Einde inhoudsopgave
RvdW 2013/1248
Vervangende toestemming erkenning (art. 1:204 lid 3 BW). Aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Feitelijk oordeel. Art. 80a lid 1 RO.
HR 18-10-2013, ECLI:NL:HR:2013:981
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
18 oktober 2013
- Magistraten
Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot
- Zaaknummer
13/03067
- Conclusie
A-G mr. Mr. F.F. Langemeijer
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Gezag en omgang
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2013:981, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑10‑2013
ECLI:NL:PHR:2013:785, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑09‑2013
Essentie
Vervangende toestemming erkenning (art. 1:204 lid 3 BW). Aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Feitelijk oordeel. Art. 80a lid 1 RO.
Partij(en)
[de moeder], te [woonplaats], verzoekster tot cassatie, adv.: mr. H.H.M. Meijroos,
tegen
[de man], te [woonplaats], verweerder in cassatie, niet verschenen.
Conclusie
Conclusie A-G mr. F.F. Langemeijer:
1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad1.. Uit de moeder is op [geboortedatum] 2008 een dochter geboren, genaamd [de dochter]. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit. Gerekestreerde in cassatie (hierna: de man) heeft op de voet van art. 1:204 lid 3 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.