Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.8:3.8 De rechtspositie van de onderzoekers
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.8
3.8 De rechtspositie van de onderzoekers
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455476:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wet biedt geen uitsluitsel over de rechtspositie van de onderzoeker. Over de rechtspositie van de deskundige bepaalt de wet niets meer dan dat de deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard, verplicht is de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen (artikel 198 lid 1 Rv). Deze bepaling acht ik van overeenkomstige toepassing op de onderzoeker in de enquêteprocedure. De literatuur over de rechtspositie van de deskundige is verdeeld. Klaassen meent dat de rechter de deskundige namens de Staat benoemt en dat na aanvaarding van zijn benoeming sprake is van een contractuele relatie die te kwalificeren is als een overeenkomst van opdracht zoals gedefinieerd in artikel 7:400 lid 1 BW.1 De Groot meent dat er tussen de Staat en de deskundige geen overeenkomst tot stand kan komen, onder meer omdat er geen sprake is van contractsvrijheid en diverse bepalingen uit het overeenkomstenrecht niet van toepassing kunnen zijn. Zij meent dat de verplichting van de deskundige om na aanvaarding van de benoeming aan de rechter een deskundigenbericht uit te brengen als een verplichting van publiekrechtelijke aard moet worden aangemerkt. De deskundige is een hulppersoon van de rechter in de uitoefening van zijn publiekrechtelijke taak die overheidsrechtspraak is.2 Ik meen dat De Groot het gelijk aan haar zijde heeft en dat ook de rechtsverhouding tussen de Ondernemingskamer en de onderzoeker (na aanvaarding van de benoeming door de onderzoeker) voortvloeit uit het publiekrecht.3
Het praktisch belang van deze controverse is niet heel groot. De inhoud van de verplichtingen van de onderzoeker ten opzichte van de Ondernemingskamer zijn niet opeens heel anders als men de relatie tussen de onderzoeker en de Ondernemingskamer als een contractuele in plaats van een publiekrechtelijke zou kwalificeren. De inhoud van de ten opzichte van partijen en betrokkenen door de onderzoeker in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm wordt niet bepaald door de kwalificatie van de relatie tussen de onderzoeker en de Ondernemingskamer.