Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.2.3.6:5.2.3.6 Conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.2.3.6
5.2.3.6 Conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579467:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Martens & Ten Kate 2000, p. 1622-1623.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen is de vraag aan de orde gekomen welk orgaan, dan wel welke organen binnen de rechterlijke organisatie bevoegd zijn rechtersregelingen (met de status van recht in de zin van art. 79 RO) vast te stellen. Gebleken is hierbij in de eerste plaats dat bij de herziening van de rechterlijke organisatie onvoldoende aandacht is besteed aan de problematiek van (bindende) rechtersregelingen. Dit is te betreuren, aangezien de herzieningsoperatie nu juist een uitgelezen kans bood de vaststelling van dit soort regels beter - en vooral: duidelijker - te regelen dan thans het geval is.1
Hoewel de parlementaire geschiedenis van de herziene Wet RO derhalve op dit punt het een en ander aan duidelijkheid te wensen overlaat, moet worden aangenomen dat binnen de gerechten in eerste instantie de sectorvergaderingen de bevoegde organen zijn om rechtersregelingen tot stand te brengen. Wanneer een rechtersregeling voor het gehele gerecht van belang is, zal deze ook door de gerechtsvergadering kunnen worden vastgesteld. Een en ander is in overeenstemming met het gekozen uitgangspunt dat rechtersregelingen dienen te berusten op zelfbinding door de betrokken rechters.
Op extern niveau is met de instelling van een Raad voor de rechtspraak niet een orgaan gecreëerd dat tot vaststelling van bindende rechtersregelingen bevoegd is. De Raad kan wel een rol spelen bij het stimuleren en coördineren van (landelijke) rechterlijke samenwerking. Het feit dat de gezamenlijke activiteiten van de Raad en de gerechten op dit terrein niet kunnen leiden tot beslissingen met rechtsgevolg sluit echter geenszins uit dat de resultaten hiervan (in de terminologie van de wetgever: 'gezaghebbende publicaties') door de gerechten afzonderlijk als eigen regeling worden overgenomen. Dit is zelfs de enige manier waarop een externe rechtersregeling de status van recht in de zin van art. 79 RO zal kunnen verwerven. Niet alleen de Raad voor de rechtspraak, ook andere vertegenwoordigende organen als het College van afgevaardigden of de vergaderingen van presidenten, dan wel sectorvoorzitters, kunnen immers niet worden beschouwd als bevoegd orgaan voor de vaststelling van (bindende) rechtersregelingen. Gelet op de praktische haalbaarheid is het uiteraard mogelijk, en waarschijnlijk zelfs aan te bevelen, dat een dergelijke rechtersregeling wordt voorbereid door een werkgroep of een aantal afgevaardigden van de gerechten (bijvoorbeeld alle voorzitters van de betrokken sectoren). Vervolgens kan de regeling worden vastgesteld door (de bevoegde organen van) de afzonderlijke gerechten.