Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.5.2
4.5.2 Procedure
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450706:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 3 november 2010, ARO 2010/168 (Inter Access Groep), r.o. 3.5.
Dat de wetgever ervan uitgaat dat de regels van de verzoekprocedure van toepassing zijn, kan worden afgeleid uit de derde nota van wijzigingen (Kamerstukken II, 1969/70, 9596, 6, p. 2), waarin de minister verwijst naar artikel 429f Rv (oud). Men kan zich zelfs afvragen of het wel nodig is dat op het verzoek van de onderzoekers tot verhoging van het onderzoeksbudget de regels van de verzoekprocedure van toepassing zijn. Op een verzoek van deskundigen tot verhoging van het onderzoeksbudget bij het deskundigenbericht (een verzoek tot verhoging van het voorschot voor de kosten daarvan) zijn de regels van de verzoekprocedure niet van toepassing, zonder dat dit kennelijk tot problemen aanleiding geeft.
Anders dan het geval is bij een verzoek van de onderzoekers als bedoeld in artikel 2:352 lid 1 BW, meen ik dat de aard van het verzoek niet meebrengt dat de procedure informeel is met beperkte procedurele waarborgen. Vgl. over die laatste procedure HR 20 november 2009, NJ 2011/212, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2010/8, m.nt. M. Brink (KPNQwest). De enige overeenstemming tussen beide procedures is dat de verzoekers het verzoek zelf kunnen doen, zonder tussenkomst van een advocaat. Verweerders kunnen alleen door tussenkomst van een advocaat een verweerschrift indienen. Zie OK 24 juli 2014, ARO 2014/132 (Next Level Systems), r.o. 2.1.
HR 2 maart 1994, NJ 1994/547, m.nt. J.M.M. Maeijer onder NJ 1994/548 (VHS).
Derde nota van wijziging, Kamerstukken II 1969/70, 9596, 6, p. 2. De minister verwees hier overigens niet naar artikel 995 lid 3 Rv (die bepaling bestond op dat moment nog niet), maar naar artikel 429f lid 1 Rv (oud), waaruit de verplichte oproeping van de rechtspersoon volgens de minister voortvloeide.
Aandachtspunt 5.2.
Vgl. bijvoorbeeld OK 21 oktober 2010, ARO 2010/160 (Cancun Holding II), r.o. 1.9; OK 28 juni 2012, ARO 2012/101 (Meavita); OK 27 juli 2012, ARO 2012/120 (Meavita).
Een reactietermijn van twee dagen werd door de secretaris van de Ondernemingskamer gehanteerd in OK 17 juli 2009, ARO 2009/122 (Ing. Bloem Bouwadvies en Planningburo).
Zie bijvoorbeeld OK 23 mei 2013, JOR 2013/240, m.nt. P.D. Olden (Greenchoice).
Zie bijvoorbeeld OK 27 juli 2012, ARO 2012/120 (Meavita), r.o. 2.1.
HR 31 januari 1996, NJ 1996/431, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS).
Zie § 9.4.4.4.
Zie bijvoorbeeld OK 8 maart 2006, ARO 2006/62 (TCA).
Op deze enquête was nog het oude recht van toepassing, zodat er geen raadsheer-commissaris was benoemd aan wie partijen hadden kunnen vragen de onderzoeker een aanwijzing te geven.
HR 13 juni 2014, NJ 2014/358, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/261, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Greenchoice), r.o. 2.4.
Wellicht heeft de Hoge Raad zich laten leiden door het bepaalde in artikel 2:350 lid 4 BW, dat bepaalt dat van een beslissing van de raadsheer-commissaris op een verzoek om een aanwijzing geen beroep in cassatie openstaat.
Een verzoek tot verhoging van de onderzoekskosten moet worden gedaan door de onderzoekers; dit kan niet worden gedaan door de verzoekers of een belanghebbende.1
Op het verzoek zijn de regels van de verzoekprocedure van toepassing, voor zover de strekking van het verzoek niet meebrengt dat een of meer bepalingen daarvan geen toepassing vinden.2 In afwijking van het bepaalde in artikel 278 lid 3 Rv kunnen de onderzoekers het verzoek zelf ondertekenen en indienen en behoeft dit niet door een advocaat te geschieden.3 Alvorens op het verzoek te beslissen, dient de Ondernemingskamer de oorspronkelijke verzoekers en de rechtspersoon te horen.4 De reden dat de wet voorschrijft dat de oorspronkelijke verzoekers op een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget moeten worden gehoord, althans daartoe moeten worden opgeroepen, is dat zij daarbij belang hebben omdat de kosten van het onderzoek op grond van artikel 2:254 BW op hen kunnen worden verhaald indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan.5 Dat artikel 2:350 lid 3, tweede volzin BW alleen verhoor, althans oproeping, van de oorspronkelijke verzoekers en niet van de rechtspersoon voorschrijft, komt omdat de verplichting de rechtspersoon op het verzoek te horen al voortvloeit uit het bepaalde in artikel 995 lid 3 Rv.6 Ik meen dat alle partijen bij het onderzoek belang hebben bij de hoogte van het onderzoeksbudget, en dat al deze partijen ook de gelegenheid moeten krijgen zich hierover uit te laten.
De onderzoekers zullen bij het verzoek tot verhoging van de onderzoekskosten moeten voegen een specificatie met een overzicht van de reeds verrichte werkzaamheden en naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.7 Deze specificatie bevat een overzicht van de door de onderzoekers en kantoorgenoten bestede en nog te besteden uren met omschrijving van de aard daarvan, het gehanteerde uurtarief, en indien van toepassing, de verdere gemaakte en nog te maken kosten waaronder die van het inschakelen van derden. Indien deze specificatie ontbreekt, zal de Ondernemingskamer, alvorens te beslissen, de onderzoekers vragen deze alsnog te overleggen.8 Ik meen dat de Ondernemingskamer dit ook moet doen, ook als de partijen bij het onderzoek geen bezwaar maken tegen de toewijzing van het verzoek. De Ondernemingskamer moet namelijk ook ambtshalve toezicht houden op de kosten van het onderzoek.
