng in de belanghebbende, in 2000, door haar aandeelhoudster, van dier gehele vermogen. In de feitelijke instanties heeft de belanghebbende betoogd dat heffing van kapitaalsbelasting daarover wordt verboden door de nondiscriminatiebepaling (art. 10) van het belastingverdrag met Zwitserland (zie. r.o. 3.2.1. van de Rechtbankuitspraak), c.q. dat die Verdragsbepaling noopt tot vrijstelling van kapitaalsbelasting over die inbreng (zie r.o. 2.2.2.b. van de Hofuitspraak).
5.2. Art. 37 (oud) Wet BvR luidde in 2000, voor zover hier van belang, als volgt:
"1. Onder door Ons bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld het bijeenbrengen van kapitaal:
a. in geval van fusie, splitsing en interne reorganisatie;
(...)
5. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, letter a, is niet van toepassing, indien een van de lichamen niet binnen een van de lid-staten van de Europese Unie is gevestigd."
5.3. Het discriminatieverbod in het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Artikel 10
1. Onderdanen van een van de beide Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder zou zijn dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.
2. De uitdrukking 'onderdanen' betekent:
a. (...)
b. alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de beide Staten van kracht is.
3. (...)
4. Ondernemingen van een van de beide Staten, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer personen met woonplaats in de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder zou zijn dan de belastingheffing of daarmede verhoudende verplichtingen, waaraan andere soortgelijke ondernemingen van die eerstbedoelde Staat zijn of kunnen onderworpen.
5. In dit artikel ziet de uitdrukking 'belastingheffing' of belastingen van elke soort en benaming."
5.4. De verdragsvestigingsplaats van rechtspersonen met een naar nationaal recht dubbele vestigingsplaats wordt in het Verdrag als volgt bepaald:
"Artikel 2
(...)
4. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt de woonplaats van een rechtspersoon bepaald volgens de belastingwetgeving van elk van de beide Staten. Indien daaruit een woonplaats in de beide Staten voortvloeit, wordt de rechtspersoon geacht zijn woonplaats te hebben in de Staat, waar hij zijn statutaire zetel heeft."
5.5. Ik ga ervan uit dat de belanghebbende, nu zij feitelijk in Zwitserland is gevestigd, naar Zwitsers recht wordt geacht haar fiscale woonplaats in Zwitserland te hebben. Op grond van de geciteerde tie break-bepaling (art. 2) is zij echter voor verdragstoepassingsdoeleinden in Nederland gevestigd wegens haar Nederlandse nationaliteit. Als zij geen dubbele vestigingsplaats heeft (als zij niet ook in Zwitserland als inwoner onderworpen wordt), is de belanghebbende a fortiori in Nederland als inwoner onderworpen op grond van haar nationaliteit. Daardoor kan een beroep op art. 10(1) van het Verdrag haar niet baten. Die bepaling verbiedt immers alleen discriminatie naar nationaliteit door de Staat waarvan de rechtspersoon de nationaliteit niet heeft: zij ziet niet op heffing ten laste van eigen onderdanen zoals in casu.
5.6. Het vierde lid van art. 10 van het Verdrag verbiedt de Verdragstaten echter ook om te discrimineren naar de vestigingsplaats van de aandeelhouder van de belastingplichtige: een in Nederland gevestigde vennootschap waarvan de aandeelhouder in Zwitserland is gevestigd, mag niet ongunstiger belast worden dan een in Nederland gevestigde vennootschap waarvan de aandeelhouder in Nederland is gevestigd. Hoewel de vestigingseis van art. 37(5) Wet BvR formeel slechts een verschil in behandeling op grond van de vestigingsplaats van het inbrengende lichaam en niet een verschil in behandeling op grond van de vestigingsplaats van de aandeelhoudster meebrengt, heeft u geoordeeld dat bij inbreng het aandeelhouderschap en het inbrengerschap zozeer verweven zijn dat discriminatie naar de vestigingsplaats van de inbrenger moet worden beschouwd als discriminatie naar de vestigingsplaats van de aandeelhouder. U besloot aldus ter zake van de discriminatieverboden in de Nederlandse belastingverdragen met Zweden, de Verenigde Staten en Japan. Ik citeer het arrest ter zake van het Verdrag met Japan:(18)
"3.5. De strekking van artikel 25, lid 4, van het Verdrag [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, van 3 maart 1970, Trb. 1970,67; PJW], het tegengaan van een verschil in behandeling van een in één van de staten gevestigde onderneming naar gelang het kapitaal in handen is van inwoners van de ene dan wel de andere staat, brengt mede dat met ,,andere soortgelijke ondernemingen van Nederland'' niet wordt gedoeld op ondernemingen gedreven door in Nederland gevestigde vennootschappen waarvan het kapitaal in het bezit is van lichamen die zijn gevestigd in een andere staat buiten Nederland dan Japan, maar op - soortgelijke - ondernemingen gedreven door in Nederland gevestigde vennootschappen waarvan het kapitaal in het bezit is van niet in Japan maar in Nederland gevestigde vennootschappen. Voorts moet een belastingheffing die niet de onderneming als zodanig treft maar de vennootschap welke die onderneming drijft, voor de toepassing van dit artikel worden aangemerkt als een belastingheffing van die onderneming. Derhalve verbiedt artikel 25, lid 4, van het Verdrag om een in Nederland gevestigde vennootschap waarvan de moedermaatschappij in Japan is gevestigd zwaarder te belasten dan een in Nederland gevestigde vennootschap waarvan de moedermaatschappij in Nederland is gevestigd.
3.6. De in artikel 37, lid 5, van de Wet gestelde vestigingseis bewerkt formeel niet een verschil in behandeling op grond van de vestigingsplaats van de moedermaatschappij maar een verschil in behandeling op grond van de vestigingsplaats van het inbrengende lichaam. Echter, bij inbreng zijn het aandeelhouderschap en de hoedanigheid van inbrenger zozeer met elkaar verweven dat een discriminerende behandeling op grond van een hoedanigheid van de inbrenger tevens moet worden beschouwd als discriminatie op grond van een hoedanigheid van de aandeelhouder. Derhalve verbiedt artikel 25, lid 4, van het Verdrag ook om een in Nederland gevestigde vennootschap waarin wordt ingebracht door een in Japan gevestigd lichaam zwaarder te belasten dan een in Nederland gevestigde vennootschap waarin wordt ingebracht door een in Nederland gevestigde vennootschap. Het door artikel 37, lid 5, van de Wet bewerkstelligde verschil in behandeling naar gelang het inbrengende lichaam al dan niet binnen een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen is gevestigd, leidt in het onderhavige geval mitsdien tot een door artikel 25, lid 4, van het Verdrag verboden discriminatie. De middelen I en II zijn gegrond."
5.7. Was belanghebbendes aandeelhoudster, die opgericht is naar Antilliaans recht, ten tijde van de inbreng feitelijk in 2000 in Zwitserland gevestigd, dan zou de litigieuze Nederlandse heffing discrimineren in de zin van art. 10(4) van het Verdrag met Zwitserland en door die bepaling verboden worden omdat een vergelijkbare inbreng door een vergelijkbare in Nederland gevestigde aandeelhoudster vrijgesteld zou zijn geweest van kapitaalsbelasting (het Verdag is niet uitgebreid tot de verhouding Zwitserland/Antillen(19), dus een feitelijke Zwitserse vestigingsplaats van belanghebbendes aandeelhoudster wordt niet door de tie break in het Verdrag opzij gezet door het Antilliaanse oprichtingsrecht van belanghebbendes aandeelhoudster). De Inspecteur heeft echter betoogd dat de woonplaats van belanghebbendes aandeelhoudster in Zwitserland achteraf is gecreëerd. Het Hof heeft op basis van een uitvoerige feitelijke analyse (zie 2.7 hierboven) de Inspecteur gevolgd door te oordelen dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat B ten tijde van de inbreng in 2000 feitelijk in Zwitserland was gevestigd. Het Hof hechtte meer betekenis aan brieven van belanghebbendes aandeelhoudster in het jaar 2000 en aan op de Antillen over 2000 en 2001 door belanghebbendes aandeelhoudster gedane aangiften winstbelasting dan aan een pas in 2004 door de Antilliaanse fiscus afgegeven ruling, een pas in 2003 door de Zwitserse fiscus afgegeven Einwohnererklärung, pas in 2003 in Zwitserland gedane aangiften 2000 en 2001 en nadien opgelegde aanslagen in Zwitserse belastingen.
5.8. De belanghebbende acht 's Hofs oordeel op dit punt in strijd met het (buitenlandse) recht dan wel ondeugdelijk gemotiveerd, om drie redenen:
(i) het Hof heeft verzuimd de in 2004 afgegeven Antilliaanse ruling mee te wegen,(20) waarin de Antilliaanse belastingautoriteiten verklaren:
"2. Gezien de plaats van waaruit de feitelijke leiding van de Vennootschap [B; PJW] wordt uitgeoefend zal de vennootschap vanaf 1 januari 2000 worden geacht geen Nederlands Antilliaans belastbaar inkomen te genieten.
3. Met ingang van 1 januari 2000 zal de Vennootschap onderhevig zijn aan belasting in Zwitserland";
(ii) het Hof heeft verzuimd de betekenis te onderzoeken van de volgende verklaring van het Kantonales Steueramt Q:(21)
"(...) Einwohnererklärung
Hiermit bestätigen wir, dass seit 1. Januar 2000 B Holding N.V. völlig und unbeschränkt in der Schweiz die Schweizerischen Steuern als Einwohner unterworfen ist. (...)
Der Chefsteuerkommisär (...)"
(iii) het Hof had uit de uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van Curaçao moeten opmaken dat naast de 'managing director' te Curaçao nog een drietal 'managing directors' benoemd waren, waarvan één inwoner van Noorwegen, één van Bermuda en één van Zwitserland.
De belanghebbende leidt uit het Besluit BNB 2001/230(22) af dat van belang is waar de leidinggevende taak van het bestuur wordt uitgeoefend (zie onderdeel 1 van dat Besluit) en dat aan het functioneren van een trustmaatschappij op de Nederlandse Antillen geen wezenlijke betekenis toekomt (zie onderdeel 4 van het Besluit). In repliek voert de belanghebbende met een beroep op HR BNB 2007/38(23) bovendien aan dat het Hof van de Inspecteur had moeten verlangen dat deze de door de belanghebbende overlegde documenten (de belanghebbende doelt vermoedelijk op de aan haar aandeelhoudster opgelegde aanslag Bundessteuer (Zwitserse rijksbelasting) 2000 en de Einwohnererklärung), gemotiveerd zou weerleggen. Belanghebbendes op dit punt niet steeds even heldere betoog houdt kennelijk mede in dat het Hof zich in het buitenlandse, met name het Zwitserse recht had moeten verdiepen voordat hij kon oordelen over de woonplaats in de zin van art. 10(4) van het Verdrag van belanghebbendes aandeelhoudster.
5.9. Belanghebbendes beroep op het Besluit BNB 2001/230 faalt mijns inziens omdat het geval waarop dat Besluit ziet (zetelverplaatsing van een naar Nederlands recht opgericht lichaam naar het buitenland) niet aan de orde is: belanghebbendes aandeelhoudster is opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen en gesteld noch gebleken is dat sprake is van enige zetelverplaatsing vanuit Nederland.
5.10. Dan moet de vraag beantwoord worden of belanghebbendes aandeelhoudster ten tijde van de inbreng inwoner was van Zwitserland in de zin van art. 10(4) van het Verdrag. Volgens art. 2(4) van het Verdrag wordt de woonplaats van een rechtspersoon bepaald volgens de belastingwetgeving van elk van de Staten. Het inwonerschap van belanghebbendes aandeelhoudster hangt dus af van de toepassing van Zwitsers recht.
