Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.5
6.3.5 Schending van het motiveringsvereiste bij toepassing van een rechtersregeling
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577084:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name § 4.4.5.
Zie over dit alles uitgebreider § 6.2.2.2 en § 6.2.2.3.
Vgl. Snijders 1997a, p. 49.
Martens 1997, p. 19.
HR 15 februari 2002, NJ 2002, 197.
In deze zin overigens ook reeds HR 3 april 1998 (Lindeboom/Beusmans), NJ 1998, 571.
Zie voor een ander voorbeeld in deze zin HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37, waarin een motiveringsklacht tegen de vaststelling van kinderalimentatie door het hof (waarbij het hof de NVvR-alimentatienormen op onbegrijpelijke wijze had toegepast) doel trof. Hoewel de taak van de cassatierechter bij het toetsen van de motivering van alimentatiebeschikkingen slechts een beperkte is, geldt immers ook voor dergelijke beschikkingen dat zij tenminste zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, aldus de Hoge Raad.
Aldus HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37 en HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495.
In het voorgaande is reeds aan de orde gekomen dat de binding aan een rechtersregeling die recht in de zin van art. 79 RO vormt, in meerdere opzichten beperkt van aard is.1 Eén van deze beperkingen is gelegen in het feit dat de rechter steeds de mogelijkheid - of eigenlijk de plicht - heeft, in bijzondere gevallen van een rechtersregeling af te wijken. Wel zal daarbij van de rechter verlangd kunnen worden, dat hij deze afwijking motiveert door aan te geven welke bijzondere omstandigheden van het geval afwijking rechtvaardigen. Een soortgelijke motiveringseis zou gesteld kunnen worden voor de omgekeerde situatie dat niet van een rechtersregeling wordt afgeweken, terwijl door één der partijen (gemotiveerd) is aangevoerd dat dit wél zou moeten gebeuren, zij het dat in dit laatste geval de motivering in het algemeen minder uitgebreid zal kunnen zijn, nu het volgen van een rechtersregeling immers juist de hoofdregel is.2
Deze beide motiveringsplichten lenen zich ook voor toetsing in cassatie. Een vergelijking kan gemaakt worden met de in § 6.3.2.3 genoemde gevallen waarin, ter concretisering van een vage norm, een bepaalde vuistregel is aanvaard. De lagere rechter mag van die vuistregel afwijken, maar dient deze afwijking te motiveren. Is een motivering hiervoor niet, of niet in voldoende mate aanwezig, dan kan in cassatie met succes over schending van het motiveringsvereiste worden geklaagd.
Mijns inziens is wenselijk dat de Hoge Raad een soortgelijke, in cassatie toetsbare, motiveringsplicht met betrekking tot de (niet-) afwijking van 'art. 79 RO-rechtersregelingen' aanvaardt.3 De bindende werking van dit type rechtersregeling zou anders immers louter theoretisch zijn: de lagere rechter zou zich hieraan eenvoudig kunnen onttrekken door te overwegen dat 'in de bijzondere omstandigheden van het geval' afwijking van een bepaalde rechtersregeling gerechtvaardigd is. Een rechtsklacht tegen een dergelijke beslissing zal geen grote kans van slagen hebben. De 'rechtsopvatting' dat van een rechtersregeling in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken is niet onjuist en voor het overige zal een zodanige beslissing, die is 'verweven met waarderingen van feitelijke aard', niet op haar juistheid getoetst kunnen worden. Uit oogpunt van controle en rechtsbescherming is dus van belang, dat een beslissing van deze strekking via de weg van motiveringsklachten kan worden gecorrigeerd. Daarnaast is ook voor de rechtsontwikkeling van belang dat door de rechter duidelijk wordt gemaakt waarom in bepaalde omstandigheden een rechtersregeling wel of niet dient te worden toegepast.
Succesvolle motiveringsklachten zijn overigens ook denkbaar ten aanzien van rechtersregelingen die géén recht in de zin van art. 79 RO vormen. Zo is door Martens betoogd dat wanneer de feitenrechter bij zijn beslissing (klaarblijkelijk) uitgaat van een bepaalde rechtersregeling, sprake zal kunnen zijn van een onbegrijpelijke motivering indien bij de toepassing daarvan een kennelijke vergissing - bijvoorbeeld in de vorm van een rekenfout - is gemaakt.4 Een illustratie van deze mogelijkheid is te vinden in een arrest van de Hoge Raad, waarin (onder meer) de toepassing van het liquidatietarief van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba ter discussie werd gesteld.5 Hoewel deze rechtersregeling volgens de Hoge Raad niet als recht in de zin van art. 79 RO kan worden aangemerkt, kan over de begroting van de proceskosten aan de hand van dit liquidatietarief in cassatie wél worden geklaagd voorzover deze begroting op een misslag berust en daarom onbegrijpelijk is.6 Dit was in casu het geval, nu het Gemeenschappelijk Hof de kostenveroordeling (kennelijk) had begroot volgens "Tarief 11" van genoemd liquidatietarief (bestemd voor vorderingen tot betaling van een geldsom van Afl. 2,2 miljoen of meer), terwijl het onderhavige geding betrekking had op een beslagverlof.7
Aldus kan ook via (deels nog nader te ontwikkelen) motiveringseisen de binding van de (lagere) rechter aan een rechtersregeling geëffectueerd worden. Zelfs zou enige controle kunnen worden uitgeoefend op de toepassing van rechtersregelingen die niet als recht in de zin van art. 79 RO kunnen worden beschouwd. Hierbij moet overigens een soortgelijke kanttekening gemaakt worden als in § 6.3.1 al is gemaakt ten aanzien van de uitbreiding van het toepassingsgebied van art. 79 RO tot andere rechtersregelingen dan rolreglementen. Ook het aanscherpen van motiveringseisen zal kunnen leiden tot een grotere toestroom van cassatieberoepen, vooral wanneer het gaat om onderwerpen die in de praktijk veelvuldig voorkomen, zoals de vaststelling van alimentaties of kostenveroordelingen. Op deze gebieden is de toetsing door de cassatierechter daarom in het algemeen (zeer) beperkt. Niettemin geldt zelfs voor alimentatiebeschikkingen de algemene motiveringseis, dat deze beschikkingen tenminste zodanig moeten zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang;8 of hieraan in de gegeven omstandigheden is voldaan kan in cassatie getoetst worden. Zowel uit dogmatisch oogpunt als uit oogpunt van rechtsbescherming komt een (in cassatie toetsbare) motiveringsplicht voor de rechter bij afwijking van een rechtersregeling daarom aangewezen voor, terwijl een dergelijke plicht voorts binnen de reeds bestaande kaders past.