Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.4.2
6.3.4.2 Onjuiste uitleg rechtersregeling
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578285:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De 'helpdesk' bij het Landelijk rolreglement (waarover Uniken Venema 2001, p. 147) was van mening dat in een zodanig geval géén sprake is van een 'klemmende reden'. Zie zijn advies d.d. 26-10-2000, te vinden op www.rechtspraak.nl (onder Bijzondere instanties en instellingen/Helpdesk civiele rol/Hoofdstuk I/Artikel 1.10).
Zie art. 1.7 LRr en art. 133 lid 4 Rv.
Zie bijv. HR 10 september 1993 (Fonville/ Woningbouwvereniging), Nj 1994,507 m.nt. HJS; HR 28 juni 1996 (De Nieuwe Woning/Staat), NJ 1997,495 m.nt. HJS; HR 4 april 1997 (Van Schaik/Verboom), NJ 1998, 220 m.nt. HJS.
Ingevolge art. 337 lid 2, resp. art. 401a lid 2 Rv is dit - tenzij de rechter anders heeft bepaald - overigens slechts mogelijk tegelijk met een zodanig beroep tegen de einduitspraak. Zie over deze complicatie uitgebreider § 6.3.6.2.
Art. 2.8 LRr geeft een procespartij de mogelijkheid uitstel voor het indienen van een processtuk te verzoeken op grond van 'klemmende redenen'. Stel nu dat een partij op grond van deze bepaling om uitstel verzoekt en daartoe aanvoert dat hij meer tijd nodig heeft om de door de wederpartij in het geding gebrachte producties door een accountant te laten toetsen.1 De rolrechter meent echter dat een en ander geen klemmende reden als bedoeld in art. 2.8 LRr oplevert en weigert uitstel. Wanneer de betrokken partij vervolgens de toegelaten proceshandeling inderdaad niet verricht, zal de rolrechter (ambtshalve) akte van niet-dienen verlenen.2 Terzijde zij opgemerkt dat een zodanige beslissing aangemerkt moet worden als een (tussen)vonnis,3 waartegen in beginsel hoger beroep en beroep in cassatie kunnen worden ingesteld.4
In het gegeven voorbeeld doet zich een vraag van uitleg van het landelijk rolreglement voor: is het feit dat een procespartij de door de wederpartij ingebrachte producties door een accountant wil laten toetsen, te beschouwen als een klemmende reden voor uitstel? Wanneer tegen de beslissing van de rolrechter uiteindelijk beroep in cassatie wordt ingesteld, zal door de benadeelde partij kunnen worden aangevoerd dat de rolrechter het reglement onjuist heeft uitgelegd en derhalve het recht (waartoe dit reglement immers behoort) geschonden heeft. In beginsel zal de Hoge Raad zich nu moeten uitspreken over de vraag of de aangevoerde grond voor uitstel al dan niet een klemmende reden in de zin van art. 2.8 LRr oplevert. 'In beginsel', omdat zich juist bij dit voorbeeld de complicatie voordoet dat een rechtersregeling zélf een vage norm bevat. Zoals in § 6.3.2.3 is gebleken, wordt de toepassing van een vage norm op de feiten van het concrete geval door de Hoge Raad in veel gevallen beschouwd als een 'gemengde beslissing': een beslissing waarbij feitelijk en juridisch oordeel zozeer 'verweven' zijn dat de cassatierechter deze slechts in (zeer) beperkte mate inhoudelijk kan toetsen.
Het zal daarom afhangen van de wijze waarop de rolrechter zijn beslissing formuleert, of in cassatie daadwerkelijk met succes over een onjuiste uitleg van de betrokken bepaling kan worden geklaagd. Indien de beslissing kort samengevat luidt: het door een accountant laten controleren van ingebrachte producties valt niet onder het begrip 'klemmende redenen'; in casu is (uitsluitend) als klemmende reden voor uitstel aangevoerd dat meer tijd nodig is om de ingebrachte producties te laten toetsen; het gevraagde uitstel dient dus geweigerd te worden, dan zijn het feitelijke en het interpretatieve deel van de beslissing duidelijk te scheiden. Dit stelt de Hoge Raad in staat te controleren of hij de door de rolrechter gehanteerde interpretatie juist acht.
Het is echter ook mogelijk dat de rolrechter zijn beslissing veel meer feitelijk inkleedt, bijvoorbeeld door deze als volgt te formuleren: gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin niet is gebleken dat toetsing van de ingebrachte producties langer zal duren dan de termijn voor het verrichten van de volgende proceshandeling, kan geen klemmende reden voor uitstel aanwezig worden geacht. In dat geval lopen de interpretatie van het reglement en de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval dooreen, zodat de beslissing in cassatie hoogstwaarschijnlijk als een gemengde beslissing zal gelden. Het gevolg daarvan is dat een rechtsklacht, inhoudend dat de rolrechter een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip 'klemmende redenen', weinig kans van slagen zal hebben.
Al met al is dus met de constatering dat een rechtersregeling tot het recht in de zin van art. 79 RO behoort, nog niet alles gezegd. De mate waarin de Hoge Raad daadwerkelijk toezicht kan uitoefenen op de uitleg daarvan, is (mede) afhankelijk van de vraag of die rechtersregeling zélf vage begrippen bevat, alsmede van de vraag hoe de lagere rechter in dat geval zijn beslissing heeft vormgegeven.