5.11. Uw rechtspraak, met name uw recente arrest BNB 2009/27,(24) houdt in dat de belastingrechter (ook) het relevante buitenlandse recht moet kennen en desnoods van ambtswege moet bijbrengen en toepassen als het antwoord op de door de rechter te beantwoorden vraag mede afhankelijk is van hetgeen het desbetreffende buitenlandse recht bepaalt. Dat is in casu het geval: het inwonerschap van belanghebbendes aandeelhoudster in de zin van art. 10(4) van het Verdrag hangt mede af van hetgeen Zwitsers recht bepaalt.
5.12. Het arrest waarop de belanghebbende zich (bij repliek) beroept (HR BNB 2007/38), betrof onder meer de vraag of een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap inwoner van België was geworden op grond van art. 4(1) van het belastingverdrag met België van 1970.(25) Op het cassatieberoep van de Staatssecretaris oordeelde u dat het Hof een onjuiste maatstaf had aangelegd door de verdragswoonplaats en de fiscale onderworpenheid van de belanghebbende vennootschap als feitelijke begrippen te beschouwen. U formuleerde een hoofdregel en twee uitzonderingen:
"3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdragswoonplaats van een vennootschap en de onderworpenheid aan de belastingheffing feitelijke begrippen zijn, (....).
(...)
3.2.2. Indien een Nederlands belastingplichtige in België als inwoner in de belastingheffing is betrokken, dient voor de toepassing van het bepaalde in artikel 4, § 1, van het Verdrag ervan te worden uitgegaan dat die belastingplichtige op grond van Belgische wetten als inwoner van België aan belasting is onderworpen. Dit is slechts anders indien hetzij de Inspecteur aannemelijk maakt dat de gegevens op grond waarvan de Belgische fiscus het inwonerschap van de betrokkene in België naar Belgisch recht heeft aangenomen, onjuist of onvolledig zijn, hetzij de heffing niet in redelijkheid op enige regel van Belgisch recht kan zijn gestoeld. In dit laatste geval dient de Inspecteur zulks gemotiveerd te stellen.
3.2.3. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft het Hof een onjuiste maatstaf toegepast bij zijn beoordeling of belanghebbende in België is onderworpen aan belasting in de zin van artikel 4, § 1 van het Verdrag. (....)"
5.13. Mijns inziens zijn voorts van belang, naast het reeds genoemde arrest HR BNB 2009/27 (Turks bewijsrecht), de arresten HR BNB 2009/93(26) (onderworpenheid aan vennootschapsbelasting van een Nederlandse BV in Griekenland?) en HR BNB 2009/92(27) (onderworpenheid expat in Sri Lanka?). In het eerst genoemde arrest overwoog u onder meer:
"3.3. Voor zover het middel betoogt dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door niet zelfstandig het Griekse belastingrecht (wet, jurisprudentie en uitvoeringspraktijk) uit te leggen, mist het feitelijke grondslag. In 's Hofs slotsom ligt immers een eigen oordeel van het Hof besloten over de onderworpenheid van belanghebbende aan de Griekse belasting.
3.4. Voor zover het middel betoogt dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld door van de Inspecteur bewijs te verlangen dat belanghebbende niet aan de Griekse belasting was onderworpen, faalt het eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft zelfstandig het Griekse belastingrecht uitgelegd en dit niet tot voorwerp van bewijsvoering door partijen gemaakt."
In het laatst genoemde arrest, betreffende de onderworpenheid van een natuurlijke persoon, overwoog u onder meer:
"3.4. Het middel betoogt voorts dat bij de beoordeling of belanghebbende in Sri Lanka aan belastingheffing was onderworpen de uitleg en toepassing van de wetgeving door de bevoegde autoriteiten van Sri Lanka maatgevend zijn, en dat daarom in het algemeen niet kan worden volstaan met de enkele verwijzing naar de buitenlandse wetgeving, maar dat tevens een van de buitenlandse fiscus afkomstig stuk is vereist waaruit de onderworpenheid blijkt.
3.5. Bij de beoordeling van onderworpenheid van een belastingplichtige aan buitenlandse belasting dient de inspecteur, en in beroep de rechter, zich in beginsel van de inhoud van het recht van de buitenlandse staat te vergewissen. Dat is slechts anders indien een belastingplichtige in de andere staat als inwoner daadwerkelijk in de heffing is betrokken, in welk geval ervan dient te worden uitgegaan dat die belastingplichtige op grond van de buitenlandse wetten als inwoner aan belastingheffing is onderworpen, tenzij hetzij de inspecteur aannemelijk maakt dat de gegevens op grond waarvan de buitenlandse fiscus het inwonerschap van de betrokkene aldaar naar het buitenlandse recht heeft aangenomen, onjuist of onvolledig zijn, hetzij de heffing niet in redelijkheid op enige regel van het buitenlandse recht kan zijn gestoeld (HR 12 mei 2006, nr. 40 450, 2007/38). Anders dan het middel betoogt, is de onderworpenheid aan de buitenlandse belasting derhalve weliswaar in beginsel gegeven indien door de buitenlandse fiscus een belastingaanslag is opgelegd, en kan een ander van de buitenlandse fiscus afkomstig stuk een belangrijke aanwijzing voor zodanige onderworpenheid vormen, maar de aanwezigheid van dergelijke stukken is niet onontbeerlijk om te komen tot het oordeel dat van onderworpenheid aan de buitenlandse belastingheffing sprake is. (...)."
5.14. In onze zaak gaat het erom of belanghebbendes aandeelhoudster naar Zwitsers recht haar fiscale woonplaats in Zwitserland had ten tijde van de inbreng in 2000. Uit de boven geciteerde rechtspraak blijkt dat de vestigingsplaats en de onderworpenheid van belanghebbendes aandeelhoudster geen feitelijke begrippen zijn, maar rechtsvragen vormen, die dientengevolge geen onderwerp zijn van bewijslastverdeling, alsmede dat het Hof zich had moeten vergewissen van de inhoud van het Zwitserse recht ter zake.
5.15. `s Hofs uitspraak houdt echter een bewijslastverdeling en een bewijsoordeel in (zie r.o. 2.6.2.7: "(....) onvoldoende aannemelijk (...). (...) niet het bewijs geleverd (...)"). Het Hof heeft de woonplaats van belanghebbendes aandeelhoudster in 2000 dus als een feitelijke kwestie opgevat die zich voor bewijslastverdeling leent zonder zelfstandige vergewissing door het Hof van de inhoud van het toepasselijke Zwitserse recht. Ik meen dat 's Hofs uitspraak daarom vernietigd moet worden. Het verwijzingshof zal zich zelfstandig moeten vergewissen van de inhoud van het Zwitserse recht ter zake van het eventuele Zwitserse fiscale inwonerschap van belanghebbendes aandeelhoudster in 2000 in de zin van art. 10(4) van het Verdrag. Dat Hof kan ter zake zonodig deskundigen raadplegen. Indien belanghebbendes aandeelhoudster op grond van Zwitsers recht ten tijde van de litigieuze inbreng inwoner van Zwitserland was in de zin van art. 10(4) van het Verdrag, verbiedt die bepaling de Nederlandse heffing van kapitaalsbelasting.
5.16. Middel 2 slaagt daarom naar mijn mening.
6. Conclusie
Ik geef u in overweging het cassatieberoep deels gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen naar een ander Gerechtshof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het op 19 augustus 1875 te Bern gesloten Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat en het Additionele protocol van 24 april 1877, Stb. 1878, nr. 137. De Verdragspartijen hebben in 1996 het Traktaat gewijzigd in verband met een tussen de Europese Gemeenschappen en Zwitserland op 22 juli 1972 gesloten overeenkomst inzake vrijhandel, Trb 1996, 217.
2 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van het inkomen en van het vermogen van 12 november 1951, `s-Gravenhage,Trb. 1951, 148.
3 Rechtbank Haarlem 1 november 2007, nr. AWB 05/1160, LJN BB7640, NTFR 2007/2103.
4 De uitspraken op bezwaar dateren van vóór 1 januari 2005 (invoering tweede feitelijke instantie), Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2009, P07/01036 en 03/02595, LJN BH6969, V-N 2009/23.17, met noot redactie, NTFR 2009/728.
5 Zie p. 23 van het beroepschrift in cassatie.
6 HR 13 juli 2001, nr. 35 333, na conclusie Wattel, LJN AB2609, BNB 2001/323, met noot Zwemmer, V-N 2001/43.22, met noot redactie, NTFR 2001/1042, met noot Alink, FED 2001/420.
7 Gesloten te Wenen op 23 mei 1969 en voor het Koninkrijk in werking getreden op 9 mei 1985. De oorspronkelijke vertaling is gepubliceerd in Trb. 1977, 169 en een herziene vertaling in Trb. 1985, 79.
8 De belanghebbende haalt aan: C. van Raad, Nondiscirmination in international tax law, Kluwer Law and Taxation, Deventer 1986, p. 11 en p. 215 (noot 5); K. Vogel, Doppelbesteuerungsabkommen Kommentar, 2., völlig neubearbeitete Auflage, p. 1224 ev.; T. Koopmans, Constitutional protection of equality, p. 246-248.
9 HR 12 mei 2006, nr. 40 450, na conclusie Van Ballegooijen, LJN AR5759, BNB 2007/38, met noot Van Weeghel, V-N 2006/27.4, met noot redactie, NTFR 2006/809, met noot Van Beelen.
10 De Verdragspartijen hebben in 1996 het Traktaat gewijzigd in verband met een tussen de Europese Gemeenschappen en Zwitserland op 22 juli 1972 gesloten overeenkomst inzake vrijhandel. Bij deze verdragswijziging is art. 1 gehandhaafd. In art. 4 is de volgende zinsnede geschrapt: "aan den handel, aan de voortbrengselen van den grond of der nijverheid", zie http://www.eda.admin.ch/eda/fr/home/topics/intla/intrea/dbstv/data62/e_19983262.html.
11 Rechtbank `s-Gravenhage 26 september 2000, AWB 99/6851, LJN AA8384, JV 2000, 285.
12 Aldus Rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, 26 september 2000, AWB 99/6851, LJN AA8384, JV 2000, 285 en Rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, 13 mei 1997, AWB 97/120, LJN ZA3212. Zie ook CRvB 29 mei 2002, nr. 00/5478, LJN: AE4591: het Traktaat ziet niet op aanspraken op grond van de sociale zekerheidswetgeving.
13 Aldus ook het HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03, Van Hilten-Van der Heijden, na conclusie Léger, Jur. 2006, blz. 1957, betreffende de voortgezette fictieve binnenlandse woonplaats ex art. 3(1) Successiewet van metterwoon geëmigreerde Nederlandse onderdanen.
14 HR 13 juli 2001, nr. 35 333, na conclusie Wattel, LJN AB2609, BNB 2001/323, met noot Zwemmer, V-N 2001/43.22, met noot redactie, NTFR 2001/1042, met noot Alink, FED 2001/420.
15 Aantekening V-N 2009/23.17.
16 Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, PB L 249, blz. 25.
