Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.2.3.1:5.2.3.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.2.3.1
5.2.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583080:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat in de vorige paragraaf is geconcludeerd dat het in beginsel de individuele rechters zijn die tot zelfbinding aan een rechtersregeling kunnen overgaan, zal thans worden bezien welk gremium, gelet hierop, het meest geschikt is deze zelfbinding tot stand te brengen. Ik duid dit in het navolgende aan met de term bevoegd orgaan', waarmee uiteraard steeds wordt gedoeld op een orgaan dat bevoegd is, de in het rolrichtlijnen-arrest aanvaarde vorm van 'voorafgaande' binding aan een rechtersregeling tot stand te brengen.1
Bij de bespreking van deze vraag moet in aanmerking genomen worden dat met ingang van 1 januari 2002 de structuur van de rechterlijke organisatie - zoals deze met name in de Wet RO geregeld is - ingrijpend is gewijzigd. Onder meer is een nieuwe bestuurs- en beheersstructuur voor de gerechten ingevoerd (§ 5.2.3.2). De rolrichtlijnen-jurisprudentie van de Hoge Raad dateert echter van vóór deze herzieningsoperatie. Daarom dient bovendien te worden bezien in hoeverre de herziening wellicht consequenties heeft gehad voor de gelding van deze jurisprudentie (§ 5.2.3.3). Vervolgens kan de vraag worden behandeld welk orgaan, of welke organen, binnen de rechterlijke organisatie bevoegd zijn tot vaststelling van rechtersregelingen. Hierbij zal onderscheid gemaakt worden tussen rechtersregelingen die slechts binnen één gerecht gelden (§ 5.2.3.4) en regelingen die na overleg tussen meerdere gerechten worden vastgesteld (§ 5.2.3.5). Het is immers niet op voorhand vanzelfsprekend dat bij beide vormen hetzelfde orgaan bevoegd is tot vaststelling. Ik duid hierbij deze twee soorten aan als interne, respectievelijk externe rechtersregelingen. Deze termen zien in dit kader slechts op de vraag of een rechtersregeling het resultaat is van interne of externe samenwerking bij de vaststelling,2 en niet op de vraag of sprake is van 'externe werking' in de zin van rechtsgevolgen voor derden (bijvoorbeeld procespartijen).