Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.2.2
5.2.2 Aan wie komen rechtsprekende bevoegdheden toe?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583084:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Pari. Gesch. Herz. Wet RO, p. 323.
Zie Pari. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 16.
Vgl. Hermans 1998, p. 304 en Ingelse 1996, p. 1666.
Zie Martens 1997, p. 13-14. In gelijke zin Kapteyn 1989, p. 1649 en mogelijk ook Brenninkmeijer 1989, p. 1627.
Aldus Martens 1997, p. 13.
Zie Bovend'Eert 1999, p. 22; Ingelse 1998a, p. 396; Snijders 1997b, p. 1796.
Vgl. Hermans 1998, p. 304 en Ingelse 1996, p. 1666.
Zie Hermans 1998, p. 304; Snijders 1997b, p. 1796; Ingelse 1996, p. 1666.
Het is bijv. niet mogelijk een geheel college te wraken: zie HR 18 december 1998, NJ 1999, 271.
Zie over de onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters uitgebreider § 3.2.3.
Zie §3.2.3.
Zie over de vraag welk orgaan, of welke organen, binnen een gerecht, gelet op dit uitgangspunt, bevoegd zijn tot deze vaststelling hierna § 5.2.3.
Zoals in § 3.2.3 reeds opgemerkt, gaat het hierbij slechts om de op het moment van vaststelling in functionele zin bij een rechtersregeling betrokken rechters.
Zie §3.2.4.
Op de vraag wat binnen de rechterlijke organisatie de organen zijn die met rechtsprekende bevoegdheden zijn toegerust - de gerechten, de kamers binnen die gerechten of de individuele rechters -, geeft de wet zelf geen duidelijk antwoord. Artikel 112 van de Grondwet draagt de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen op aan 'de rechterlijke macht'. In de Wet RO is nader geregeld welke gerechten hiertoe behoren: dit zijn de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad (art. 2 RO). In het vervolg van de Wet RO worden de competenties van deze gerechten afgebakend: zo nemen de rechtbanken in eerste aanleg kennis van 'alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen' (art. 42 RO), en oordelen de gerechtshoven (onder meer) over de aan hoger beroep onderworpen uitspraken van de rechtbanken binnen hun ressort (art. 60 RO). Uit dit alles zou wellicht opgemaakt kunnen worden dat het inderdaad de gerechten als zodanig zijn die rechtsprekende bevoegdheden bezitten. Dit zou ook aansluiten bij het gangbare spraakgebruik: rechterlijke uitspraken worden immers aangeduid als uitspraken van (bijvoorbeeld) 'Rechtbank Den Haag' of 'Hof Amsterdam'.
Daartegenover kan echter worden gesteld, dat in de wetsgeschiedenis van de (met ingang van 1 januari 2002 herziene) Wet RO met zoveel woorden is opgemerkt dat met de term 'gerecht' in deze wet slechts het organisatorisch geheel wordt bedoeld; het 'orgaan dat rechtspreekt' (aan welk orgaan tevens de rechterlijke onafhankelijkheid toekomt) is hierin 'ingebed'.1 Hoewel niet nader is uitgewerkt welk orgaan binnen de gerechten dan wél rechtspreekt, lijkt hieruit te kunnen worden afgeleid dat in elk geval de RO-wetgever van mening is geweest dat er een onderscheid is tussen de gerechten en de 'organen die rechtspreken', en dat het derhalve niet de gerechten als zodanig zijn die rechtsprekende bevoegdheden uitoefenen.
Het beeld wordt nog gecompliceerder wanneer we bedenken dat de wet in sommige gevallen de rechtspraak opdraagt aan specifieke kamers van een gerecht: zo bijvoorbeeld aan de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam (art. 66 RO) en aan de Pachtkamer van het Hof Arnhem (art. 69 RO). Ook komt het voor dat rechtsprekende taken rechtstreeks aan individuele rechters worden opgedragen, zoals bijvoorbeeld de rechtspraak in kort geding aan de voorzieningenrechter van de rechtbank (art. 254 Rv). Meer in het algemeen spreekt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering steeds van 'de rechter' (en niet: 'de rechtbank'), die allerlei beslissingen kan nemen. Dit laatste valt echter (mede) te verklaren uit het feit dat de meeste bepalingen ook van toepassing kunnen zijn op de - alleensprekende - kantonrechter.2
Voorts kan worden gewezen op het feit dat bijvoorbeeld de waarborgen voor onafhankelijkheid (zoals onder meer de benoeming voor het leven en het feit dat schorsing of ontslag slechts mogelijk zijn door een tot de rechterlijke macht behorend gerecht) toekomen aan de rechters persoonlijk.3 Op zichzelf wettigt ook dit echter nog niet de conclusie dat daarmee ook de rechtspraak aan rechters strikt persoonlijk is opgedragen: het is immers niet denkbaar dat aan een gerecht waarborgen als een benoeming voor het leven toegekend zouden worden.
Al met al kan dus niet gesproken worden van een consequente visie van de wetgever op de vraag, wie rechtsprekende bevoegdheden uitoefenen: de afzonderlijke rechters, de kamers binnen een gerecht, of de gerechten als geheel. Wel blijkt de wetgever uit te zijn gegaan van een samenhang met de rechterlijke onafhankelijkheid: deze komt toe aan diegene(n) aan wie ook de rechtspraak is opgedragen.