17 In gelijke zin de redactie van V-N 2009/23.17.
18 HR 27 april 1994, nr. 28 603, na conclusie Moltmaker, LJN AW1944, BNB 1994/209, met noot Zwemmer, VN 1994/1710, met noot redactie, FED 1994/393, met noot Rijkels. Zie voorts HR 27 april 1994, nr. 28 239, na conclusie Moltmaker, LJN ZC5654, BNB 1994/207, met noot Zwemmer, VN 1994/1715, met noot redactie, FED 1994/391, met noot Rijkels (inzake Zweden) en HR 27 april 1994, nr. 28 674, na conclusie Moltmaker, LJN ZC5657, BNB 1994/210, met noot Zwemmer, VN 1994/1712, met noot redactie, FED 1994/392, met noot Rijkels (inzake de V-S).
19 Het Verdrag en de overeenkomst tot aanvulling en wijziging van het Verdrag (Trb. 1966/177, inwerkinggetreden op 22 december 1966) gelden ingevolge art. 1(3) juncto 12(1) Verdrag alleen voor Nederland.
20 Zie p. 24 van het beroepschrift in cassatie.
21 De belanghebbende betoogt dat de Zwitserse woonplaatsverklaring betekent dat de Zwitserse belastingdienst feitelijk een zekere mate van Zwitserse activiteiten van belanghebbendes aandeelhoudster heeft vastgesteld (zie p. 26 van het beroepschrift in cassatie).
23 HR 12 mei 2006, nr. 40 450, na conclusie Van Ballegooijen, LJN AR5759, BNB 2007/38, met noot Van Weeghel, V-N 2006/27.4, met noot redactie, NTFR 2006/809, met noot Van Beelen.
24 Zie HR 10 oktober 2008, nr. 41 983, LJN BF7181, BNB 2009/27, met noot Spek, NTFR 2008/1982, met noot Fase, V-N 2008/48.13, met noot redactie (verplichte toepassing van ambtswege van Turks recht).
25 Trb. 1970, 192. Art. 4(1) van dat Verdrag luidt voor zover van belang als volgt: "Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking 'inwoner van een van de Staten' iedere persoon die, ingevolge de wetten van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere, soortgelijke omstandigheid; (...)".
26 HR 16 januari 2009, nr. 43 128, LJN AY9937, na conclusie Wattel, BNB 2009/93, met noot R.J. de Vries, NTFR 2009, 192 met noot Kroon, V-N 2009/5.13, met noot redactie.
27 HR 16 januari 2009, nr. 42 218, LJN BG9878, BNB 2009/92, met noot R.J. de Vries, NTFR 2009, 193, met noot Kroon, V-N 2009/5.10, met noot redactie.
Beroepschrift 03‑12‑2010
Feiten
Verkort weergegeven en voor zover relevant, staat ten aanzien van de feiten tussen partijen het volgende vast:
Belanghebbende is een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap, met statutaire zetel in [Z] te Nederland, feitelijk gevestigd in de Zwitserse Bondsstaat (hierna: Zwitserland).
[A] Holdings N.V., een naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte vennootschap (welke na oprichting haar naam heeft gewijzigd in [B] Holding N.V., hierna: ‘[B]’) heeft bij notariële akte van 26 mei 2000 haar gehele vermogen op het kapitaal van belanghebbende ingebracht.
De inbreng van [B] betrof een inbreng van haar gehele vermogen bestaande uit een vordering op belanghebbende van USD. 19,523,823.46.
Belanghebbende ontving deze storting van [B] tegen uitgifte van 3.739.654 gewone aandelen van nominaal ƒ 0,25 per aandeel.
De aandelen in belanghebbende werden op dat moment voor de helft door [B] gehouden. De overige aandeelhouders van belanghebbende waren op dat moment natuurlijke en rechtspersonen. In de aangifte kapitaalsbelasting van 13 juni 2000 verzoekt belanghebbende om toepassing van de vrijstellingen als bedoeld in artikel 37, lid 2, onderdeel a (‘aandelenfusie faciliteit’) respectievelijk onderdeel b (‘bedrijfsfusiefaciliteit’) Wet op belastingen van rechtsverkeer (‘WBRV’).
De op aangifte verzochte toepassing van de hierboven genoemde vrijstellingen werd door de inspecteur bij naheffingsaanslag 11 april 2003 geweigerd op grond van het bepaalde in het vijfde lid van artikel 37 WBRV. De verschuldigde kapitaalsbelasting bedraagt € 192,242.
In 2001 en de jaren erop volgend hebben nog een aantal stortingen op het vermogen van belanghebbende plaatsgehad, waarvan de behandeling op de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn aangehouden totdat in onderhavige procedure definitief is beslist.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in de jaren 2000 en 2001 feitelijk was gevestigd in Zwitserland.
Voor de overige feiten en omstandigheden verwijst belanghebbende naar de gedingstukken.
[Uit het beroepschrift in cassatie van belanghebbende:]
Middelen
Belanghebbende bestrijdt de uitspraak van het Hof met de navolgende middelen van cassatie.
Middel I
Schending van het recht, in het bijzonder van artikelen 1 en 4 van het tussen Nederland en Zwitserland op 19 augustus 1875 gesloten Traktaat van vriendschap, vestiging en handel en het wijzigingsverdrag daarbij van 13 en 24 juni 1996 TRB. 1996, 217 en 1997, 36 (hierna: het ‘Traktaat’) doordat het Hof in r.o. 2.6.1.3. als volgt heeft geoordeeld:
‘2.6.1.3.
Belanghebbende betoogt dat het Traktaat aan het op die grond verschuldigd zijn van kapitaalsbelasting in de weg staat, aangezien daarmee zou zijn beoogd om voor onderdanen van Nederland en Zwitserland een recht van vrije vestiging in beide staten tot stand te brengen. Het Hof verwerpt dit betoog. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 13 juli 2001, BNB 2001/323, rechtsoverweging 3.7, is in het algemeen een staat bevoegd het nationaliteitsbeginsel ten grondslag te leggen aan de personele begrenzing van zijn belastinggebied. Uit het Traktaat blijkt niet dat Nederland en Zwitserland zich daarbij hebben verplicht van het uitoefenen van die bevoegdheid af te zien. Gelet op het geheel van de aan de nationaliteit verbonden rechten en plichten is hier geen sprake van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van belanghebbende ten opzichte van een naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap die haar feitelijke zetel in Zwitserland heeft.’
Het Hof verwijst naar het arrest van uw Raad van 13 juli 2001, BNB 2001/323, rechtsoverweging 3.7, waarin u als volgt oordeelt:
‘3.7.
De uitkomst waartoe het Hof is gekomen is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. In het algemeen is een staat bevoegd het nationaliteitsbeginsel ten grondslag te leggen aan de personele begrenzing van zijn belastinggebied. Indien een staat dit beginsel volgt, kan, gelet op het geheel van aan de nationaliteit verbonden rechten en plichten, in zijn algemeenheid niet worden gezegd dat dit leidt tot een verschil in behandeling ten nadele van zijn onderdanen, waarvoor objectieve en redelijke gronden ontbreken (vergelijk HR 13 november 1996, nr. 30 136, BNB 1997/54). Dit geldt voor zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. Met betrekking tot de toepassing van artikel 33 van de Wet moet daarbij in aanmerking worden genomen dat een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap door haar rechtsvorm en de daarop toepasselijke regels een zodanig met Nederland verbonden eigen identiteit heeft, dat de wetgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor het in de heffing betrekken van een zodanige vennootschap, anders dan geschiedt bij een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap die haar feitelijke zetel buiten de EG heeft. Van een ongeoorloofde discriminatie is derhalve geen sprake.’
De in het jaar 2000 vigerende tekst van artikel 32, lid 1 WBRV luidde als volgt:
- ‘1.
Onder de naam ‘kapitaalsbelasting’ wordt een belasting geheven ter zake van het bijeenbrengen van in aandelen verdeeld kapitaal in in Nederland gevestigde lichamen.’
De in het zelfde jaar vigerende tekst van artikel 33 WBRV luidde als volgt:
‘Een buiten de lidstaten van de Europese Unie gevestigd lichaam waarvan de statutaire zetel zich in Nederland bevindt, wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd.’
Belanghebbende heeft, zoals feitelijk vaststaat haar plaats van feitelijke leiding in Zwitserland. Zij is echter opgericht naar Nederlands recht en heeft haar statutaire zetel in Nederland. Op grond van artikel 33 WBRV wordt zij geacht op die grond in Nederland te zijn gevestigd. Een naar het recht van Zwitserland opgerichte vennootschap, welke in onderhavig jaar haar plaats van feitelijke leiding in Nederland zou hebben, zou op grond van artikel 32, lid 1 WBRV aan kapitaalsbelasting zijn onderworpen. Naar de mening van belanghebbende en anders dan het Hof in r.o. 2.6.2.6. concludeert, hebben Nederland en Zwitserland met de sluiting van het Traktaat beoogd om voor onderdanen van beide staten een ongeclausuleerd recht van vrije vestiging in het leven te roepen.
In haar oorspronkelijke tekst luidde Artikel 1 van het Traktaat als volgt:
‘De wederzijdsche onderdanen en burgers der beide Hooge contracterende Partijen zullen volkomen met de nationalen worden gelijkgesteld, voor al wat aangaat het verblijf en de vestiging, de uitoefening van den handel, de nijverheid en de beroepen, de betaling der belastingen, de uitoefening der godsdiensten, het regt om allerlei roerende en onroerende eigendommen te verkrijgen en daarover te beschikken bij koop, verkoop, schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging bij versterf.’
Artikel 4 van het Traktaat luidde oorspronkelijk als volgt:
‘Elke tariefsvermindering, elke gunst, elke vrijdom, die eene der Hooge contracterende Partijen zal toestaan aan de onderdanen, aan den handel, aan de voortbrengselen van de grond of der nijverheid eener derde mogendheid, zal onmiddellijk en onvoorwaardelijk tot de andere dezer Hooge Partijen worden uitgestrekt. Geene der Hooge contracterende Partijen zal de andere onderwerpen aan een verbod of wettelijken last onder een dezer opzigten, welke niet tegelijkertijd op alle andere naties wordt toegepast’
De tekst van beide artikelen van het Traktaat bevatten: ‘Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden…’. Artikel 93 van de Grondwet verbindt hieraan dat dergelijke bepalingen verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt.
Zowel het Traktaat als de daarop later aangebrachte wijzigingen zijn regulier gepubliceerd in Tractatenblad.
In de notawisseling tussen Nederland en Zwitserland van 24 juni 1996, welke op 10 januari 1997 tussen beide landen in werking trad (hierna: ‘de Notawisseling’) is het Traktaat als volgt gewijzigd:
- ‘1.
Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden (wat betreft Nederland) lid is van de Europese Gemeenschappen en de Europese Economische Gemeenschap (EEG) te Brussel op 22 juli 1972 ingevolge artikel 113 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap een Overeenkomst met de Zwitserse Bondsstaat heeft gesloten, op grond waarvan er aanleiding bestaat het op 19 augustus 1875 te Bern gesloten Traktaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat aan te passen, komen de twee Partijen overeen het genoemde Traktaat te wijzigen als volgt:
- a)
Artikel 2 en artikel 3 van het Traktaat komen te vervalen.
- b)
In artikel 4 van het Traktaat wordt het volgende zinsdeel geschrapt: ‘aan de handel, aan de voortbrengselen van de grond of der nijverheid’.
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft blijft het Traktaat echter ongewijzigd van toepassing op de Nederlandse Antillen en Aruba.’