Na ontvangst van een verzoek tot verhoging van de onderzoekskosten pleegt de secretaris van de Ondernemingskamer het verzoek van de onderzoekers door te sturen aan partijen, met mededeling van de termijn waarbinnen zij eventuele bezwaren kunnen kenbaar maken. Deze procedure geeft mij aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen. Op zich bestaat er geen bezwaar tegen het feit dat de Ondernemingskamer partijen niet letterlijk ‘hoort’, maar schriftelijk vraagt of zij bezwaren hebben tegen toewijzing van het verzoek. Dit gebeurt bij meer verzoekprocedures op deze wijze. De termijn die de secretaris partijen geeft om te reageren, verschilt van zaak tot zaak en is kort, variërend van ongeveer twee dagen tot twee weken.9 Mijns inziens is een reactietermijn van twee dagen te kort en zou de Ondernemingskamer partijen in beginsel een vaste termijn van twee weken moeten geven om op het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget te reageren. Partijen moeten de gelegenheid hebben om over het verzoek overleg te voeren met hun advocaat en, indien gewenst, bezwaren te formuleren. Daarvoor moet partijen enige tijd worden gegund. Als die tijd te kort is, is van hoor en wederhoor, waartoe de Ondernemingskamer op grond van artikel 19 Rv jo. artikel 2:350 lid 3 BW respectievelijk artikel 995 lid 3 Rv is gehouden, geen sprake. Mijn derde opmerking is dat uit de beschikkingen van de Ondernemingskamer niet duidelijk wordt wie de secretaris van de Ondernemingskamer in de gelegenheid stelt bezwaar te maken. In de beschikkingen waarin verhoging van het budget wordt toegestaan, wordt gesproken over “partijen”, zonder te specificeren wie dat zijn. Kennelijk wordt hieronder verstaan de verzoeker en belanghebbenden die een verweerschrift hebben ingediend. Ik neem aan dat hieronder mede wordt begrepen de rechtspersoon, ook als die in de procedure niet is verschenen, maar dat blijkt niet uit de beschikkingen van de Ondernemingskamer. Zoals reeds opgemerkt, meen ik dat alle partijen bij het onderzoek in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun standpunt kenbaar te maken.
In die gevallen waarin de rechtspersoon of een andere belanghebbende bezwaar maakt tegen de verzochte verhoging van het onderzoeksbudget, gelast de Ondernemingskamer niet altijd een mondelinge behandeling waarop het verzoek wordt behandeld. Kennelijk gaat de Ondernemingskamer daartoe alleen over als de aard van het verweer daartoe aanleiding geeft.10 Het lijkt er voorts op dat als de rechtspersoon geen bezwaar maakt, de Ondernemingskamer een mondelinge behandeling eerder achterwege laat. Een enkele keer vraagt de Ondernemingskamer de onderzoekers schriftelijk op de bezwaren tegen het verzoek te reageren.11 Deze procedurele afwikkeling van het verzoek is niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 279 lid 1/30jlid 5 Rv, inhoudende dat de rechter, tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, onverwijld dag en uur bepaalt waarop de behandeling aanvangt. Ik zie niet in waarom de strekking van het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget mee zou brengen dat het bepaalde in artikel 279 lid 1/30j Rv geen toepassing vindt. Het feit dat de Ondernemingskamer “met de meeste spoed” op het verzoek moet beslissen,12 lijkt mij geen reden om van deze bepaling af te wijken. De Ondernemingskamer kan het horen laten plaatsvinden door de raadsheer- commissaris, die ook zelf de beslissing kan nemen.13 De Ondernemingskamer pleegt een beschikking tot verhoging van het onderzoeksbudget ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,14 waartoe zij de bevoegdheid heeft op grond van artikel 288 Rv.
Tegen de beschikking waarbij een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget wordt toegewezen, staat voor de belanghebbenden die verschenen zijn bij de behandeling van het verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget beroep in cassatie open (artikel 426 Rv). In de Greenchoice-enquête hebben partijen bij het onderzoek, bij wege van zelfstandig tegenverzoek tegen het verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget, de Ondernemingskamer gevraagd de onderzoeker een aanwijzing te geven.15 Tegen de afwijzing daarvan stelden deze partijen beroep in cassatie in. De Hoge Raad oordeelde dat als een onderzoeker in de procedure bij de Ondernemingskamer heeft gereageerd op een verzoek van een belanghebbende aan de Ondernemingskamer om de onderzoeker een aanwijzing te geven, dit niet meebrengt dat hij, als een verzoeker of belanghebbende in cassatie komt van de beslissing van de Ondernemingskamer, is te beschouwen als een partij of een belanghebbende die in de vorige instantie is verschenen in de zin van artikel 426 lid 1 Rv.16 Dit betekent dat de onderzoekers in de cassatieprocedure geen partij zijn. Uit de uitspraak van de Ondernemingskamer blijkt niet of dit alleen geldt voor de beslissing op het zelfstandig tegenverzoek, of ook geldt voor de beslissing op het verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget.17 Evenmin is duidelijk of de onderzoekers zelf cassatieberoep kunnen instellen. Voor de praktijk heeft het antwoord op deze vraag nauwelijks praktische betekenis, omdat ik mij toch moeilijk kan voorstellen dat de onderzoekers zich in een cassatieprocedure willen mengen, laat staan beroep in cassatie willen instellen.