Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.1.2.1
4.1.2.1 De kosten van het onderzoek
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456680:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Commissie-Verdam, p. 67-68.
De door de Commissie-Verdam voorgestelde tekst van artikel 53a WvK luidde als volgt: “Wordt het verzoek of de vordering toegewezen, dan stelt de ondernemingskamer het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. De ondernemingskamer kan hangende het onderzoek dit bedrag op verzoek van de door haar benoemde personen verhogen, gehoord de oorspronkelijke verzoekers en de vennootschap. De ondernemingskamer bepaalt het loon van de door haar benoemde personen; het loon wordt betaald door de vennootschap.”
Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 6. De bepaling is in 1971 opgenomen in artikel 53a lid 4 WvK. De tekst van het wetsvoorstel luidde als volgt: “Wordt het verzoek of de vordering toegewezen, dan stelt de ondernemingskamer het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. De ondernemingskamer kan hangende het onderzoek dit bedrag op verzoek van de door haar benoemde personen verhogen, na verhoor, althans behoorlijke oproeping van de oorspronkelijke verzoekers en de vennootschap. De ondernemingskamer bepaalt de vergoeding van de door haar benoemde personen. De vennootschap betaalt de kosten van het onderzoek; in geval van geschil beslist de ondernemingskamer op verzoek van de meest gerede partij. De ondernemingskamer kan bepalen dat de vennootschap voor de betaling der kosten zekerheid stelt.” Bij de derde nota van wijziging (Kamerstukken II 1969/70, 9596, 6, p. 1-2) zijn de woorden “behoorlijke” en “en de vennootschap” geschrapt. Uit de toelichting op de nota van wijziging blijkt dat de achtergrond van het schrappen van het voorschrift om de vennootschap op te roepen was dat het vereiste de vennootschap op te roepen reeds voortvloeit uit de algemene regels voor de verzoekprocedure.
Haantjes & Olden 2013, p. 150-152 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34-38).
Regeling van de minister van Veiligheid en Justitie van 27 februari 2012, nr. 5725931/12, houdende regels voor de beoordeling van de gegrondheid van verzoeken van curatoren tot verstrekking van een voorschot en de grenzen waarbinnen zodanige verzoeken kunnen worden toegewezen (Garantstellingsregeling curatoren 2012).
De Garantstellingsregeling curatoren is wel een keer gebruikt om zekerheid voor de onderzoekskosten te kunnen stellen. Zie OK 7 maart 2012, ARO 2012/47 (Body Control Concepts Holding), r.o. 1.9. Van Campen & Bendel 2005 hebben gepleit voor een ‘garantstellingsregeling kosten enquêteprocedure’. Hieraan bestaat naar mijn mening geen behoefte. Er is geen algemeen belang dat meebrengt dat als belanghebbenden bij een enquête naar een insolvente rechtspersoon de kosten daarvan niet willen betalen, de overheid zou moeten inspringen.
Bij de invoering van het enquêterecht in 1929 bepaalde artikel 54b WvK dat de verzoeker de onderzoekskosten moest betalen. Artikel 53a lid 1 WvK bepaalde onder meer dat het verzoek werd afgewezen indien de verzoekers geen zekerheid hadden gesteld voor de voldoening van de op het onderzoek vallende kosten. Op voorstel van de Commissie-Verdam is deze regeling in 1971 gewijzigd.1 De commissie achtte voor zekerheidstelling door de verzoekers geen voldoende reden aanwezig. Zij redeneerde dat van de veronderstelling dient te worden uitgegaan dat de rechter het verzoek slechts zal toewijzen indien het hem bij summier onderzoek aannemelijk voorkomt dat het niet zonder grond is gedaan. Dan is het, aldus de commissie, ook billijk dat de kosten van het onderzoek voorshands door de vennootschap worden voldaan, onverminderd de, na afloop van het onderzoek vallende, beschikking omtrent het uiteindelijke verhaal (het thans in artikel 2:354 BW geregelde verhaal van de kosten van het onderzoek op de verzoekers indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan). De commissie had dit uitgewerkt in een tekstvoorstel voor een nieuw artikel 53a lid 3 WvK, waarbij tevens aan de Ondernemingskamer werd opgedragen erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek binnen redelijke grenzen blijven.2 Dit voorstel van de commissie is door de regering zonder verdere toelichting, met alleen enkele ondergeschikte wijzigingen, overgenomen.3 Sinds 1971 is de wettelijke regeling op dit punt inhoudelijk niet meer veranderd.
In de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing enquêterecht heeft de minister een beschouwing opgenomen over het onderzoek naar een insolvente rechtspersoon.4 Kort samengevat komt dit betoog op het volgende neer. Op zichzelf kan een enquête naar een failliete rechtspersoon nuttig zijn, zeker wanneer het faillissement samenhangt met mogelijk wanbeleid. In de praktijk is echter ook gebleken dat de curator van een failliete vennootschap niet steeds bereid en in staat is om de boedel te belasten met de kosten van de enquêteprocedure. De consequentie daarvan is dat het onderzoek en daarmee de enquête geen doorgang vindt, tenzij de verzoekers de bedoelde kosten voor hun rekening nemen. De minister zag geen aanleiding om in de wet te bepalen dat de kosten van de enquête zouden moeten worden aangemerkt als boedelschuld. Ook zag hij geen aanleiding voor een algemene regeling op grond waarvan het belang van bepaalde belanghebbenden bij de failliete vennootschap (aandeelhouders) telkens prevaleert ten opzichte van het belang van de gezamenlijke crediteuren. De minister verwierp tevens de gedachte dat de Garantstellingsregeling curatoren5 zou moeten worden verruimd, dan wel een bijzonder fonds zou moeten worden ingesteld voor onderzoek in geval van faillissement van beursvennootschappen.6 Verder stond de minister stil bij de situatie dat er slechts gedeeltelijk dekking is voor de door de Ondernemingskamer vastgestelde kosten van het onderzoek. Wanneer het onderzoek dan toch start, staat bij voorbaat vast dat slechts kan worden voorzien in een deelonderzoek. De Ondernemingskamer moet in een dergelijk geval inschatten of het (deel) onderzoek voldoende inzicht zal kunnen verlenen in het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Schat zij in dat dit niet het geval zal zijn, dan is het onderzoek weinig zinvol. De kosten worden dan eigenlijk voor niets gemaakt. Mede met het oog op de belasting van de rechtspersoon vanwege het onderzoek acht de minister het uitgangspunt gerechtvaardigd dat een enquêteonderzoek niet wordt gestart zolang niet is voldaan aan de door de Ondernemingskamer verlangde zekerheid voor een (deel) onderzoek. De Ondernemingskamer is bevoegd om te beslissen dat een door haar bevolen onderzoek geen doorgang kan vinden indien moet worden aangenomen dat het niet zal kunnen worden uitgevoerd bij gebreke van de daartoe noodzakelijke middelen. In dat geval eindigt de enquêteprocedure.