Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.1
V.1 Vooraf: de onschuldpresumptie in het internationale recht
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599797:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
VN Doc. A/44/40 (1989), par. 213.
Zie § I.3.
De belangrijkste zijn art. 11 lid 1 UVRM, art. 14 lid 2 IVBPR, art. 6 lid 2 EVRM, art. 7 lid 1 sub b African Charter on Human and Peoples’ rights, art. 8 lid 2 American Charter on Human Rights, art. 3.7 Asian Human Rights Charter (al is de reikwijdte daarin beperkt tot gevallen waarin de doodstraf wordt opgelegd), art. 16 Arab Charter of Human Rights en art. 48 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Zie voor nog allerlei andere verdragen, statuten en documenten Henckaerts & Doswald-Beck 2005, p. 357; Van Sliedregt 2009, p. 22-23.
Zie daarover uitvoerig en precies Van Kempen 2003, p. 37-51.
HvJ 8 juli 1999, C-235/92 P, par. 175-176 (Montecatini SpA/EC).
Aldus art. 51 lid 1 Hv. Zie over het bereik van het Handvest in Nederlandse strafzaken op grond van die bepaling o.a. Van Kempen & Bemelmans 2015, p. 542-545.
Groenboek 2006.
Richtlijn 2016/343, overweging 5, 9 en 10. Zie voor algemene, kritische bespreking van de richtlijn Nan 2016; Van Noorloos 2016.
De Nederlandse regering huldigde dit standpunt reeds in de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet van het IVBPR: Kamerstukken II 1975/76, 13 932, nr. 3, p. 3. De Hoge Raad was aanvankelijk terughoudend (zie bijv. HR 14 april 1980, NJ 1981, 401 m.nt. Van Veen), maar toetst inmiddels aan diverse bepalingen van dat verdrag. Zie ten aanzien van art. 14 lid 2 IVBPR bijv. HR 5 december 1995, NJ 1996, 411, m.nt. Schalken.
Zie over de nog altijd beperkte betekenis van het IVBPR voor de uitspraken van de hoogste Nederlandse rechters Gerards 2012a, p. 28-29. Vgl. – ook in het bijzonder over art. 14 – het (weliswaar verouderde) onderzoek van Heringa 1987, i.h.b. p. 116-117 en de annexen.
Zie daarover McGoldrick 1994, p. 21-22, met talrijke verwijzingen naar nationale, regionale en mondiale rechtspraak, rapporten, resoluties en verdragen, waarin aan het IVBPR wordt gerefereerd. Ook het EHRM verwijst ter inspiratie met enige regelmaat naar het IVBPR en de zienswijzen van het CRM, zie o.a. EHRM (GK) 16 december 2010, nr. 25579/05 (A., B. en C./Ierland); EHRM (GK) 13 december 2012, nr. 39630/09 (El-Masri/ Macedonië).
§ II.10.
Niet alleen bieden zij nauwelijks inhoudelijke aanknopingspunten voor interpretatie (zo ook: Stuckenberg 1998, p. 415; Henrion 2005a, p. 44-45), ook hecht in elk geval het EHRM aan de travaux préparatoires in diens rechtspraak nauwelijks waarde, zie daarover Lawson 1996; Gerards 2011, p. 67-70.
Zie over de waarde van dergelijke ‘negatieve’ jurisprudentie Myjer 2009.
Daartoe is gebruik gemaakt van interne verwijzingen in de jurisprudentie, van verwijzingen in de literatuur, en is tevens in de elektronische zoeksystemen gezocht op onder meer de zoektermen ‘presumption of innocence’, ‘presumed innocent’, ‘presumed to be innocent’, ‘until proved guilty’, ‘présumé innocent’, ‘présomption d’innocence’.
Zie over het proces van landenrapportage Boerefijn 1999 en over het effect ervan op het nationale recht en beleid Krommendijk 2014.
Zie aldus en over de door het Comité ondernomen stappen om die naleving niettemin te bewerkstelligen Boerefijn 1997.
