Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.5.5.3
7.5.5.3 De bij de inschakeling van hulppersonen te volgen procedure
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451842:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 86. Zo ook De Groot 2008, p. 160, 245. De Hoge Raad stelde deze eis niet in HR 7 mei 1976, NJ 1977/383, m.nt. W.M. Kleijn (Van Wylick/Van Wylick); HR 2 december 2016, NJ 2017/274, m.nt. E.W.J. de Groot (Gemeente Beuningen/Van Beinum). In HR 8 juli 2011, NJ 2011/310 (Blom/’t Sleyk c.s.) ging het om twee bindend adviseurs (makelaars), die een deskundige (jurist) hadden ingeschakeld voor de beantwoording van een vraag die partijen bij uitstek verdeeld hield, namelijk of bij de taxatie van de ondershandse verkoopwaarde van een onroerende zaak rekening mocht worden gehouden met een daarop door een derde uitgebracht bod. De Hoge Raad overwoog dat het essentiële beginsel van hoor en wederhoor meebracht dat de bindend adviseurs waren gehouden partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraagstelling aan en de bevindingen van de geraadpleegde deskundigen alvorens definitief te beslissen. Nu is er natuurlijk een wezenlijk verschil tussen bindend adviseurs en deskundigen die een derde raadplegen, maar het geeft wel aan welk belang de Hoge Raad hecht aan hoor en wederhoor bij het inschakelen van een derde. Het door mij betoogde vereiste om het voornemen een hulppersoon in te schakelen op voorhand aan partijen mede te delen, wordt niet genoemd in Aandachtspunt 3.10 en door Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 23-24. Ook de Ondernemingskamer stelde deze eis niet in OK 9 augustus 2006, ARO 2006/156 (Euroyal Properties c.s.).
Vgl. De Groot 2004, p. 160. De Groot betoogt dat als de rechter al heeft bepaald dat overleg met partijen over het vakgebied van de hulppersoon achterwege kan blijven, de deskundige niet met partijen behoeft te overleggen. Mijns inziens zou de rechter dat echter niet behoren te beslissen, omdat de bezwaren van partijen zich ook kunnen richten tegen de persoon van de hulppersoon.
Het door de onderzoekers in acht te nemen beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat zij niet kunnen overgaan tot het inschakelen van een hulppersoon of een secretaris (anders dan voor technische ondersteuning of ondersteunende werkzaamheden), zonder hun voornemen daartoe aan partijen te hebben kenbaar gemaakt, opdat deze eventuele bezwaren daartegen aan hen kenbaar kunnen maken.1 Deze bezwaren kunnen zowel betrekking hebben op het inschakelen van de hulppersoon als zodanig of op de persoon van de in te schakelen hulppersoon. Indien de onderzoekers een plan van aanpak opstellen en zij op dat moment al hebben geoordeeld dat het wenselijk is een hulppersoon in te schakelen, is dit een voor de hand liggende gelegenheid om dit aan partijen kenbaar te maken. Indien een partij bezwaar maakt tegen het inschakelen van een hulppersoon, en dat bezwaar in onderling overleg niet kan worden weggenomen, kan de partij die bezwaar maakt zich tot de raadsheer- commissaris wenden en hem vragen de onderzoekers een aanwijzing te geven. De vrijheid die de onderzoekers hebben het onderzoek naar eigen inzicht in te richten, brengt mee dat zij niet zelf het initiatief behoeven te nemen zich tot de raadsheer- commissaris te wenden, uiteraard onverminderd de vrijheid die zij hebben om dit te doen. Denkbaar is dat de Ondernemingskamer in de beschikking waarbij zij het onderzoek gelast al bepaalt dat de onderzoekers met betrekking tot een bepaalde vraag een hulppersoon kunnen inschakelen. Ook in dat geval meen ik dat de onderzoekers hun voornemen daartoe aan partijen moeten kenbaar maken, zodat zij eventuele bezwaren tegen de persoon van de in te schakelen hulppersoon naar voren kunnen brengen.2