Met ingang van de inwerkingtreding van de Notawisseling luidt artikel 4 van het Traktaat nu als volgt:
‘Elke tariefsvermindering, elke gunst, elke vrijdom, die eene der Hooge contracterende Partijen zal toestaan aan de onderdanen eener derde mogendheid, zal onmiddellijk en onvoorwaardelijk tot de andere dezer Hooge Partij en worden uitgestrekt. Geene der Hooge contracterende Partijen zal de andere onderwerpen aan een verbod of wettelijken last onder een dezer opzigten, welke niet tegelijkertijd op alle andere naties wordt toegepast’
Naast het Traktaat bestaat ook het tussen Nederland en Zwitserland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van 12 november 1951, zoals gewijzigd bij de overeenkomst van 22 juni 1966 (hierna: het ‘Verdrag’). Het Verdrag bepaald in artikel 2, lid 4 omtrent de woonplaats van een rechtspersoon:
- ‘4.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt de woonplaats van een rechtspersoon bepaald volgens de belastingwetgeving van elk van de beide Staten. Indien daaruit een woonplaats in de beide Staten voortvloeit, wordt de rechtspersoon geacht zijn woonplaats te hebben in de Staat, waar hij zijn statutaire zetel heeft.’
Voor zover het Verdrag in dit middel van belang is stelt belanghebbende zich op het standpunt dat Traktaat en Verdrag twee op zichzelf staande verdragen tussen beide staten zijn, welke elkaar noch uitsluiten noch met elkaar in conflict zijn. Artikel 30 Het Verdrag van Wenen betreffende het Verdragenrecht (hierna: VCLT: Vienna Convention on the Law of Treaties ) bepaalt in het geval van opvolgende verdragen tussen dezelfde staten en welke van toepassing zijn op hetzelfde onderwerp als volgt:
- ‘1.
Subject to Article 103 of the Charter of the United Nations, the rights and obligations of States Parties to successive treaties relating to the same subject matter shall be determined in accordance with the following paragraphs.
- 2.
When a treaty specifies that it is subject to, or that it is not to be considered as incompatiblewith an earlier or later treaty, the provisions of that other treaty prevail.
- 3.
When all the parties to the earlier treaty are parties also to the later treaty but the earlier treaty is not terminated or suspended in operation under article 59, the earlier treaty applies only to the extent that its provisions are compatible with those of the later treaty.
- 4.
When the parties to the later treaty do not include all the parties to the earlier one:
- (a)
as between States Parties to both treaties the same rule applies as in paragraph 3;
- (b)
as between a State party to both treaties and a State party to only one of the treaties, the treaty to which both States are parties governs their mutual rights and obligations.
- 5.
Paragraph 4 is without prejudice to article 41, or to any question of the termination or suspension of the operation of a treaty under article 60 or to any question of responsibility which may arise for a State from the conclusion or application of a treaty the provisions of which are incompatible with its obligations towards another State under another treaty.’
Het officiële commentaar1. bij de VCLT merkt ten aanzien van artikel 103, lid 3 het volgende op:
- ‘(9)
Paragraph 3 states the general rule for cases where all the parties to a treaty (whether without or with additional States) conclude a later treaty relating to the same subject matter. The paragraph has to be read in conjunction with article 56 which provides that in such cases the earlier treaty is to be considered terminated if (a) it appears from the treaty or is otherwise established that the parties intended the matter should thenceforth be governed by the later treaty, or (b) the provisions of the later treaty are so far incompatible with those of the earlier one that the two treaties are not capable of being applied at the same time. The second paragraph of that article provides, however, that the treaty is only to be considered as suspended if it appears from the treaty or is otherwise established that such was the intention. The present article applies only when both treaties are in force and in operation: in other words, when the termination or suspension of the operation of the treaty has not occurred under article 56. Paragraph 3, in conformity with the general rule that a later expression of intention is to be presumed to prevail over earlier one, then states that ‘the earlier treaty applies only to the extent that its provisions are compatible with those of the later treaty’.’
Naar de mening van belanghebbende beoogt het Traktaat wederkerig de vrije vestiging van onderdanen van beide staten. Het Verdrag beoogt voorkoming van dubbele belasting. Beide verdragen bepalingen bevatten ten aanzien van de vestigingsplaats van onderdanen. Wellicht moet aangenomen worden dat de woonplaats definitie van artikel 4 van het Verdrag wordt verruimd door de bepalingen van het Traktaat aangezien de laatste voor lichamen de mogelijkheid opent om als inwoner onder het Verdrag te worden beschouwd enkel op basis van de feitelijke vestigingsplaats. Gelet op de hierna te bespreken ontstaansgeschiedenis van het Traktaat was dat nu juist een van de oorspronkelijke doelstellingen van het Traktaat; vrijheid van vestiging voor Nederlandse onderdanen te bewerkstelligen om zodoende in alle Zwitserse kantons voor de heffing van belastingen met Zwitsers gelijkgesteld te worden.
Artikel 59 van het VCLT bepaalt ten aanzien van in de tijd opvolgende verdragen het volgende:
‘Article 59. Termination or suspension of the operation of a treaty implied by conclusion of a later treaty
- 1.
A treaty shall be considered as terminated if all the parties to it conclude a later treaty relating to the same subject matter and:
- (a)
it appears from the later treaty or is otherwise established that the parties intended that the matter should be governed by that treaty; or
- (b)
the provisions of the later treaty are so far incompatible with those of the earlier one that the two treaties are not capable of being applied at the same time.
- 2.
The earlier treaty shall be considered as only suspended in operation if it appears from the later treaty or is otherwise established that such was the intention of the parties.’
Het commentaar2. op artikel 59 van het VCLT geeft, onder meer, de volgende uitleg:
- ‘(4)
Article [59] also concerns the relation between successive treaties relating to the same subject-matter, paragraphs 3 and 4(a) of that article stating that the earlier treaty applies only to the extent that its provisions are compatible with those of the later treaty. The practical effect of those paragraphs, no doubt, is to negative and in that way to suspend the operation of the incompatible provisions of the earlier treaty so long as the later treaty is in force. But article [56] deals only with the priority of inconsistent obligations of treaties both of which are to be considered as in force and in operation. The article does not apply to cases where it is clear that the parties intended the earlier treaty to be abrogated or its operation to be wholly suspended by the conclusion of the later treaty; for then there are not two sets of incompatible treaty provisions in force and in operation, but only those of the later treaty. In other words article [30] comes into play only after it has been determined under the present article that the parties did not intend to abrogate, or wholly to suspend the operation of, the earlier treaty. The present article, for its part, is not concerned with the priority of treaty provisions which are incompatible, but with cases where it clearly appears that the intention of the parties in concluding the later treaty was either definitively or temporarily to supersede the régime of the earlier treaty by that of the later one. In these cases the current article terminates or suspends the operation of the earlier treaty altogether, so that it is either no longer in force or no longer in operation. In short, the present article is confined to cases of termination or suspension of the operation of a treaty implied from entering into a subsequent treaty.’
De Notawisseling dateert van een latere datum dan het Verdrag en daarin geven beide staten aan het Traktaat in aangepaste vorm te willen continueren. Er kan naar de mening van belanghebbende dan ook geen twijfel over bestaan dat Traktaat en Verdrag twee tussen Nederland en Zwitserland geldende verdragen behelzen, welke tussen partijen als naast elkaar functionerend gelden.
Uit de Notawisseling blijkt dat Nederland rekening heeft willen houden met haar verplichtingen uit hoofde van haar EG lidmaatschap en is het Traktaat dienovereenkomstig aangepast, echter zijn artikelen 1 en 4 van het Traktaat in stand gebleven. De heffing van kapitaalrecht is gebaseerd op EG Richtlijn 69/335/EEG (hierna: de ‘Richtlijn’) Artikel 2 van de Richtlijn gebiedt de Lidstaten die kapitaalsbelasting heffen voor de heffing daarvan aan te knopen bij de ‘registered office’ indien ‘the effective centre of management’ is gelegen in een derde land. Artikel 33 WBRV geeft uitvoering aan artikel 2 van de Richtlijn.
Op grond van artikel 94 van de Grondwet dient artikel 33 WBRV te worden beschouwd als een binnen het Koninkrijk geldend wettelijke voorschrift, welke geen toepassing heeft indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het leidt geen twijfel dat het Traktaat als een verdrag kwalificeert en in onderhavig jaar van kracht was. Aan de Richtlijn kan geen rechtstreekse werking worden toegekend nu zij zich richt tot de EG lidstaten.
Uit de Conclusie van de Advocaat-generaal bij uw arrest van 1 november 2000 (Nr. 35 398), BNB 2001/19 c kan ten aanzien van verdragsinterpretatie het volgende worden ontleend:
‘—5.5.
Deze a contrario redenering leidt dus tot een resultaat dat tegengesteld is aan dat van de a contrario redenering in 4.1. Zo komen wij niet verder. Wij wenden ons tot het Weense Verdragenverdrag. 6. Verdragsinterpretatie
—6.1.
De artikelen 31, 32 en 33 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht * [9] (hierna: VCLT: Vienna Convention on the Law of Treaties), en de officiële toelichting bij deze artikelen geven regels, resp. aanvullende middelen van interpretatie, voor de interpretatie van verdragsbepalingen.
—6.2.
Artikel 31 VCLT luidt als volgt:
- ‘1.
Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag.
- 2.
Voor de uitlegging van een verdrag omvat de context, behalve de tekst, met inbegrip van preambule en bijlagen:
- a.
iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen alle partijen is bereikt;
- b.
iedere akte opgesteld door een of meer partijen bij het sluiten van het verdrag en door de andere partijen erkend als betrekking hebbende op het verdrag.
- 3.
Behalve met de context dient ook rekening te worden gehouden met:
- a.
iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen;
- b.
ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de partijen inzake de uitlegging van het verdrag is ontstaan;
- c.
iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de partijen kan worden toegepast.
- 4.
Een term dient in een bijzondere betekenis verstaan te worden als vaststaat, dat dit de bedoeling van partijen is geweest.’
—6.3.
Uit het officiële commentaar * [10] , dat volgens Van Raad* [11] zelf als een ‘aanvullend middel van uitlegging’ in de zin van art. 32 kan gelden, kan worden afgeleid dat een grammaticale en tekstuele uitleg van een verdragsbepaling vooropstaat. Pas indien de letterlijke tekst, geïnterpreteerd naar de gangbare betekenis van de woorden, leidt tot onzekerheden, onjuistheden of volstrekt onbillijke uitkomsten, komt de uitlegger toe aan andere interpretaties:
‘Commentary to [Article 31]
- 11.
(…) Moreover, the jurisprudence of the International Court contains many pronouncements from which it is permissible to conclude that the textual approach to treaty interpretation is regarded by it as established law. In particular, the Court has more than once stressed that it is not the function of the interpretation to revise treaties or to read into them what they do not, expressly or by implication, contain.
- 12.
Paragraph 1 (…) ‘The Court considers it necessary to say that the first duty of a tribunal which is called upon to interpret and apply the provisions of a treaty, is to endeavor to give effect to them in their natural and ordinary meaning in the context to which they occur. If the relevant words in their natural and ordinary meaning make sense in their context, that is an end of the matter. And the Permanent Court in an early Advisory Opinion, stressed that the context is not merely the article or section of the treaty in which the term occurs, but the treaty as a whole: ‘In considering the question before the Court upon the language of the Treaty, it is obvious that the Treaty must be read as a whole, and its meaning is not to be determined merely upon particular phrases which, if detached from the context, may be interpreted in more than one sense.’
- ‘17.
Paragraph 4 (…) Other members, while not disputing that the technical or special meaning of the term may often appear from the context, considered that there was a certain utility in laying down a specific rule on the point, if only to emphasize that the burden of proof lies on the party invoking the special meaning of the term. (…)
Commentary to [Article 32]
- 18.