Zie daarover het Redactioneel in NTM 2012, p. 387-389, naar aanleiding van de weigering van Nederland uitvoering te geven aan het oordeel CRM 22 juli 2011, nr. 1564/ 2007 (X.H.L./Nederland) en in het kader van landenrapportage: Krommendijk 2014, p. 71-98. Zie over de kwaliteit van concluding observations ook O’Flaherty 2006.
Vgl. in dezelfde zin het CRM zelf: General Comment 2008/33, par 15. De International Law Association (2004, p. 6) stelt zich zelfs op het standpunt dat dergelijke inzichten van mensenrechtenorganen als relevante (staten)praktijk in de zin van art. 31 van het Weens Verdragenverdrag kunnen worden beschouwd.
Verschillende commentatoren hebben zich voor interpretatie van art. 14 lid 2 IVBPR laten leiden door de rechtspraak van het EHRM over art. 6 lid 2 EVRM. Zie op die manier bijv.: Noor Muhammed 1981, p. 150-151; Nowak 2005, p. 329-330. Waarom juist het EVRM, laat staan de uitspraken van het EHRM, bepalend zouden moeten zijn, is mij echter onduidelijk. Eén van de doelen van dit hoofdstuk en het volgende is bovendien het IVBPR en het EVRM onderling met elkaar te vergelijken.
Zie ter verantwoording daarvan § III.1.
Op 8 en 9 november 1988 vergaderde het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Nederlandse regering over de tweede door Nederland verstrekte mensenrechtenrapportage. Op de vraag vanuit het Comité hoe de presumptie van onschuld in Nederland wordt toegepast, antwoordde de Nederlandse afgezant gedecideerd: dit principe is fundamenteel voor de Nederlandse rechtspraktijk.1 Hij die in rechte de stelling wil betrekken dat te zijnen aanzien de onschuldpresumptie onvoldoende is nageleefd, zal zich evenwel vooralsnog rechtstreeks moeten beroepen op de internationale regelgeving waarin het beginsel is opgenomen.
Zowel om de precieze inhoud en reikwijdte van de onschuldpresumptie op een positiefrechtelijk niveau te overzien en te doorgronden, als om de neerslag en doorwerking van dat principe in de Nederlandse strafrechtspleging bloot te leggen, dient de uitleg van het beginsel in het internationale (mensenrechten)recht te worden onderzocht. Anders gezegd: gelet op de beide hoofddoelstellingen die aan dit onderzoek ten grondslag liggen, is bespreking van de wijze waarop internationale instanties het onschuldvermoeden interpreteren, onmisbaar.2 In de komende twee hoofdstukken staat dan ook de vraag centraal welke betekenis het voor Nederland meest relevante internationale recht geeft aan de onschuldpresumptie.
In de bekendste mondiale mensenrechteninstrumenten, vrijwel alle grote continentale mensenrechtendocumenten, maar ook in veel minder gekende bronnen is de onschuldpresumptie neergelegd.3 Men kan gerust spreken van universele erkenning. Dat maakt het onmogelijk alle internationale bronnen te analyseren. Gelet op het onderwerp van deze studie, betrek ik in de navolgende hoofdstukken alleen de voor Nederland belangrijkste, bindende rechtsbronnen.
Dat is op de eerste plaats het EVRM en in het verlengde daarvan de rechtspraak van het EHRM en de voormalige ECieRM. In de bestaande literatuur over de onschuldpresumptie is tot nu toe vooral aandacht besteed aan het EVRM. In artikel 6 lid 2 EVRM is het vermoeden van onschuld met zoveel woorden opgenomen. Daarnaast komt de onschuldpresumptie ook in de Straatsburgse rechtspraak over andere bepalingen van het EVRM met enige regelmaat aan bod. Het gezag van het met het toezicht op het EVRM belaste Hof is bovendien groot. Uitspraken zijn niet alleen bindend in de betreffende zaak, maar geven ook een bindende uitleg aan het verdrag, waardoor de kracht van de uitspraak zich tevens uitstrekt over andere gevallen en andere partijstaten.4 De materiële bepalingen van het EVRM zijn een ieder verbindend, zodat zij tegenover de Nederlandse rechter rechtstreeks inroepbaar zijn. De kwantiteit, kwaliteit en afdwingbaarheid van naleving van de op het EVRM gebaseerde rechtspraak maken dat verdrag ook in dit boek het belangrijkste handvat.
