Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.3.5
3.3.5 Geen leeftijdsgrens voor onderzoekers
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454284:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook de meeste door Böcker e.a. geraadpleegde afnemers van de Ondernemingskamer. Zie Böcker e.a. 2010, p. 193; Klaassen 2010, p. 161.
Zie § 3.2.2.
Waarmee ik niet wil zeggen dat oud-leden van de Ondernemingskamer niet als onderzoeker benoemd zouden kunnen worden, zoals door Smit 2002, p. 43 is bepleit. Mijn stelling is dat het uitoefenen van een rechterlijke functie sec niet voldoende is voor het opdoen van de benodigde kennis en ervaring.
Hierbij kan men denken aan apparatuur om interviews af te nemen, digitale bestanden te bestuderen etc. De tijd dat onderzoekers het onderzoeksverslag op een rammelende typemachine uittypten, ligt nog maar kort achter ons.
Vgl. Böcker e.a. 2010, p. 182; Klaassen 2010b, p. 149.
Vgl. Böcker e.a. 2010, p. 193; Klaassen 2010b, p. 161.
Af en toe laait de discussie op of er niet een leeftijdsgrens voor onderzoekers zou moeten worden ingevoerd, net zoals die geldt voor de leden en raden van de Ondernemingskamer zelf. Ik ben geen voorstander van het invoeren van een verplichte leeftijdsgrens.1 Dat past niet in een tijd waarin leeftijdsgrenzen vrij algemeen worden afgeschaft en de pensioengerechtigde leeftijd omhooggaat. Bovendien zijn er grote verschillen tussen personen. De ene persoon is uitgeblust op zijn zestigste, terwijl een ander met zeventig nog heel actief is en midden in de praktijk staat. Waar ik echter wel voorstander van ben, is dat, net als voor gerechtelijk deskundigen wordt bepleit,2 alleen onderzoekers worden benoemd die nog voeling hebben met de praktijk. Het ondernemingsrecht en de aanpalende rechtsgebieden ontwikkelen zich in een hoog tempo. Ook de praktijk verandert. De kennis en ervaring van onderzoekers eroderen snel als zij niet meer in de voor het doen van onderzoeken relevante praktijk werkzaam zijn. Als vuistregel zou ik willen hanteren dat iemand die langer dan vijf jaar niet meer werkzaam is als advocaat of accountant en ook geen relevante nevenfuncties vervult, te lang uit de praktijk is om nog als onderzoeker te kunnen worden benoemd. Relevante nevenfuncties zijn bijvoorbeeld commissariaten of andere toezichthoudende functies, omdat de onderzoeker daardoor voeling houdt met het bedrijfsleven. Minder relevant voor de kennis en ervaring die nodig zijn om als onderzoeker goed te kunnen functioneren, acht ik academische of rechterlijke functies (met inbegrip van de Ondernemingskamer zelf).3 Voor oud-bestuurders die tot onderzoeker worden benoemd, geldt een vergelijkbaar criterium. Zolang zij nog commissariaten vervullen of dat recent hebben gedaan, zijn zij benoembaar. Is dat niet het geval, dan doet de Ondernemingskamer er verstandig aan hen niet meer te benoemen.
Los van de leeftijd als zodanig, maar er wel verband mee houdend, hebben gepensioneerden soms niet meer de beschikking over de juiste infrastructuur om onderzoek te doen,4 ligt hun werktempo lager, hebben zij andere (sociale) verplichtingen en kunnen zij niet, door bijvoorbeeld kantoorgenoten als hulppersoon in te schakelen, het onderzoek versnellen.5 Met deze aspecten zou de Ondernemingskamer, zeker bij grotere onderzoeken, rekening moeten houden.
De uiteindelijke beslissing is aan de Ondernemingskamer. Die kan bij haar oordeel of een onderzoeker nog up to speed is, uiteraard ook de kwaliteit van zijn onder- zoeken betrekken.6 Uiteindelijk gaat het erom of de onderzoeker in staat is kwalitatief goed onderzoek te doen, ongeacht zijn leeftijd.