Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.4.3.4:11.4.3.4 Stellen van zekerheid
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.4.3.4
11.4.3.4 Stellen van zekerheid
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589499:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Alsdan worden op kosten van de minderjarige hypothecaire inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op inschrijvingen in de schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk opgeheven (lid 2).
Vgl. T.M., PG Boek 6, p. 193 e.v.; en voor vruchtgebruik O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 647, en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 648.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
698. De vruchtgebruiker en de bewindvoerder kunnen verplicht worden gesteld om jegens de rechthebbende zekerheid te stellen, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie. De vruchtgebruiker moet voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde zekerheid stellen, tenzij hij hiervan is vrijgesteld of de belangen van de hoofdgerechtigde reeds voldoende zijn beveiligd door de instelling van een bewind (art. 3:206 lid 1 BW). De regeling van minderjarigenbewind bevat in art. 1:363-1:364 BW een uitvoerige regeling die bij het meerderjarigenbewind op grond van art. 1:436 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard. De kantonrechter kan te allen tijde bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast (art. 1:363 lid 1 BW). De door de voogd gestelde zekerheid houdt op, zodra zijn rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra de rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig art. 1:377 BW zijn verjaard (art. 1:364 lid 1 BW}.1Art. 4:160 lid 1 BW en art. 3.6.1.4 lid 1 Ontw.BW bepalen dat de bewindvoerder tot het stellen van zekerheid slechts verplicht is, indien dit bij de instelling van het bewind is bepaald. Is de bewindvoerder verplicht om zekerheid te stellen, dan kan voor de invulling van deze verplichting aansluiting worden gezocht bij art. 1:364 BW. De vruchtgebruiker en de bewindvoerder die verplicht zijn om zekerheid te stellen, hebben de keuze tussen persoonlijke en goederenrechtelijke zekerheden (art. 6:51 BW).2
De verplichting tot het stellen van zekerheid rust niet op de pandhouder, de beslaglegger, de curator, de vereffenaar of de executeur. In deze gevallen worden goederen van de rechthebbende te gelde gemaakt ten behoeve van een of meer schuldeisers. Het stellen van zekerheid past daar niet bij. Tijdens de afkoelingsperiode in faillissement kan de rechter aan de curator q.q. als voorwaarde de verplichting tot het stellen van zekerheid verbinden (art. 63a lid 2 Fw). Het stellen van zekerheid heeft in dit geval niet betrekking op goederen die te gelde worden gemaakt, maar op goederen van rechthebbenden en goederen waarop beperkt (zekerheids)gerechtigden een recht hebben, en die zij tijdens de afkoelingsperiode niet kunnen opeisen, hetgeen een zekerheidsstelling wél rechtvaardigt.
Bij gemeenschap en lastgeving ontbreekt een bepaling op grond waarvan de beheersbevoegde deelgenoot respectievelijk de lasthebber verplicht is om zekerheid te stellen. Een dergelijke verplichting voor de beheersbevoegde deelgenoot of de lasthebber is evenwel goed denkbaar. Het stellen van zekerheden behoort tot het 'normale type' mogelijke verplichtingen in een rechtsverhouding waarbij een derde een of meer goederen onder zich houdt ten behoeve van de rechthebbende, anders dan in het kader van executie. Aansluiting bij art. 4:160 lid 1 BW en art. 3.6.1.4 lid 1 Ontw.BW verdient de voorkeur: de beheersbevoegde deelgenoot en de lasthebber zijn tot het stellen van zekerheid slechts verplicht, indien dit bij de beheersregeling respectievelijk de lastgeving is bepaald.
699. De verplichting tot het stellen van zekerheid past in beginsel in de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris, en meer algemeen in een lastgevingsovereenkomst op grond waarvan de lasthebber gehouden is om een goed van de lastgever te beheren. De stille cedent en de stille cessionaris kunnen overeenkomen dat de stille cedent verplicht is om zekerheid te stellen. De omstandigheden van het geval kunnen tot een dergelijke verplichting aanleiding geven, bijvoorbeeld als de stille cessionaris als lastgever goede grond heeft om te vrezen dat de stille cedent zijn verplichtingen ten aanzien van de stil gecedeerde vordering of de opbrengst daarvan niet nakomt (vgl. ook bij koop, art. 7:27 jo 7:47 BW). Ook in de regelingen van bewind en vruchtgebruik, waarbij ook een derde een goed (mede) ten behoeve van de rechthebbende beheert, komt deze verplichting voor.