Zowel bij de man als bij de moeder is sprake geweest van een wijziging van de achternaam.
HR, 18-10-2013, nr. 13/03067
ECLI:NL:HR:2013:981
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-10-2013
- Zaaknummer
13/03067
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:981, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑10‑2013; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:785, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:785, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑09‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:981, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑10‑2013
Partij(en)
18 oktober 2013
Eerste Kamer
nr. 13/03067
EE/AS
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
t e g e n
[de man],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 196926 FA RK 08-5311 van de rechtbank Breda van 12 januari 2009, 26 mei 2009, 30 maart 2012 en 11 juli 2012;
b. de beschikking in de zaak HV 200.115.101/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 maart 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 20 september 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3, 4 en 5).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 18 oktober 2013.
Conclusie 06‑09‑2013
13/03067
Mr. F.F. Langemeijer
6 september 2013 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[de moeder]
tegen
[de man]
1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad1.. Uit de moeder is op [geboortedatum] 2008 een dochter geboren, genaamd [de dochter]. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit. Gerekestreerde in cassatie (hierna: de man) heeft op de voet van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming verzocht om de dochter als zijn kind te erkennen. De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt; de voor het kind benoemde bijzondere curator niet. Na een onderzoek en vervolgens aanvullend onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te hebben gelast, heeft de rechtbank te Breda bij beschikking van 11 juli 2012 het verzoek toegewezen.
2. Op het hoger beroep van de moeder heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 21 maart 2013 de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. De moeder heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De man heeft gebruik gemaakt van de optie in art. 9a.8 Reglement rekestzaken.
3. Middel 1 bestrijdt het oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat haar belang bij een ongestoorde verhouding met de dochter door de verzochte erkenning zal worden geschaad (rov. 3.11.4). Het middel bevat geen rechtsklacht (art. 79 lid 1 onder b RO). Daar waar het middel nader onderzoek naar de feiten bepleit en uitmondt in de klacht dat het hof in alle redelijkheid niet tot dit oordeel heeft kunnen komen, miskent de moeder dat in cassatie geen nieuw onderzoek naar de feiten wordt verricht (art. 419 Rv). Ook de waardering van de feiten kan in cassatie niet met succes ter discussie worden gesteld. Voor zover het middel is bedoeld als motiveringsklacht2., voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen3..
4. Middel 2 betreft het oordeel dat de moeder onvoldoende haar stelling heeft onderbouwd dat de door de man beoogde erkenning de belangen van de dochter zou schaden (rov. 3.11.5). Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen waaraan een cassatiemiddel volgens de wet moet voldoen. Zo blijft de klacht dat “alle positieve en negatieve gevolgen van een dergelijke beslissing (…) moeten worden bekeken” en dat dit niet deugdelijk is gebeurd (blz. 12 cassatierekest) zonder betekenis als cassatiemiddel indien daarbij niet concreet en met opgaaf van redenen wordt aangegeven welke rechtsregel door het hof zou zijn geschonden, respectievelijk: indien daarbij niet concreet wordt aangegeven waarom de redengeving de bestreden beslissing niet zou kunnen dragen of anderszins voor de lezer onbegrijpelijk zou zijn. In het middel is niet nader aangeduid op welke grieven van de moeder het hof niet zou zijn ingegaan (blz. 11 cassatierekest).
5. Middel 3 is gericht tegen de slotafweging in rov. 3.11.6. De klacht houdt in dat het hof de belangen van de betrokkenen niet, althans op onjuiste wijze, tegen elkaar heeft afgewogen. Deze klacht faalt. De afweging door het hof van de belangen van de verwekker bij erkenning tegenover de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de belangen van het kind bij niet-erkenning is in hoge mate verweven met waarderingen van feitelijke aard, die zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Het resultaat van die belangenafweging is in cassatie slechts in beperkte mate te toetsen. Het hof is van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Immers, het hof heeft de belangen van de moeder, de dochter én de vader in zijn oordeel in rov. 3.11.6. betrokken. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op rov. 3.11.3 - 3.11.5 waarin een deugdelijke motivering is te vinden. Het hof vermeldt in rov. 3.11.5 bovendien dat zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de bijzondere curator hebben aangevoerd dat erkenning door de vader in het belang van de dochter is.
6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a - g.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑09‑2013
Met name op blz. 7 van het cassatierekest bovenaan.
Zie voor deze eisen: HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0828.