Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.5.1:4.5.1 Inleiding
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.5.1
4.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459110:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 maart 1994, NJ 1994/548, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS), r.o. 3.6. Zie voorts OK 29 september 2009, ARO 2009/152 (FOCWA), r.o. 2.2.
HR 31 januari 1996, NJ 1996/431, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS), r.o. 3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 2:250 lid 3, tweede volzin, BW bepaalt dat de Ondernemingskamer hangende het onderzoek het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten op verzoek van de onderzoekers kan verhogen, na verhoor, althans oproeping van de oorspronkelijke verzoekers. Deze bepaling heeft een dubbele strekking. In de eerste VHS-beschikking heeft de Hoge Raad overwogen dat het bepaalde in artikel 2:350 lid 3 BW is bedoeld als maatregel ter beheersing van de kosten.1 In de daaropvolgende beschikking heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat de bepaling ertoe strekt aan de onderzoekers, indien het belang van het onderzoek tot het maken van hogere kosten dan de aanvankelijk begrote noopt, de mogelijkheid te bieden zekerheid te verkrijgen omtrent het bedrag aan kosten dat met het verdere onderzoek mag zijn gemoeid.2 Uit deze twee beschikkingen vloeit voort dat de strekking van de bepaling in wezen is eenieder te beschermen die bij het onderzoek is betrokken: enerzijds de rechtspersoon en de personen op wie verhaal van de onderzoekskosten mogelijk is, om te voorkomen dat de kosten van het onderzoek te hoog oplopen, en anderzijds de onderzoekers, om te voorkomen dat zij aan het onderzoek tijd besteden die later niet voor vergoeding in aanmerking blijkt te komen omdat het maximumbedrag dat het onderzoek mag kosten blijkt te zijn overschreden. In de tweede beschikking overwoog de Hoge Raad verder dat de strekking van de bepaling meebrengt dat de Ondernemingskamer op een zodanig verzoek met de meeste spoed beslist, aangezien de onderhavige wettelijke regeling ervan uitgaat dat het onderzoek onverwijld doorgang dient te vinden en zolang die beslissing niet is gegeven, de onderzoekers het risico lopen dat een hoger bedrag aan kosten wordt gemaakt dan maximaal wordt toegestaan. “Het gaat derhalve niet aan”, aldus de Hoge Raad, “genoemde wetsbepaling aldus uit te leggen, dat deze beoogt dat, indien door omstandigheden van procedurele aard of anderszins een onherroepelijke beslissing op het verzoek een zo geruime tijd uitblijft, dat inmiddels het onderzoek is voltooid, geen nader maximumbedrag meer kan worden vastgesteld op grond dat het onderzoek dan niet meer hangende is; een redelijke uitlegging van deze bepaling leidt tot het oordeel dat een hangende het onderzoek gedaan verzoek tot verhoging van het bedrag der kosten ontvankelijk blijft en tot een beslissing omtrent het verzochte hogere maximumbedrag dient te leiden, ook wanneer ten tijde van die beslissing het onderzoek is voltooid.”