Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.4.3
6.3.4.3 Onjuiste toepassing rechtersregeling
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577098:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. § 5.5.
Zie bijv. HR 3 april 1998 (Lindeboom/Beusmans), N] 1998, 571; zie ook § 4.4.2.2.
In zoverre is dan ook onjuist hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2004, NJ 2004, 350 m.b.t. het Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken overweegt: 'De onderhavige klacht, die kennelijk ertoe strekt dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding niet of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, stuit erop af dat het hof als rechter die over de feiten oordeelt, vrij is de zaak al dan niet aan te houden. Het behoefde zijn beslissing dienaangaande niet te motiveren.' Het uitgangspunt dat de rechter volledig vrij is een zaak al dan niet aan te houden moge juist zijn; indien de rechter (c.q. zijn gerecht) zichzelf heeft gebonden aan een reglement waarin voor het verlenen van uitstel nadere regels zijn neergelegd, is daarmee deze vrijheid beperkt en dient de rehter zich aan de in het reglement neergelegde regels te houden, of daarvan(in bijzondere omstandigheden) gemotiveerd af te wijken (zie hierover § 4.4.5).
HR 28 juni 1996 (De Nieuwe Woning/Staat), NJ 1997, 495 m.n.t. HJS, waarover ook § 4.2.4.
Zie hierover uitgebreider § 4.4.2.5.
Het meest pregnante geval van onjuiste toepassing van een rechtersregeling doet zich uiteraard voor wanneer de lagere rechter een hem bindende rechtersregeling in het geheel niet toepast. Stel bijvoorbeeld dat de rechtbanken en gerechtshoven het op dit moment geldende liquidatietarief als eigen regeling overnemen. Als gevolg hiervan zal dit tarief als recht in de zin van art. 79 RO kunnen worden aangemerkt.1 Wanneer vervolgens een rechtbank of hof bij de begroting van de kostenveroordeling deze rechtersregeling volledig negeert, dan zal de hierdoor benadeelde partij in cassatie met succes over schending van het recht (te weten: het liquidatietarief) kunnen klagen. Hoewel de rechter zónder de aanwezigheid van deze rechtersregeling mogelijk wel tot zijn beslissing had mogen komen - de begroting van de proceskosten is immers typisch een terrein waar de feitenrechter een grote beslissingsruimte heeft2 - is die ruimte beperkt als gevolg van de vaststelling van een (bindend) liquidatietarief. Als gevolg daarvan is de rechter jegens partijen gehouden deze rechtersregeling na te leven en kan hij haar niet zonder meer buiten toepassing laten.3
Overigens zou een dergelijke beslissing tevens tot een motiveringsklacht aanleiding kunnen geven. Zoals werd besproken in § 6.2.2.3 mag een rechter immers in bepaalde gevallen wel afwijken van een rechtersregeling, maar dient hij die afwijking afdoende te motiveren, bijvoorbeeld door aan te geven welke bijzondere omstandigheden een en ander rechtvaardigen. Tegen een beslissing waarbij de rechter een rechtersregeling volledig buiten toepassing laat, zou daarom ook nog aangevoerd kunnen worden dat de rechter niet of niet voldoende heeft gemotiveerd op grond van welke bijzondere omstandigheden van het geval hij van een in beginsel toepasselijke regeling is afgeweken. In § 6.3.5 kom ik op deze mogelijkheid terug.
Een ander voorbeeld van de wijze waarop een onjuiste toepassing van een rechtersregeling in cassatie kan worden geredresseerd, is te vinden in het reeds meerdere malen genoemde rolrichtlijnen-arrest.4 In die zaak werd de toepassing van een bepaling uit de rolrichtlijnen van de Haagse rechtbank in cassatie ter discussie gesteld. Het desbetreffende art. 9a van die rolrichtlijnen hield, kort gezegd, de mogelijkheid in dat een zaak na een 'vrije aanhouding' door de belanghebbende partij vervroegd op een rolzitting werd opgebracht. Van het voornemen daartoe diende echter, aldus genoemd art. 9a, tevoren per brief aan de rolrechter mededeling te worden gedaan, terwijl van deze brief tevens aan de wederpartij een afschrift moest worden verzonden.
In cassatie werd onder meer aangevoerd dat de rolrechter in strijd met deze bepaling had gehandeld, aangezien niet aan de daarin gestelde eisen voor vervroegde opbrenging was voldaan. De Hoge Raad overwoog naar aanleiding hiervan dat noch uit de aan de rolrechter gezonden brief, noch op andere wijze was gebleken dat in casu voldaan was aan het voorschrift, van een en ander mededeling aan (de procureur van) de wederpartij te doen. De conclusie luidde dan ook, dat de rolrechter inderdaad art. 9a van zijn rolrichtlijnen geschonden had door te oordelen dat de zaak overeenkomstig dit artikel was opgebracht, en vervolgens akte van niet-dienen te verlenen.
Dit geval illustreert op welke wijze de toepassing van een rechtersregeling in cassatie kan worden gecontroleerd. Omdat de rolrichtlijnen van de rechtbank in cassatie als 'recht' gelden, levert de toepassing daarvan op de feiten een rechtsbeslissing op. Nu in de bewuste bepaling geen vage begrippen voorkomen, doen zich bovendien niet de in de vorige paragraaf genoemde problemen voor. De Hoge Raad toetst de beslissing van de rolrechter vervolgens aan de toepasselijke bepaling van de rolrichtlijnen. Dit vormt tevens een voorbeeld van de in § 6.2.3.3 besproken 'indirecte' gebondenheid van de cassatierechter aan een rechtersregeling van - in casu - een rechtbank. De Hoge Raad kan (en moet) hier immers de rolrichtlijn als toetsingsmaatstaf hanteren bij de beoordeling van de aangevallen beslissing.
Uit dit voorbeeld blijkt bovendien dat een rechtersregeling in bepaalde gevallen inderdaad de in § 4.4.6.2 al genoemde controlefunctie kan hebben. Zónder de aanwezigheid van een rechtersregeling worden beslissingen waarbij de lagere rechter beschikt over beleidsruimte door de Hoge Raad immers slechts (zeer) beperkt getoetst.5 Wanneer nu, ter invulling van een bepaalde vorm van beleidsruimte, een rechtersregeling is vastgesteld die voldoet aan de eerder geformuleerde eisen voor het ontstaan van binding en recht in de zin van art. 79 RO, kan de Hoge Raad de beslissing van de lagere rechter niet alleen controleren op de aanwezigheid van onbegrijpelijke motiveringen en dergelijke, maar kan hij deze bovendien toetsen aan de desbetreffende rechtersregeling.