There are many dicta in the jurisprudence of international tribunals stating that where the ordinary meaning of the words is clear and makes sense in the context, there is no occasion to have recourse to other means of interpretation. (…) ‘The Court considers that the text is sufficiently clear; consequently it does not feel that it should deviate from the consistent practice of the Permanent Court of International Justice, according to which there is no occasion to resort to preparatory work if the text of a convention is sufficiently clear in itself.’ As already indicated, the Commission's approach to treaty interpretation was on the basis that the text of the treaty must be presumed to be the authentic expression of the intentions of the parties, and that the elucidation of the meaning of the text rather than an investigation ab initio of the supposed intentions of the parties constitutes the object of the interpretation.’’
Een tekstuele interpretatie van het Traktaat lijkt op grond van bovenaangehaalde passage het meest voor de hand liggend. In deze lijn ligt ook de beslissing van de Rechtbank 's‑Gravenhage van 26 september 2000 (LJN: AA8384, Rechtbank 's‑Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, AWB 99/6851) waaruit onder meer het volgende valt op te maken over de ontstaansgeschiedenis van het Traktaat als ook de bedoelingen van de verdragssluitende partijen:
‘2.8
De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft verweerder bij schrijven van 13 maart 2000 verzocht de volgende vragen ter beantwoording door te geleiden naar de Minister van Buitenlandse Zaken:
- 1)
Kunnen op grond van de totstandkominggeschiedenis van het Traktaat van vriendschap, vestiging en handel tussen Nederland en Zwitserland (hierna: het Traktaat) uitspraken worden gedaan omtrent het werkingsbereik van art. 1? Biedt die geschiedenis grond voor de opvatting dat het Traktaat er (enkel) toe strekte de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Zwitserland te verbeteren en uit te breiden en niet tot doel had om te voorzien in een recht van vrije vestiging voor de wederzijdse onderdanen wanneer die vestiging niet ten dienste stond van het (zelfstandig) uitoefenen van een economische activiteit.
- 2)
Wat was de aanleiding voor de wijziging van het op 19 augustus 1875 te Bern gesloten Traktaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat?
- 3)
Is in de bespreking die tot wijziging heeft geleid ook de noodzaak tot aanpassing van art. 1 van het Traktaat voorwerp van overleg geweest? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is van wijziging afgezien? Blijkt uit de notulen van de besprekingen iets omtrent de uitleg die door Nederland en/of Zwitserland (in 1996) aan deze bepaling werd gegeven?
- 4)
Is bekend welke uitleg Zwitserland geeft aan het in art. 1 van het Traktaat vervatte recht op vrije vestiging?
- 5)
Valt uitleg van een bepaling in het Traktaat binnen de kring van onderwerpen die op de voet van art. 2 van de Notawisseling tussen de Nederlandse en Zwitserse Regering tot wijziging van het Traktaat (Trb 1996, 217) voor bespreking in het bilateraal Comité in aanmerking komt? Zo ja, is bespreking daarvan te voorzien?
2.9
Naar aanleiding hiervan is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een rapport opgemaakt d.d. 10 april 2000. Bij begeleidende brief d.d. 23 mei 2000 heeft verweerder de rechtbank dit rapport doen toekomen, waarin omtrent de uitleg van het Traktaat op grond van de verdragsgeschiedenis, voor zover hier van belang, het volgende naar voren is gebracht.
De voorgeschiedenis van het Traktaat gaat terug tot de jaren zestig van de negentiende eeuw. In 1862 stemde de Staten-Generaal niet in met de tekst van een dergelijk tractaat, o.a. in verband met het feit dat Zwitserland geen vrije godsdienstuitoefening toestond aan zich daar te lande vestigende vreemdelingen. Hernieuwde onderhandelingen werden in 1867 door Nederland afgebroken. Het achterliggende belang in 1862 voor het sluiten van het Traktaat, was vooral een handelsbelang. Op instigatie van de in Zwitserland gevestigde Nederlandse consul-generaal heeft in oktober 1874 een briefwisseling plaatsgevonden tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Financiën, naar aanleiding waarvan de verdragsonderhandelingen werden heropend. Men was het erover eens dat het niet alleen voor de Nederlanders in Zwitserland, maar ook voor de Nederlandse handel van belang was dat het verdrag gesloten werd. Op verzoek van Financiën informeert de consul generaal naar de regelgeving in de 25 kantons ten aanzien van de vestiging van Nederlanders. Globaal is de situatie als volgt ‘…dat onderdanen van al die vreemde mogendheden die tot de confederatie in geen verdragsbetrekking staan, door de kantons ten opzigte van hunnen vestiging en van de uitoefening van hun bedrijf niet even gunstig behoeven behandeld te worden als de onderdanen van staten met wie verdragen gesloten zijn, welke laatstbedoelde onderdanen zij behandelen moeten als hunnen eigene burgers…’. Op 19 augustus 1875 wordt het Traktaat getekend. In de memorie van toelichting voeren de ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën met betrekking tot de heropening van de onderhandelingen in 1874 aan ‘… vooral echter waren het de in Zwitserland bestaande bepalingen omtrent de ‘vestiging’ die het raadzaam deden achten de gelijkstelling der Nederlandse onderdanen met de nationalen daar te lande verzekerd te zien (…)’.
Artikel 1 van het toen in onderhandeling zijnde Traktaat luidt als volgt. De wederzijdse onderdanen en burgers der beide Hooge contracterende Partijen zullen volkomen met de nationalen worden gelijkgesteld, voor al wat aangaat het verblijf en de vestiging, de uitoefening van de handel, de nijverheid en de beroepen, de betaling der belastingen, de uitoefening der godsdiensten, het regt om allerlei roerende en onroerende eigendommen te verkrijgen en daarover te beschikken bij koop, verkoop, schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging bij versterf.
De Raad van State evenwel blijkt bij brief van 2 november 1875 aan de Koning bedenkingen te hebben tegen deze tekst.
‘Bij art. 1 van dit tractaat worden de woorden ‘le séjour et l'établissement’ die in het verworpen tractaat (red. nl. dat van 1862) met het oog slechts op eene gelijkstelling aan de ‘nation la plus favorisée’ gebezigd waren, in verband gebracht met eene assimilation complète aux nationaux in welk verband zij in andere verdragen niet voorkomen. (…). Dientengevolge toch zouden naar het schijnt aan de Zwitsers hier te lande en in onze koloniën regten kunnen worden verzekerd die niet overeen te brengen zijn met onze wetgeving op de toelating, vestiging, uitzetting en uitlevering van vreemdelingen in het algemeen, welke rechten dan ook nog nimmer aan onderdanen van andere staten zijn toegekend, doch — en hierop zij al dadelijk met aandrang gewezen — welke eenmaal tot de Zwitsers uitgestrekt zijnde, aanleiding zullen geven aan allen, die bij het verdrag aanspraak bekomen hebben om te worden behandeld op den voet der meest begunstigde natie, om hen ook voor zich te vorderen’.
Naar aanleiding van dit commentaar besluiten de betrokken ministers onderhandelingen met Zwitserland aan te gaan met betrekking tot een aanvullend protocol, dat de bedoeling van artikel 1 van het Traktaat moet verduidelijken. Bij brief van 9 maart 1876 schrijft Buitenlandse Zaken aan de consul-generaal te Bern… ‘ De bedoeling der geïncrimineerde bepaling is, zoals u bekend, om de duidelijke opheffing te verzekeren der moeielijkheden waaraan thans Nederlanders in sommige Zwitsersche kantons blootstaan en hetzelfde aan de Zwitsers in Nederland te verzekeren, niet om de werking te verhinderen van wetsvoorschriften tot eventueel nodige handhaving van orde en rust in beide rijken of om de uitlevering van vreemde onderdanen te verbieden. Dat die bedoeling eveneens die van de Zwitsersche regering is, meen ik ook te kunnen afleiden uit de tractaten door Zwitserland met andere mogendheden gesloten en uit de eigen wetgeving van dien staat…’.
Op 24 april 1877 wordt het protocol getekend, dat, voorzover hier van belang, als volgt luidt. Terwijl het bedongene bij art. 1 aan de onderdanen der beide Hooge contracterende Partijen volkomen gelijkstelling met de nationalen verzekert, zelfs voor alles wat het verblijf en de vestiging aangaat, doet dat artikel toch, zoowel in het Koningrijk der Nederlanden en zijne koloniën als in Zwitserland, geenszins te kort aan het regt om te eischen dat elk onderdaan of burger van een der beide staten, die wil toegelaten worden om in den anderen te verblijven of zich te vestigen, houder moet zijn van een paspoort of ander authentiek bewijs van nationaliteit; noch aan het regt om personen, wien het aan middelen van onderhoud mogt ontbreken of die ten laste der openbare liefdadigheid mogten komen, van het grondgebied van de betrokken Staat te verwijderen; noch aan het regt om personen, die de rust en de openbare orde of de inwendige of uitwendige veiligheid van den Staat in gevaar mogten brengen, uit te zetten of wel hun eene bepaalde verblijfplaats aan te wijzen; noch aan het regt om vreemde misdadigers uit te leveren. Dit protokol zal dezelfde kracht en waarde hebben als of het woordelijk in het tractaat van 19 augustus 1875 was opgenomen.
In de memorie van toelichting wordt nogmaals gewezen op het feit dat het sluiten van dit verdrag vastlegt wat voor de handel al geldt, maar dat het vooral gesloten wordt om de gelijkstelling van Nederlandse onderdanen met Zwitsers te bewerkstelligen bij vestiging en verblijf in Zwitserland.
2.10
Bij de beoordeling van het een en ander stelt de rechtbank voorop dat de door verweerder voorgestane interpretatie van het Traktaat miskent dat niet is gebleken van een voor de onderhavige zaak relevante beperking van het toepassingsbereik van het Traktaat door later gesloten verdragen. In dat verband heeft verweerder weliswaar betoogd dat het Traktaat in 1996 is gewijzigd, maar verweerder kan daarmee enkel doelen op intrekking van enkele in de onderhavige zaak niet relevante bepalingen van het Traktaat omdat in de behoefte aan die bepalingen inmiddels op andere wijze was voorzien. Het in deze zaak relevante art. 1 van het Traktaat is gewijzigd noch ingetrokken.
2.11
Voorts heeft verweerder ter ondersteuning van zijn stelling dat het Traktaat zich beperkt tot het scheppen van een recht op behandeling van een onderdaan van een van de verdragsluitende partijen, die niet minder gunstig is dan de behandeling van een nationaal, indien hij alhier economische activiteiten anders dan in loondienst wil verrichten, de vergelijking getrokken met het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika. Deze vergelijking gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, omdat dat verdrag een geheel andere werkingssfeer heeft nu daarin het recht op verblijf van wederzijdse onderdanen ingevolge artikel II, sub a en b van dat verdrag uitdrukkelijk is beperkt tot
- a)
het drijven van handel tussen de grondgebieden van de twee Partijen en
- b)
het ontwikkelen van de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd,terwijl verblijf voor andere doeleinden alleen is geoorloofd met inachtneming van de wetten met betrekking tot de toelating en het verblijf van vreemdelingen.
