Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.10
3.10 Vervanging van onderzoekers en benoeming van een extra onderzoeker
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453062:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 26-27.
Zie bijvoorbeeld OK 14 mei 2003, ARO 2003/86 (EMBA); OK 31 december 2004, ARO 2005/2 (Unilever); OK 16 februari 2016, ARO 2016/38 (Deus ex Machina (D.E.M.)).
Vgl. ook de toelichting op Aandachtspunt 1.1.
OK 25 september 2012, ARO 2012/143 (Heusden Veste).
Zie over de grenzen waarbinnen een hulppersoon in te schakelen is en de daarbij in acht te nemen procedure § 7.5.5.5.
OK 21 juni 2012, ARO 2012/108 (Rotifec Group), te bespreken in § 7.3.4.3; OK 1 juni 2015, JOR 2015/223, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Energie Concurrent), besproken in § 3.3.4.4.2.
OK 12 februari 2010, ARO 2010/37 (CAD Accent Groep).
Beenders in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, artikel 194 Rv, aant. 6 jo. 2.
Zo ook Geerts 2004, p. 144.
OK 24 februari 2014, ARO 2014/54 (Body Control Concepts Holding).
SER-advies 88/14, p. 132.
De vervanging van onderzoekers is niet in de wet geregeld. In het Voorontwerp 1981 was een regeling opgenomen die bij nader inzien volgens de staatssecretaris van Justitie overbodig was, omdat het vanzelf spreekt dat onderzoekers vervangen kunnen worden. Het huidige artikel 194 lid 4 Rv zou daarvoor een voldoende basis bieden. Het lijkt mij inderdaad vanzelfsprekend dat de Ondernemingskamer onderzoekers kan vervangen als daartoe een aanleiding is, zowel ambtshalve, op verzoek van de onderzoeker zelf of op verzoek van een van de partijen.1
In de praktijk komt het zelden voor dat de Ondernemingskamer onderzoekers vervangt. In de meeste gevallen gebeurt dit vlak na de benoeming van de onderzoeker.2 Kennelijk was er bij nader inzien toch sprake van een conflicterend belang, waardoor de aanvankelijk benoemde onderzoeker niet onafhankelijk bleek te zijn.3 In één zaak moest de Ondernemingskamer een nieuwe onderzoeker benoemen omdat de oorspronkelijke onderzoeker was overleden.4 Ik kan mij ook voorstellen dat een onderzoeker zelf om vervanging verzoekt als hij bij nader inzien niet beschikt over de vereiste deskundigheid om het onderzoek uit te voeren en dat probleem niet kan worden opgelost door benoeming van een extra onderzoeker of de inschakeling van een hulppersoon.5 Daarnaast is het een aantal keren voorgekomen dat een partij de Ondernemingskamer heeft verzocht een onderzoeker te ontslaan wegens vermeende partijdigheid. De Ondernemingskamer wees deze verzoeken toe in de zaken-Rotifec Group en Energie Concurrent.6 In de CAD Accent Group-zaak weigerde de Ondernemingskamer de onderzoeker wegens beweerdelijke partijdigheid te ontslaan, met de motivering dat zij, lettend op de wijze waarop de onderzoeker zijn taak vervulde, waarvan hij de Ondernemingskamer in kennis had gesteld, en lettend op hetgeen de Ondernemingskamer overigens daaromtrent bekend was, geen aanleiding zag de onderzoeker te vervangen.7 Uit de uitspraak blijkt niet dat de onderzoeker bij de behandeling van het verzoek aanwezig is geweest. Daaruit leid ik af dat de Ondernemingskamer buiten de rechtspersoon om informatie bij de onderzoeker heeft ingewonnen en op basis van die informatie, die zij niet met de rechtspersoon heeft besproken, heeft besloten het verzoek af te wijzen. Deze gang van zaken kan procedureel niet door de beugel, omdat deze strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor (artikel 19 Rv). Anderzijds zou ik niet zover willen gaan om te betogen dat op een verzoek van de rechtspersoon (of een andere partij) de onderzoeker te vervangen de regels van de verzoekprocedure toegepast zouden moeten worden. Dat zou de Ondernemingskamer dwingen bij ieder verzoek om de onderzoeker te vervangen een mondelinge behandeling te gelasten, waarvoor de onderzoeker als belanghebbende zou moeten worden opgeroepen. Dat gaat mij te ver. De woorden “op verzoek van de meest gerede partij” in artikel 194 lid 4 Rv moeten ook gelezen worden als stond er “op verlangen van de meest gerede partij”.8 De Ondernemingskamer kan het “verzoek” informeel afdoen, maar zal wel de eisen van hoor en wederhoor in acht moeten nemen. Ik meen verder dat het verzoek in ieder geval niet kan worden toegewezen zonder de onderzoeker in aanwezigheid van partijen te horen.9 Verder heb ik nog een beschikking gevonden waarbij verzocht werd de onderzoeker te ontslaan omdat hij het onderzoek niet voortvarend had aangepakt. Ook dat verzoek werd afgewezen.10
De Ondernemingskamer zal, anders dan op verzoek of met instemming van de onderzoeker, niet snel tot vervanging moeten overgaan. Daarvoor moeten zwaarwegende redenen zijn. In de woorden van de minister van Justitie in de memorie van toelichting op het Voorontwerp 1981: het enkele feit dat een onderzoeker in de ogen van de verzoekers of de rechtspersoon een wat eenzijdige kijk op de zaak heeft, kan vanzelfsprekend geen reden zijn om tot een dergelijke beslissing te komen.11