Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.3.4.3
3.3.4.3 De hoogte van de vordering is nog niet zeker
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS585230:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. J. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6; HR 3 februari 2012, NJ 2012/91 (Euretco/ Naeije), r.o. 3.5.4. Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2016/272.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. J. Hijma (Ammerlaan/Enthoven).
HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4; Streefkerk 2013/27.1. Zie hierover ook HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, JOR 2017/58 m.nt. J.J. Dammingh (Heredium/CIA) en par. 3.2.5.
80. Het enkele feit dat de precieze hoogte van de vordering die de opschortende partij meent te hebben, nog niet vaststaat, brengt niet mede dat die vordering niet opeisbaar kan zijn. Aldus luidde het oordeel van de Hoge Raad in de arresten Ammerlaan/Enthoven en Euretco/Naeije.1 Mitsdien kan de schuldeiser ook opschorten indien de precieze hoogte van de vordering nog moet worden vastgesteld (bijvoorbeeld in een gerechtelijke procedure).2 Als dit anders zou zijn, zou volgens de Hoge Raad onvoldoende recht worden gedaan aan het opschortingsrecht dat dient als zekerheid voor het voldoen van een vordering door middel van verrekening. De partij die opschort vooruitlopend op een definitief oordeel over de gegrondheid van zijn beroep, loopt overigens wel zelf het risico aansprakelijk te zijn uit hoofde van wanprestatie, indien later blijkt dat hij niet bevoegd was tot opschorting.3