2.12
Op grond van de in het hierboven aangehaalde rapport geschetste achtergrond kan niet anders worden geconcludeerd dan dat naar tekst, strekking en geschiedenis sprake is van een Traktaat dat in artikel 1 voorziet in een in beginsel ongeclausuleerd recht op vrije vestiging en verblijf voor de wederzijdse onderdanen op elkaars territoir door gelijkstelling met nationalen. De verdragsluitende partijen zijn slechts gerechtigd op dit recht op vestiging en verblijf beperkingen aan te brengen onder de voorwaarden genoemd in het hiervoor weergegeven additioneel protocol. De in het Traktaat bedoelde gelijkstelling met nationalen heeft een ruimere strekking dan het mogelijk maken van handelsactiviteiten. Anders dan bij EU-onderdanen het geval is, is met zo'n gelijkstelling onverenigbaar het recht op vestiging te koppelen aan de uitoefening van economische activiteiten. Bij deze stand van zaken kan verweerder derhalve evenmin beleidsmatig als voorwaarde stellen dat Zwitserse onderdanen die hier te lande arbeid in loondienst willen verrichten, dienen te beschikken over een tewerkstellingsvergunning.
2.13
Op grond van het additioneel protocol hebben de verdragsluitende partijen de mogelijkheid om aan het recht op verblijf van wederzijdse onderdanen op elkaars territoir de voorwaarde te verbinden dat geen beroep wordt gedaan op de openbare kas. In het licht van de hiervoor weergegeven bezwaren van de Raad van State, die hebben geleid tot de totstandkoming van het additioneel protocol, getuigt het niet van een onredelijke verdragsuitleg dat verweerder van degenen die zich op het Traktaat beroepen teneinde hier te lande te kunnen verblijven, verlangt dat zij aantonen dat over voldoende middelen van bestaan wordt beschikt.’
Artikelen 32 lid 1 en 33 WBRV leggen respectievelijk het territorialiteitsbeginsel en het nationaliteitsbeginsel ten grondslag aan de begrenzing van het Nederlandse heffingsgebied. De belanghebbende in uw arrest van 13 juli 2001, BNB 2001/323 betrof een Nederlandse vennootschap met statutaire zetel in Nederland en feitelijke vestigingsplaats in de Nederlandse Antillen. Belanghebbende in onderhavige casus is eveneens een Nederlandse vennootschap met statutaire zetel in Nederland, echter met feitelijke vestigingsplaats in Zwitserland. In r.o. 2.6.1.3. concludeert het Hof dat gelet op het geheel van de aan de nationaliteit verbonden rechten en plichten hier geen sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van belanghebbende ten opzichte van een naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap die haar feitelijke zetel in Zwitserland heeft. Dit oordeel acht belanghebbende onjuist en in strijd met de tekst van artikel 1 van het Traktaat. Voor de heffing van de kapitaalsbelasting wordt in beginsel aangegrepen bij de feitelijke vestigingsplaats van een lichaam. Is die feitelijke vestigingsplaats gelegen in Nederland, dan is het desbetreffende lichaam, ingeval risico dragend kapitaal bijeen wordt gebracht, in Nederland onderworpen aan de heffing van kapitaalsbelasting, ongeacht waar de statutaire vestigingsplaats zich op dat moment bevindt. Voor een naar het recht van Zwitserland opgerichte vennootschap met statutaire zetel in Zwitserland en met feitelijke vestigingsplaats in Nederland, als niet-EU lichaam, zou op het moment van vestiging op grond van artikel 31, lid 1 WBRV kapitaalsbelasting geheven worden. Echter volgens art. 2, eerste lid Richtlijn 69/335 EG dient op grond van de Richtlijn de hoofdregel te zijn dat voor de heffing van kapitaalsbelasting wordt aangegrepen bij de feitelijke vestigingsplaats. Indien zowel de feitelijke als de statutaire vestigingsplaats zich binnen de EU bevinden maar in verschillende lidstaten daarvan, dan komt heffingsbevoegdheid toe aan de lidstaat waarin de feitelijke vestigingsplaats zich bevindt. Artikel 33 WBRV regelt dat Nederland voor de heffing van kapitaalsbelasting naast het in artikel 31, lid 1 WBRV geregelde territorialiteitsbeginsel tevens het nationaliteitsbeginsel ten grondslag aan haar belastinggebied legt. Afgezien van de binnen de heersende leer bestaande opvattingen over de rechtsgrondslag van art. 33 WBRV veroorzaakt dit dubbele aanknopingspunt van heffing in onderhavig geval een met artikel 1 van het Traktaat strijdige ongelijke behandeling van wederzijdse onderdanen nu de beide verdragsluitende partijen beogen een van de nationaliteit onafhankelijk wederzijds overeenkomstig recht van vrijheid van vestiging tot stand te brengen. Nu belanghebbende echter haar feitelijke vestigingsplaats in Zwitserland heeft kan zij nimmer op één lijn komen, c.q. gelijk behandeld worden met een vennootschap met statutaire zetel in Zwitserland welke haar feitelijke vestigingsplaats in Zwitserland zou hebben — een dergelijke vennootschap zou in Nederland niet aan de heffing van kapitaalsbelasting onderworpen zijn vanwege haar plaats van feitelijke vestiging. Anders dan het Hof oordeelt, wordt belanghebbende ten opzichte van een Zwitserse vennootschap met plaats van feitelijke leiding in Zwitserland benadeeld nu zij omwille van haar Nederlandse statutaire zetel door Nederland niet als onderdaan van Zwitserland wordt beschouwd terwijl zij dit onder het Traktaat omwille van haar plaats van feitelijke vestiging wel is.
De volledige gelijkstelling van een Nederlandse vennootschap met een naar het recht van Zwitserland opgerichte vennootschap is overigens geen unicum in de Nederlandse belasting jurisprudentie. Hof 's‑Hertogenbosch heeft in haar uitspraak van 13 december 2002 (Hof 's‑Hertogenbosch, 13 december 2002, LJN: AF4859, Belastingkamer Nr. 00/02337) een Zwitserse Aktien Gesellschaft voor de toepassing van de fiscale eenheid van artikel 15 van de wet op de vennootschapsbelasting behandeld als een Nederlandse naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Het Hof meende deze gelijkschakeling als volgt te moeten motiveren:
‘4. Overwegingen omtrent het geschil
4.1.
De fiscale eenheid is in dit geval mede aangevraagd door een naar Zwitsers recht opgerichte Aktiengesellschaft, zijnde, naar tussen partijen niet in geschil is, een rechtsvorm die sterk overeenkomt met de naamloze vennootschap naar Nederlands recht. Indien de AG een naar Nederlands recht opgerichte naamloze of besloten vennootschap zou zijn geweest, was die aanvraag van een fiscale eenheid door de werking van de oprichtingsfictie van artikel 2, vierde lid, van de Wet te honoreren geweest, ook wanneer die naamloze of besloten vennootschap — evenals te dezen de AG — feitelijk in Zwitserland gevestigd zou zijn geweest. Door de werking van artikel 2, vierde lid, van de Wet zou die naamloze of besloten vennootschap dan immers geacht worden in Nederland gevestigd te zijn. Door de aanvraag van de fiscale eenheid in dit geval niet te honoreren, louter omdat die mede wordt gedaan door een AG en niet door een naamloze of besloten vennootschap, discrimineert Nederland naar nationaliteit. Dit is verboden in artikel 10, eerste lid, van het Verdrag. Belanghebbenden stellen, naar het oordeel van het Hof, reeds om die reden terecht dat het Verdrag het weigeren van de fiscale eenheid in hun geval verbiedt. Reeds hierom is het beroep van belanghebbenden gegrond. De overige argumenten van belanghebbenden ter ondersteuning van dit oordeel behoeven daarom verder geen behandeling.
4.2.
De Inspecteur heeft zich ter zitting, in reactie op het beroep van belanghebbenden op artikel 10, eerste lid, van het Verdrag, nader op het standpunt gesteld dat artikel 2, vierde lid, van de Wet onverbindend is. De juistheid van dit standpunt kan, nog afgezien van het bepaalde in art. 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeen bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Wet algemene bepalingen), naar het oordeel van het Hof in het midden blijven omdat juist bevinding daarvan niet tot een ander oordeel zou leiden. Zoals onder 2.7 vermeld, staat vast dat, indien de AG een naamloze of besloten vennootschap zou zijn geweest, het verzoek zou zijn ingewilligd. Gelet op de, tussen partijen niet in geschil zijnde, overeenkomst tussen de naamloze vennootschap naar Nederlands recht en de Aktiengesellschaft naar Zwitsers recht, zou een ten aanzien van de laatstgenoemde rechtsvorm afwijkende behandeling uitsluitend terug te voeren zijn op de nationaliteit, hetgeen in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 10 van het Verdrag.’
De Staatssecretaris heeft naar aanleiding van deze uitspraak geen cassatie beroep ingesteld. Hoewel deze zaak binnen de context van de vennootschapsbelasting speelde, is de relevantie ervan voor onderhavige casus dat met een beroep op artikel 10, lid 4 van het Verdrag een naar het recht van Zwitserland opgerichte Aktiengesellschaft met zetel en feitelijke plaats van vestiging in Zwitserland, voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting gelijk werd behandeld als een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap. Deze Nederlandse vennootschap kan wel in Zwitserland gevestigd zijn. In boven aangehaalde uitspraak vond het Hof echter niet dat het aan de nationaliteit gebonden recht van deelname aan een fiscale eenheid een ongelijke behandeling rechtvaardigde. Belanghebbende doet een beroep op het Traktaat en verzoekt om door Nederland voor de heffing van kapitaalsbelasting als een onderdaan van Zwitserland te worden beschouwd.
Het vorengaande concluderend stelt belanghebbende dat het oordeel van het Hof in r.o. 2.6.1.3, dat uit het Traktaat niet blijkt dat Nederland en Zwitserland zich hebben verplicht van het uitoefenen van de bevoegdheid het nationaliteitsbeginsel ten grondslag te leggen aan de personele begrenzing van hun belastinggebied in strijd is met de tekst van artikel 1 van het Traktaat als ook met haar strekking en haar ontstaansgeschiedenis. Deze bepaling behelst naar de mening van belanghebbende een ongeclausuleerd recht van vrije vestiging voor onderdanen van beide staten. Belanghebbende als in Nederland gevestigd beschouwen op grond van artikel 33 WBRV is in strijd met het vrije vestigingsrecht van artikel 1 van het Traktaat. De uitspraak van het Hof kan om die reden niet in stand blijven en belanghebbende verzoekt uw Raad de beslissing van het Hof, als ook de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en de naheffingsaanslag kapitaalsbelasting te vernietigen.
Middel II
Schending van het recht door [B] niet als inwoner van Zwitserland te beschouwen dan wel een ondeugdelijke motivering van het Hof door in r.o. 2.6.2.6. als volgt te oordelen:
‘Het Hof leidt uit de onder 2.6.2.2. tot en met 2.6.2.5 vermelde feiten, tezamen en in onderling verband bezien, af dat [B] in 2000 en 2001 feitelijk op de Nederlandse Antillen was gevestigd. Het Hof kent aan de daar vermelde stukken meer betekenis toe dan aan de ‘Einwohnererklärung’ van het Kantonales Steueramt [Q], aangezien die verklaring pas op 22 oktober 2003 is opgemaakt. Ditzelfde geldt voor de belastingaangiften in Zwitserland over 2000 en 2001, die pas op 10 juli 2003 zijn gedaan en de later opgelegde aanslagen in Zwitserse belastingen. Uit niets blijkt dat aan de verklaring en die aangiften en aanslagen een toetsing van de vestigingsplaats van [B] door de Zwitserse autoriteiten ten grondslag heeft gelegen. Voorts merkt het Hof op dat, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, de wijziging van de plaats van de feitelijke leiding van [B] pas op 15 april 2004, dus geruime tijd na afloop van het jaar 2001, is gemeld aan de belastingautoriteiten van de Nederlandse Antillen.’