Op Europees niveau heeft de presumptie van onschuld daarnaast inmiddels een plaats verworven in het recht van de EU. In Montecatini SpA/Commissie oordeelde het HvJ dat de presumptie van onschuld één van de fundamentele rechten is die als algemeen rechtsbeginsel onderdeel uitmaken van het Unierecht.5 De rechtspraak over algemene rechtsbeginselen is inmiddels goeddeels gecodificeerd door middel van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat sinds 1 december 2009 bindend is voor de instellingen van de Unie en voor lidstaten voor zover zij EU-recht uitvoeren.6Artikel 48 lid 1 Hv bevat het vermoeden van onschuld. Het afgelopen decennium heeft dat recht binnen de EU daarnaast in de belangstelling gestaan in het kader van de harmonisatie van het strafprocesrecht van de lidstaten. Wat in 2006 begon met de publicatie van een Groenboek over de onschuldpresumptie door de EC,7 resulteerde in 2016 in een aangenomen richtlijn welke moet bijdragen aan de eenduidige uitleg en toepassing van het beginsel in de diverse lidstaten en aldus aan het wederzijds vertrouwen in elkaars systeem van strafvordering.8 Vooral de richtlijn komt uitvoerig aan de orde.
In dit onderzoek is daarnaast het IVBPR betrokken, waarvan artikel 14 lid 2 het onschuldvermoeden verwoordt. Ook van het IVBPR zijn de materiële bepalingen eenieder verbindend.9 Toch is de betekenis ervan voor de Nederlandse (straf)rechtspraktijk betrekkelijk beperkt.10 Dat heeft voornamelijk te maken met de vooraanstaande rol die het EVRM in het Nederlandse recht is gaan spelen. Het EVRM kent intensievere en ingrijpendere handhavingsmechanismen, terwijl daarin grotendeels dezelfde rechten een plaats hebben.11 Dat neemt natuurlijk niet weg dat het IVBPR in het mondiale en regionale mensenrechtendiscours een nog steeds invloedrijke positie inneemt.12 En evenmin neemt het weg dat Nederland aan dat verdrag is gebonden. De voornaamste reden om ook de betekenis van de onschuldpresumptie in het IVBPR te behandelen, is nochtans dat naast Nederland eind 2016 nog 166 andere staten dit verdrag hadden geratificeerd. Nu in de vorige hoofdstukken bleek dat de onschuldpresumptie in de op civil law gebaseerde rechtstradities historisch een andere betekenis heeft dan in de common law, is niet ondenkbaar dat het VN Mensenrechtencomité bij de interpretatie van artikel 14 lid 2 IVBPR op een andere wijze met die tweedeling omgaat dan het EHRM bij uitleg van artikel 6 lid 2 EVRM. Een reële mogelijkheid is dat de betekenis die wereldwijd aan het principe wordt gegeven niet (exact) dezelfde is als op Europees niveau. Vergelijking van beide maakt het mogelijk over de inhoud van de onschuldpresumptie meer betrouwbare en algemeen geldende conclusies te trekken.
Bij de analyse van het IVBPR, het EVRM en de richtlijn is in de selectie van het te gebruiken bronnenmateriaal gestreefd naar volledigheid. Dat betekent onder meer dat niet alleen kennis is genomen van jurisprudentie, maar ook van de totstandkomingsgeschiedenis van de verschillende rechtsbronnen. In hoofdstuk II. kwam het ontstaan van de op de onschuldpresumptie gerichte bepalingen uit de UVRM, het EVRM en het IVBPR reeds vanuit een historisch perspectief aan de orde.13 Voor de thans vigerende betekenis van de desbetreffende bepalingen zijn de travaux préparatoires van tamelijk gering gewicht.14 Incidenteel zijn ook relevante gezichtspunten uit soft law-instrumenten betrokken bij het onderzoek.