In de literatuur is aan de hier besproken vraag evenmin uitgebreid aandacht besteed. Voorzover dat wel is gebeurd, lopen de standpunten dienaangaande uiteen. Twee benaderingen kunnen onderscheiden worden; in beide neemt de rechterlijke onafhankelijkheid een belangrijke plaats in. De eerste benadering, die door Martens het meest is uitgewerkt,4 gaat ervan uit dat rechtspraak is opgedragen aan de gerechten. Het zijn de (enkelvoudige of meervoudige) kamers die namens het gerecht het geschil beslissen. Een belangrijke consequentie van deze opvatting is dat ook de rechterlijke onafhankelijkheid in de eerste plaats toekomt aan de gerechten, en niet aan de individuele rechter. Dit neemt niet weg dat de individuele rechter wel in zekere mate onafhankelijk dient te zijn ten opzichte van zijn collega's: hij behoeft én behoort zich - in de woorden van Martens - "niet te laten ringeloren door de president of zijn oudere collega's".5 Deze vorm van functionele onafhankelijkheid van de rechter is in deze visie echter per definitie beperkt en staat er niet aan in de weg dat de rechter bij zijn beslissingen rekening moet houden met onder meer precedenten of vaste beleidslijnen binnen het gerecht. Dit laatste volgt (mede) uit het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.
Hier tegenover staat dan de opvatting dat de beslissing in een geschil aan rechters persoonlijk is opgedragen, hetgeen onder andere wordt afgeleid uit het feit dat de uitspraak de namen vermeldt van de beslissende rechter of rechters (vgl. art. 230 lid 1 sub g Rv) en door de rechter (bij een meervoudige kamer: door de voorzitter daarvan) dient te worden ondertekend (art. 230 lid 3 Rv).6 Deze benadering houdt tevens in dat de rechterlijke onafhankelijkheid, óók de onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters, in de eerste plaats berust bij de individuele rechters en pas bij wijze van afgeleide daarvan bij de kamers en het gerecht als geheel.7 Dit betekent echter niet dat de functionele onafhankelijkheid van de rechter onbeperkt wordt geacht: de rechter is bij zijn beslissing (uiteraard) gebonden aan het recht. Dit houdt onder meer in dat hij niet zonder goede gronden zal mogen afwijken van wat eerder door andere rechters - binnen én buiten zijn eigen gerecht - is beslist.8
Zelf zou ik willen aannemen dat - bij de beantwoording van de vraag aan wie rechtsprekende bevoegdheden toekomen en wie (dus) tot zelfbinding moet besluiten - tot uitgangspunt dient te worden genomen dat de beslissing in geschillen opgedragen is aan rechters persoonlijk. Hierbij is in de eerste plaats van belang, dat de uitspraak de namen van de beslissende rechters dient te vermelden. Dit wijst erop dat de wetgever de uitspraak niet slechts gezien heeft als een beslissing van het gerecht, maar (tevens) als een beslissing van bepaalde rechters. Daarnaast speelt een rol dat de waarborgen voor onafhankelijkheid toegekend zijn aan de individuele rechter. Ook het wrakingsrecht, een belangrijke waarborg voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid, kan slechts worden uitgeoefend jegens een of meer individueel bepaalde rechters.9
Met de opvatting dat rechtsprekende bevoegdheden toekomen aan rechters persoonlijk, hangt samen dat de functionele onafhankelijkheid mijns inziens in de eerste plaats berust bij de afzonderlijke rechters. Zij dienen niet alleen ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht, maar ook ten opzichte van elkaar tot op zekere hoogte onafhankelijk te zijn.10 Zeker deze laatste vorm van onafhankelijkheid heeft echter haar grenzen. De onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters dient er immers slechts toe te waarborgen dat de rechter zorgvuldig en in vrijheid tot zijn beslissing kan komen, zonder bijvoorbeeld door zaken als promotiekansen te worden beïnvloed; het is echter geen vrijbrief voor willekeur of subjectiviteit. De rechter is - het is al eerder benadrukt - bij zijn beslissingen steeds gebonden aan het recht. Hij dient niet alleen de geldende wettelijke regels in acht te nemen, maar ook de rechtsopvattingen zoals die zich binnen de rechterlijke macht als geheel - in de eerste plaats in rechterlijke uitspraken, maar in voorkomend geval ook in rechtersregelingen - hebben uitgekristalliseerd.11
Wat betekent dit alles nu precies voor de vaststelling van rechtersregelingen? Aangezien het de individuele rechters zijn die rechtsprekende bevoegdheden uitoefenen, zal zelfbinding via een rechtersregeling in beginsel ook door de gezamenlijke rechters binnen het gerecht moeten geschieden.12 Dit betekent echter nog niet dat de besluitvorming ter zake slechts unaniem zal kunnen plaatsvinden. Zoals in § 3.2.3 al is geconcludeerd, is het uit oogpunt van (individuele) onafhankelijkheid aangewezen dat een rechtersregeling in zoverre berust op zelfbinding dat de betrokken rechters13 in de gelegenheid worden gesteld, aan de besluitvorming daaromtrent deel te nemen en hun visie in te brengen. Hiermee is de individuele onafhankelijkheid echter tevens in voldoende mate gewaarborgd. Deze vorm van onafhankelijkheid reikt niet zó ver dat een rechter aan een aldus vastgestelde rechtersregeling slechts gebonden kan zijn voorzover hij het met de inhoud daarvan eens is.14