Het Hof beoordeelt in bovenaangehaalde r.o. of een naar het recht van de Nederlandse-Antillen opgerichte vennootschap al dan niet als inwoner van Zwitserland dient te gelden. Tot de gedingstukken (bijlage 14 bij het verweerschrift van de inspecteur Belastingdienst [P] van 23 december 2005) behoort een door de belastingautoriteiten van de Nederlandse Antillen ondertekende ruling van 15 april 2004, waarin de belastingdienst in Curaçao ten aanzien van de plaats van feitelijke leiding van [B] het volgende verklaard:
- ‘1.
Gezien haar doel en feitelijke omstandigheden van de Vennootschap als hierboven omschreven, zal de Vennootschap worden beschouwd als een vennootschap als bedoeld in artikelen 8A, 14 en 14A van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940. Voor de toepassing van Artikel 17.1(e) en (f) van de Landsverordening Inkomstenbelasting 1943 zal zij worden aangemerkt als een vennootschap bedoeld in Artikel 8A, 8B, 14 en 14A WB1940.
- 2.
Gezien de plaats van waaruit de feitelijke leiding van de Vennootschap wordt uitgeoefend zal de vennootschap vanaf 1 januari 2000 worden geacht geen Nederlands Antilliaans belastbaar inkomen te genieten.
- 3.
Met ingang van 1 januari 2000 zal de Vennootschap onderhevig zijn aan belasting in Zwitserland.
…
- 7.
Deze ruling geldt vanaf het boekjaar geëindigd op 31 december 2000 tot en met het fiscale jaar eindigend op 31 december 2005 en zal in principe telkens worden verlengd met drie jaar tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.’
Uit het in r.o. 2.6.2.6. weergegeven oordeel van het Hof blijkt niet dat zij het door de belastingautoriteiten van de Nederlandse-Antillen geformuleerde standpunt ten aanzien van de vestigingsplaats van [B] heeft meegewogen in de bepaling van de vestigingsplaats van [B]. Naar de mening van belanghebbende levert dit naast een ondeugdelijke motivering tevens een schending van het recht op.
Ten aanzien van de stelling name van de Zwitserse belastingautoriteiten dat [B] als inwoner van Zwitserland dient te worden opgevat, geven inspecteur noch Hof er blijk van enig onderzoek naar de (on)juistheid van dit standpunt van belanghebbende te hebben gedaan. R.o. 2.6.2.6. verwijst weliswaar naar: ‘de onder 2.6.2.2. tot en met 2.6.2.5 vermelde feiten, tezamen en in onderling verband bezien’, echter geen van deze feiten bevatten enige weerslag van een onderzoek zijdens de inspecteur, de rechtbank of het Hof ten aanzien van de (on)juistheid van de stelling name van de Zwitserse fiscus ter zake. De voor belanghebbende verstrekkende beslissing om de door deze overlegde Zwitserse en Antilliaanse documenten zonder enig nader onderzoek opzij te zetten levert naar de mening van belanghebbende een ondeugdelijke, dan wel gebrekkige motivering op dan wel een tegenover belanghebbende verkeerde toepassing van het recht op, aangezien het op de weg van de inspecteur, de rechtbank dan wel het Hof had gelegen de door de belastingautoriteiten van de Nederlandse Antillen en Zwitserland afgegeven stukken nader te onderzoeken.
In dit verband verwijst belanghebbende ten aanzien van het Zwitserse recht naar het volgende gezaghebbende Zwitserse commentaar ten aanzien van het inwonersbegrip van lichamen in het Zwitserse belastingrecht:
‘c) Inkorporationstheorie ohne Fiktionsvorbehalt
In der Schweiz war mit In-Kraft-Treten des Bundesgesetzes über das Internationale Privatrecht (‘IPRG’) im Jahr 1989 nicht geklärt, ob das Bundesgericht an der mit langjähriger Rechtsprechung begründeten relativierten Inkorporationstheorie bzw. an der Inkorporationstheorie mit Fiktionsvorbehalt festhalten würde.
Nach der relativierten Inkorporationstheorie konnte die Anerkennung einer ausländischen Gesellschaft negiert werden, wenn der ausländische Sitz lediglich fiktiven Charakter hatte, d.h., wenn kumulativ erstens der statutarische und der wirkliche Sitz auseinander fielen und zweitens der fiktive Sitz einzig gewählt worden war, um dem Recht des tatsächlichen Verwaltungssitzes (der Schweiz) zu entgehen (Gesetzesumgehung). Bei Vorliegen dieser beiden Voraussetzungen wurde die Anerkennung der ausländischen Person nicht gestützt auf das ausländische Gesellschaftsstatut, sondern gestützt auf das Recht des effektiven Sitzes der Gesellschaft (in der Schweiz) beurteilt. Dies führte regelmässig dazu, dass der betreffenden Gesellschaft die Rechtsfähigkeit versagt würde.
Knapp drei Jahre nach In-Kraft-Treten des IPRG, am 17. Dezember 1991, hatte sich das Bundesgericht in einem sorgfältig begründeten Entscheid ausdrücklich gegen das Weiterbestehen des Fiktionsvorbehalts ausgesprochen (BGE 117 II 494 (Pra 81 nr. 232)). Dies bedeutet, das eine ausländische Gesellschaft aus Schweizer sicht auch dann anzuerkennen ist, wenn dem ausländischen Sitz lediglich fiktiver Charakter zukommt.
Seit besagtem entscheid gilt die Inkorporationstheorie in der Schweiz in weitgehend ‘reiner’ Ausgestaltung: In der Regel ist auch eine reine ausländische Sitzgesellschaft (‘Briefkastengesellschaft’), sofern am ausländischen Sitz rechtmäßig errichtet, von der Schweiz in ihrer Rechtspersönlichkeit anzuerkennen3.’
Anders dan het Hof in r.o. 2.6.2 regel 7 meent dient binnen de heersende leer en praktijk van de Zwitserse fiscus wel degelijk een toetsing van de vestigingsplaats van rechtspersonen plaats te vinden. De erkenning van [B] inwoner van Zwitserland dient in die optiek te worden gezien als een feitelijke vaststelling waarbij de Zwitserse belastingdienst naast een toekenning van een fictieve betekenis aan de statutaire zetel van [B] in Curaçao tevens een zekere mate van Zwitserse activiteiten van [B] moet hebben onderkend, alvorens tot haar inwonerschap in Zwitserland te mogen concluderen.
In dezelfde r.o. 2.6.2. komt het Hof tot de onjuiste conclusie dat belanghebbende niet heeft weersproken dat de plaats van de feitelijke leiding van [B] pas op 15 april 2004 is gewijzigd. De overlegging door belanghebbende van Zwitserse aangiften, aanslagen en inwonersverklaringen als mede de Antilliaanse ruling waarin wordt bevestigd dat [B] sinds 1 januari 2000 niet meer als inwoner van de Antillen diende te worden beschouwd, noopten hier niet toe nu haar centrale stelling is dat [B] sinds 2000 inwoner van Zwitserland is. De registratie van [B] als belastingplichtige in Curaçao in 2004 kon in dat verband worden gezien als een nakomende formaliteit ten aanzien van een vanuit een zowel Zwitsers als Antilliaanse perspectief toch al fictieve zetel in de Antillen.
Op grond van de door belanghebbende met betrekking tot [B] overlegde Zwitserse aangiften, aanslagen en inwonersverklaring alsook op basis van de door belanghebbende overlegde en tot de gedingstukken behorende Antilliaanse ruling lag het op de weg van het Hof om uitleg te geven waarom zij in de onderhavige zaak meende van het standpunt van de Antilliaanse en Zwitserse belastingautoriteiten te moeten afwijken. Waar het Hof in r.o. 2.6.2.7. oordeelt: ‘Belanghebbende heeft dan ook niet het bewijs geleverd dat [B] ten tijde van de inbreng door haar in belanghebbende op 26 mei 2000 reeds feitelijk in Zwitserland was gevestigd.’ geeft zij blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, nu belanghebbende een woonplaatsverklaring van de Zwitserse belastingautoriteiten heeft overlegd, alsook een verklaring van gelijke strekking van de Antilliaanse belastingautoriteiten omtrent de Zwitserse woonplaats van [B] diende niet belanghebbende maar de inspecteur te worden verzocht om de door belanghebbende overlegde documenten gemotiveerd te weerleggen. Uit het oordeel van het Hof noch uit de gedingstukken blijkt dat de inspecteur stelt of anderszins aannemelijk maakt dat de gegevens op grond waarvan zowel de Zwitserse als de Antilliaanse fiscus het inwonerschap van [B] aannam, onjuist zijn of de heffing niet op het recht van Zwitserland kan zijn gestoeld.
Waar het Hof in haar oordeel de bewijsvoering van belanghebbende verwerpt door te stellen dat de door deze ingebrachte verklaringen en stukken van zowel de Zwitserse alsook de Antilliaanse belastingdiensten van na het in het geding zijnde jaar 2000 stammen, refereert belanghebbende naar het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 maart 2001, nr. CPP2000/3020 (BNB2001/230) waarin deze de gevolgen regelt van de zetelverplaatsing van naar Nederlands recht opgerichte lichamen. Ten aanzien van het moment van de zetelverplaatsing bepaald de Staatssecretaris hierin als volgt:
‘1. Het moment van zetelverplaatsing
Het moment van de verplaatsing van de werkelijke leiding ligt niet op het moment waarop het voorbereidingsbesluit tot zetelverplaatsing wordt genomen maar op een later moment: het moment waarop de noodzakelijke voorbereidingshandelingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en derhalve kan worden vastgesteld dat de werkelijke leiding niet meer in Nederland wordt uitgeoefend. De berekening van de eindafrekeningwinst (eventueel partieel, zie punt 5) geschiedt naar dat latere moment. Voor de definitie van het begrip ‘werkelijke leiding’ wordt aangesloten bij de omschrijving die de Hoge Raad aan dit begrip heeft gegeven in zijn arrest van 23 september 1992, BNB1993/193:
‘Bij de beoordeling naar de omstandigheden van de vestigingsplaats van een lichaam moet in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn bestuur, en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Wanneer echter aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die onder de leiding uitoefent.’’
Dit oordeel impliceert dat in onderhavig geval het Hof uit de haar ter beschikking staande stukken en in het geding vaststaande feiten bij haar beoordeling van de vestigingsplaats van [B] zich diende te concentreren op de vraag waar de leidinggevende taak van het bestuur werd uitgeoefend.
In r.o. 2.6.2.3. verwijst het Hof naar een tweetal uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Curaçao, een uittreksel gedateerd 28 oktober 1996 en een uittreksel van 23 mei 2000. Op grond van beide uittreksels concludeert het Hof dat [B] zowel haar ‘address of business’ als haar ‘business address’ aan [A-STRAAT 1] te Curaçao had en dat zoals blijkt uit het uittreksel van 23 mei 2000 dit tevens het adres is van de [D] N.V. van de ‘managing director’ was. Het Hof verzuimt echter uit beide uittreksels op te maken dat naast [D] N.V. een drietal ‘managing directors’ benoemd waren, waarvan een inwoner was van Noorwegen, een van Bermuda en een van Zwitserland.
Anders dan het Hof kent de Staatssecretaris in hierboven aangehaald besluit van 6 maart 2001 aan het functioneren van een trustmaatschappij geen wezenlijke betekenis toe:
‘4. Trustmaatschappij als bestuurder
Indien in de periode dat de werkelijke leiding van de vennootschap zich nog in Nederland bevindt een (Antilliaanse of Arubaanse) trustmaatschappij als (mede) bestuurder optreedt, is deze trustmaatschappij in Nederland buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen buitenland Heerlen is competent voor de behandeling van deze buitenlandse belastingplichtigen.’
