Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.4.1
4.4.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450709:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld OK 5 juli 2010, JOR 2010/305 (Van der Moolen Holding).
Vroeger placht de Ondernemingskamer hiervoor een termijn van 14 dagen te stellen. Zie Geerts 2004, p. 222.
In § 4.4.2 zal ik betogen dat deze bepaling niet integraal kan worden toegepast bij geschillen over het stellen van zekerheid voor onderzoekskosten. Lid 3 van deze bepaling, voor zover gericht tot de Ondernemingskamer, leent zich wel voor toepassing door de Ondernemingskamer. Zo ook, zonder verwijzing naar deze bepaling, HR 26 juni 2009, JOR 2009/193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest), r.o. 3.4.
Zie bijvoorbeeld OK 25 augustus 1988, NJ 1989/308 (Corocor Benelux), r.o. 4.6. In § 4.4.5 bespreek ik of het wenselijk is dat de Ondernemingskamer deze bevoegdheid krijgt.
Zie bijvoorbeeld OK 23 februari 2005, ARO 2005/32 (Avantech Europe). Vroeger oordeelde de Ondernemingskamer anders en veroordeelde zij de verzoeker om zekerheid te stellen indien deze zich daartoe bereid had verklaard. Zie Geerts 2004, p. 213-215, p. 222 en daar genoemde jurisprudentie.
GH 14 januari 2014, ARO 2014/49 (TC), r.o. 2.1; GH 18 februari 2014, ARO 2014/78 (TC). Artikel 2:274 lid 3 CBW biedt het Gemeenschappelijk Hof de mogelijkheid de verzoeker te veroordelen voor de kosten van het onderzoek zekerheid te stellen.
Aandachtspunt 5.3.
Artikel 2:350 lid 3, laatste volzin BW bepaalt dat de Ondernemingskamer kan bepalen “dat de rechtspersoon voor de betaling der kosten zekerheid moet stellen”. De Ondernemingskamer doet dit altijd, ook als aan de draagkracht van de rechtspersoon niet behoeft te worden getwijfeld, of als op voorhand vaststaat dat de rechtspersoon niet in staat zal zijn om zekerheid te stellen omdat deze in staat van faillissement verkeert.1 De Ondernemingskamer pleegt tegenwoordig geen termijn te stellen waarbinnen de zekerheid moet worden gesteld.2 Zij heeft daartoe wel de bevoegdheid op grond van artikel 616 lid 3 Rv.3 De Ondernemingskamer kan anderen dan de rechtspersoon niet veroordelen zekerheid voor de onderzoekskosten te stellen.4 Ook als vaststaat dat de rechtspersoon niet kan betalen en de verzoeker zich bereid heeft verklaard de kosten van het onderzoek te voldoen, veroordeelt de Ondernemingskamer de rechtspersoon zekerheid te stellen.5 Het enquêterecht in Curaçao biedt wel de mogelijkheid de verzoeker te veroordelen voor de kosten van het onderzoek zekerheid te stellen. In een enquêteprocedure heeft het Gemeenschappelijk Hof een paar keer de beslissing op het enquêteverzoek aangehouden en de verzoeker een termijn gesteld om ten behoeve van de nog te benoemen onderzoeker een bankgarantie te stellen voor de onderzoekskosten. Indien de verzoeker dat niet zou doen, kondigde het Hof aan, zou hij dit beschouwen als een intrekking van het enquêteverzoek, omdat dan geen uitvoering aan het onderzoek zou kunnen worden gegeven.6
Het beleid van de Ondernemingskamer om altijd te beslissen dat er zekerheid voor de onderzoekskosten moet worden gesteld, acht ik juist. Dit biedt de onderzoekers bescherming. Op deze wijze wordt voorkomen dat zij werkzaamheden verrichten waarvoor zij niet worden betaald. De Ondernemingskamer adviseert de onderzoekers dan ook hun werkzaamheden niet aan te vangen respectievelijk voort te zetten voordat betaling van de onderzoekskosten is gegarandeerd.7
Indien de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogt, heeft zij de bevoegdheid te bepalen dat de rechtspersoon aanvullende zekerheid moet stellen. Ook van die bevoegdheid pleegt de Ondernemingskamer altijd gebruik te maken.