FED 1994/391
Inbreng op 3 januari 1989 van alle aandelen van een in Italië gevestigde vennootschap, wier vermogen uitsluitend uit liquide middelen bestond, door een Zweedse vennootschap in een Nederlandse vennootschap. De HR beslist samengevat: 1. De rechtstreekse werking van art. 7, eerste lid van de Richtlijn 59/335/EEG, zoals dit artikellid luidt op grond van de Richtlijn 85/303/EEG, brengt niet mee dan bij uitgifte van aandelen tegen inbreng van aandelen in een ander lichaam de bijzondere berekeningswijze in geval van fusie toepassing dient te vinden indien de lichamen tot hetzelfde concern behoren, aangezien de per 1 juli 1984 geldende tekst van art. 7, eerste lid, letter b bis van de Richtlijn geen rechtstreekse werking had. 2. Een 100%-pakket is weliswaar geen 'tak van bedrijvigheid' in de zin van de per 1 juli 1984 geldende tekst van de Richtlijn maar in het algemeen wel een zelfstandig onderdeel van een onderneming in de zin van het per 1 juli 1984 geldende art. 12, eerste lid Uitv. Besluit BRV. Van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat dit hier anders is, blijkt niet. 3. Met 'andere soortgelijke ondernemingen van Nederland' in art. 27, vierde lid van het Verdrag met Zweden (1968) wordt gedoeld op - soortgelijke - ondernemingen gedreven door in Nederland gevestigde vennootschappen waarvan het kapitaal in het bezit is van niet in Zweden maar in Nederland gevestigde vennootschappen. Belastingheffing die niet de onderneming als zodanig treft maar de vennootschap welke de onderneming drijft moet voor de toepassing van het artikel worden aangemerkt als een belastingheffing van die onderneming. 4. Art. 27, vierde lid van het Verdrag met Zweden (1968) verbiedt om een in Nederland gevestigde vennootschap waarin wordt ingebracht door een in Zweden gevestigd lichaam zwaarder te belasten dan een in Nederland gevestigde vennootschap waarin wordt ingebracht door een in Nederland gevestigde vennootschap.
HR 27-04-1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5654, m.nt. J.S. Rijkels
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 april 1994
- Magistraten
Stoffer; Wildeboer; Urlings; Zuurmond; Herrmann; Moltmaker
- Zaaknummer
28 239
- Noot
J.S. Rijkels
- LJN
ZC5654
- JCDI
JCDI:ADS213590:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Belastingen van rechtsverkeer / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1994:ZC5654, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑04‑1994
- Wetingang
Essentie
Inbreng op 3 januari 1989 van alle aandelen van een in Italië gevestigde vennootschap, wier vermogen uitsluitend uit liquide middelen bestond, door een Zweedse vennootschap in een Nederlandse vennootschap. De HR beslist samengevat: 1. De rechtstreekse werking van art. 7, eerste lid van de Richtlijn 59/335/EEG, zoals dit artikellid luidt op grond van de Richtlijn 85/303/EEG, brengt niet mee dan bij uitgifte van aandelen tegen inbreng van aandelen in een ander lichaam de bijzondere berekeningswijze in geval van fusie toepassing dient te vinden indien de lichamen tot hetzelfde concern behoren, aangezien de per 1 juli 1984 geldende tekst van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.