Daarnaast brengt het streven naar volledigheid mee dat zoveel mogelijk via de elektronische zoeksystemen beschikbare jurisprudentie is onderzocht. Dit impliceert dat ook de vaak interessante ontvankelijkheidsbeslissingen van het EHRM zijn bekeken,15 dat geen beperking is aangelegd op basis van het door de Straatsburgse organen zelf aan de uitspraak gegeven importantieniveau, en dat evenmin de talen waarin uitspraken beschikbaar waren van invloed is geweest. Voorts is niet volstaan met bestudering van de klachten die de toezichthoudende organen behandelden op grond van de aan de onschuldpresumptie gewijde verdragsbepalingen, maar is actief gezocht naar andere rechtspraak waarin aan het onschuldvermoeden betekenis wordt toegekend.16 Een en ander betekent evenwel niet dat alle gevonden uitspraken in de tekst zijn verwerkt.
Met betrekking tot het IVBPR geldt daarnaast het volgende. Naast de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van het IVBPR zullen ook de views van het VN Mensenrechtencomité veelvuldig aan bod komen. Het Comité is belast met het toezicht op de naleving van het IVBPR en houdt dat toezicht hoofdzakelijk door middel van concluding observations over de krachtens artikel 40 IVBPR gegeven landenrapportages17 en door middel van oordelen over op het eerste Facultatief Protocol gebaseerde individuele klachten.18 Het Comité doet formeel geen bindende uitspraken, maar slechts aanbevelingen.
Anders dan het EHRM staan het geen sancties ter beschikking.19 Doordat daar nog bijkomt dat men de juridische fijnbesnaardheid van het EHRM veel minder aantreft in de zienswijzen van het Comité, is de bereidheid van in elk geval Nederland om zich aan het Comité te conformeren in het algemeen lager.20 De Staten hebben zich anderzijds echter aan het IVBPR gebonden en daarbij aan de bevoegdheid van het Comité om zijn oordeel daarover kenbaar te maken. De uit artikel 2 IVBPR voortvloeiende verplichting het verdrag te goeder trouw na te leven, brengt mijns inziens mee dat een staat niet zonder goede gronden van de daaraan door het Comité gegeven uitleg dient af te wijken.21 Zeker nu een goede alternatieve kenbron ontbreekt waaruit de precieze betekenis van de bepalingen van het IVBPR kan worden afgeleid,22 is het gerechtvaardigd de views van het Comité bij dit onderzoek als voornaamste interpretatiebron van het IVBPR te gebruiken.
Hierna komen de verschillende internationale rechtsbronnen niet afzonderlijk, maar in onderlinge samenhang aan bod. Bespreking per verdragsbepaling zou in grote mate leiden tot herhaling en bemoeilijkt onderlinge vergelijking. Een meer thematische bespreking per door de onschuldpresumptie bestreken onderwerp maakt het tevens mogelijk te bezien in hoeverre het internationale recht overeenstemt met de in de vorige twee hoofdstukken geformuleerde hypotheses. De Straatsburgse praxis staat voorop, maar wordt aangevuld met gezichtspunten uit het EU-recht en het IVBPR waar deze (in bevestigende, aanvullende of afwijkende zin) relevant zijn. Ook de praktijkjurist die zich met een specifiek aan het onschuldvermoeden gelieerde rechtskwestie geconfronteerd ziet, is bij zo’n benadering gebaat. Het voor die kwestie relevante internationale recht is op deze manier sneller en eenvoudiger als coherent geheel te raadplegen.
Het conceptuele onderscheid tussen een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie is opnieuw leidend.23 In het vervolg van dit hoofdstuk komt aan bod wat voor het toepassingsbereik, de betekenis en uitwerking van de bewijsdimensie van belang is. Onvermijdelijk zijn sommige onderdelen daarvan voor hoofdstuk VI eveneens relevant. Om de lezer die beide hoofdstukken in hun geheel leest zo goed mogelijk te bedienen, is herhaling echter zoveel mogelijk vermeden. De lezer die één van beide hoofdstukken ter hand neemt, kan gebruik maken van de interne verwijzingen.