In deze visie van de Staatssecretaris functioneert de trustmaatschappij welke als bestuurder fungeert ondergeschikt aan de plaats van feitelijke leiding en kan in ieder geval geconcludeerd worden dat het functioneren van een trustmaatschappij in haar hoedanigheid van bestuurder op zichzelf nog geen aanleiding vormt tot vereenzelviging van de plaats van feitelijke leiding met de plaats waar deze is gevestigd zoals het Hof in r.o. 2.6.2.3 lijkt voor te staan.
Mocht uw Raad het betoog van belanghebbende ten aanzien van het Zwitserse inwonerschap van [B] wensen te volgen, dan wenst belanghebbende zich op grond van artikel 10, lid 4 van het Verdrag te beroepen op de vrijstelling van kapitaalsbelasting zoals destijds in de wet opgenomen onder artikel 37, lid 2 letter b WBRV nu in het geding is vast komen te staan dat [B] haar gehele vermogen in belanghebbende heeft ingebracht. Belanghebbende verzoekt uw Raad de beslissing van het Hof te vernietigen, alsook de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift van belanghebbende evenals de door deze aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag te vernietigen en belanghebbende de vrijstelling van heffing van kapitaalsbelasting ex artikel 37, lid 2 letter b WBRV toe te kennen.
Conclusie
Het is op grond van deze middelen en/of op grond van een of meer door uw Raad ambtshalve aanwezig te bevinden gronden, dat belanghebbende uw Raad eerbiedig verzoekt de bestreden uitspraak van het Hof te vernietigen, de naheffingsaanslag kapitaalsbelasting als opgelegd alsook de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift van belanghebbende te vernietigen met zodanige verdere beslissing als hij zal vermenen te behoren te nemen, met veroordeling van de Staatssecretaris van Financien (de Staat) in de proceskosten en in het geval uw Raad van mening is dat sprake is van strijd met het Traktaat in de werkelijke proceskosten.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑12‑2010
United Nations Conference on the law of treaties, first and second sessions Vienna, 26 March-24 May 1968 and 9 april-22May 1969, Official Records, Documents oft he Conference, p. 253
Sarah Dahinden, Die Abschirmwirkung ausländischer Gesellschaften im schweizerischen Gewinn-steuerrecht, Schriften zum Seuerrecht nr. 14, Schulthess 2003, pagina 35,36.
Uitspraak 03‑12‑2010
Inhoudsindicatie
Kapitaalsbelasting; artikelen 33 en 37, lid 5, Wet op belastingen van rechtsverkeer; Nederlands-Zwitserse Vriendschapstractaat van 1875; Belastingverdrag Nederland-Zwitserland. Kan belanghebbende zich op grond van haar feitelijke vestigingsplaats (Zwitserland) met een beroep op het traktaat verzetten tegen heffing van kapitaalsbelasting? Beoordeling van de woonplaats van de inbrenger in verband met het discriminatieverbod van artikel 10, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland.
Nr. 09/01401
3 december 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X N.V., statutair gevestigd te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 maart 2009, nrs. P07/01026 en 03/02595, betreffende heffingen van kapitaalsbelasting.
1. De gedingen in feitelijke instanties
1.1. Ter zake van een in 2000 plaatsgevonden hebbende inbreng van kapitaal in belanghebbende heeft de Inspecteur belanghebbende een naheffingsaanslag in de kapitaalsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij het Hof.
1.2. Belanghebbende heeft ter zake van een viertal kapitaalstortingen, gedaan in 2001, kapitaalsbelasting op aangifte voldaan. De vervolgens daartegen gemaakte bezwaren zijn bij uitspraken van de Inspecteur afgewezen. Het tegen die uitspraken ingestelde beroep is door de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 05/1160) ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.3. Het Hof heeft bij zijn in de aanhef vermelde uitspraak het hiervoor in 1.1 vermelde beroep ongegrond verklaard en de hiervoor in 1.2 vermelde uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 4 maart 2010 geconcludeerd tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot verwijzing naar een ander gerechtshof van het geding met betrekking tot de hiervoor in 1.1 vermelde naheffingsaanslag.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is in 1996 opgericht naar Nederlands recht. Zij is statutair gevestigd in Nederland. Zij beschikt over een correspondentieadres in Zwitserland.
3.1.2. Op 26 mei 2000 heeft belanghebbende aandelen uitgegeven, die zijn geplaatst bij B Holding N.V. (hierna: B), reeds houder van 50 percent van de aandelen in belanghebbende. De plaatsing van de nieuw uitgegeven aandelen geschiedde tegen inbreng door B van haar gehele vermogen, uitgezonderd haar aandelen in belanghebbende en twee kleine banksaldi.
3.1.3. B is opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen. Voor het Hof was onder meer in geschil waar B in 2000 was gevestigd, op de Nederlandse Antillen (standpunt van de Inspecteur) of in Zwitserland (standpunt van belanghebbende).
3.1.4. In 2001 hebben B en drie anderen kapitaalstortingen in contanten gedaan in belanghebbende.
3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat heffing van kapitaalsbelasting van haar, als in Zwitserland gevestigde Nederlandse onderdaan, in strijd is met de artikelen 1 en 4 van het tussen Nederland en Zwitserland op 19 augustus 1875 gesloten tractaat van vriendschap, vestiging en handel (Stb. 1878, nr. 137; hierna: het Traktaat), omdat, volgens belanghebbende, het onderwerpen van haar aan Nederlandse kapitaalsbelasting een door het Traktaat verboden ongelijke behandeling oplevert ten opzichte van - niet door Nederlandse belastingheffing getroffen - kapitaalstortingen in vennootschappen die eveneens in Zwitserland zijn gevestigd maar onderdaan zijn van Zwitserland. Het Hof heeft dit standpunt verworpen. Hiertegen richt zich het eerste middel.
3.3. Het middel faalt. Uit de tekst van het Traktaat en het daarop betrekking hebbende Additioneel Protokol van 24 april 1877 (zie voor een weergave van de hierna genoemde artikelen van het Traktaat de onderdelen 4.4 en 4.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) volgt dat de gelijke behandeling waartoe de artikelen 1 en 4 van het Traktaat Nederland en Zwitserland verplichten, betreft de behandeling van wederzijdse onderdanen, derhalve de behandeling door Nederland van Zwitserse onderdanen en door Zwitserland van Nederlandse onderdanen. Die behandeling dient volledig gelijk te worden gesteld met de behandeling van de eigen onderdanen (de 'nationalen'). Voor het aannemen van een andere of verdergaande strekking van die artikelen als door het middel bepleit, is geen aanknopingspunt te vinden in het Traktaat en evenmin in de geschiedenis van de totstandkoming daarvan die is aangehaald in de toelichting op het middel. Op de behandeling door Nederland van Nederlandse onderdanen, zoals belanghebbende, zien die artikelen derhalve niet. Het op grond van artikel 33 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2000 en 2001; hierna: de Wet) aanmerken van belanghebbende als belastingplichtige voor de kapitaalsbelasting is dus niet in strijd met het Traktaat.
3.4.1. Het tweede middel komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen hetgeen het Hof heeft geoordeeld omtrent de plaats van vestiging van B in 2000.
Het Hof heeft uit de in zijn uitspraak onder 2.6.2.2 tot en met 2.6.2.5 vermelde feiten afgeleid dat B in 2000 en 2001 feitelijk op de Nederlandse Antillen was gevestigd. Het Hof heeft aan de desbetreffende stukken meer betekenis toegekend dan aan de op 22 oktober 2003 afgegeven "Einwohnererklärung" van het Kantonales Steueramt Q en aan de omstandigheden dat B in Zwitserland belastingaangiften over 2000 en 2001 heeft gedaan en dat aan B voor het jaar 2000 een aanslag in de Zwitserse Bundessteuer is opgelegd van nihil. Daarbij heeft het Hof overwogen dat uit niets blijkt dat aan die verklaring en die aangiften en aanslagen een toetsing van de vestigingsplaats van B door de Zwitserse autoriteiten ten grondslag heeft gelegen.
Het middel verwijt het Hof onder meer dat het met die oordelen heeft miskend dat het op de weg van de Inspecteur lag aannemelijk te maken dat de Zwitserse fiscus op grond van onjuiste gegevens of een onjuiste uitleg van Zwitsers recht heeft aangenomen dat B inwoner van Zwitserland was.
3.4.2. Het geschilpunt met betrekking tot de plaats van vestiging van B doet zich voor in het kader van de vraag of belanghebbende zich ter zake van de hiervoor in 3.1.2 vermelde inbreng van B met vrucht kan beroepen op artikel 10, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland - Zwitserland van 12 november 1951 (hierna: het Verdrag), in samenhang met artikel 37, lid 1, van de Wet. Het gaat derhalve om de vraag of B in 2000 woonplaats in Zwitserland had in de zin van het Verdrag. Ingevolge artikel 2, lid 4, van het Verdrag moet aan de hand van de belastingwetgeving van Zwitserland worden bepaald of B voor de toepassing van het Verdrag als inwoner van Zwitserland heeft te gelden.
3.4.3. Indien een belastingplichtige in een buitenlandse staat als inwoner daadwerkelijk in de belastingheffing is betrokken, dient ervan te worden uitgegaan dat die belastingplichtige op grond van de buitenlandse wetten als inwoner aan belastingheffing is onderworpen, tenzij hetzij de inspecteur aannemelijk maakt dat de gegevens op grond waarvan de buitenlandse fiscus het inwonerschap van de betrokkene aldaar naar het buitenlandse recht heeft aangenomen, onjuist of onvolledig zijn, hetzij de heffing niet in redelijkheid op enige regel van het buitenlandse recht kan zijn gestoeld (HR 12 mei 2006, nr. 40450, LJN AR5759, BNB 2007/38).
3.4.4. Indien het Hof bij zijn hiervoor in 3.4.1 als laatste vermelde oordeel ervan is uitgegaan dat het diende te beschikken over meer - door belanghebbende te verschaffen - gegevens dan het gegeven dat B in 2000 door de Zwitserse fiscus als inwoner in de belastingheffing is betrokken, geeft dat oordeel derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof wel van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, doch het niet aannemelijk heeft geacht dat B in 2000 door de Zwitserse fiscus als inwoner in de belastingheffing is betrokken, behoefde dat oordeel nader motivering, gezien enerzijds het door het Hof vastgestelde feit dat aan B voor het jaar 2000 een aanslag van nihil in de Zwitserse Bundessteuer is opgelegd, en anderzijds de inhoud van de door het Kantonales Steueramt Q verstrekte Einwohnererklärung (weergegeven in onderdeel 2.1.2.5 van de uitspraak van het Hof). Een nadere motivering op dat punt ontbreekt evenwel. Het middel slaagt in zoverre.
3.4.5. Gelet op het hiervoor in 3.4.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak, voor zover betrekking hebbende op de naheffingsaanslag, niet in stand blijven. Het tweede middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond voor zover dit zich richt tegen 's Hofs uitspraak met betrekking tot de naheffingsaanslag,
vernietigt de uitspraak van het Hof in zoverre,
verwijst het geding met betrekking tot de naheffingsaanslag naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van die zaak met inachtneming van dit arrest,
verklaart het beroep in cassatie voor het overige ongegrond,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 447, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 2174 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, J.A.C.A. Overgaauw en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2010.