Verdrag over de erkenning en de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958, Trb. 1958, 145.
HR, 23-01-2026, nr. 24/04670
ECLI:NL:HR:2026:98
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-01-2026
- Zaaknummer
24/04670
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:98, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1142
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:2552
ECLI:NL:PHR:2025:1142, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:98
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑12‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2026-0012
Uitspraak 23‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Arbitrage. Verlof tot tenuitvoerlegging van buitenlands arbitraal vonnis. Asymmetrisch rechtsmiddelenverbod, art. 1075 (oud) Rv en art. III Verdrag van New York 1958. Verzoek tot terugkomen van HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679 (Rosneft/Yukos Capital).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04670
Datum 23 januari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
NATIONAL IRANIAN OIL COMPANY,
gevestigd te Teheran, Iran,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: NIOC,
advocaten: A.H.M. van den Steenhoven en M.A.M. Wagemakers,
tegen
1. CRESCENT GAS CORPORATION LIMITED,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
2. CRESCENT PETROLEUM COMPANY INTERNATIONAL LIMITED,
gevestigd te Hamilton, Bermuda,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: Crescent c.s.,
advocaat: T.T. van Zanten.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/10/640294 / KG RK 22-659 van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2022;
b. de beschikking in de zaak 200.323.344/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2024.
NIOC heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Crescent c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor NIOC toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van NIOC hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen hebben een geschil over de verkoop en levering van gas. Crescent c.s. hebben in verband daarmee op 15 juli 2009 een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij een scheidsgerecht in Londen, Verenigd Koninkrijk (hierna: het scheidsgerecht).
(ii) Bij arbitraal vonnis van 31 juli 2014 heeft het scheidsgerecht geoordeeld, kort gezegd, dat het bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en dat NIOC toerekenbaar tekort is geschoten en aansprakelijk is voor de door Crescent c.s. geleden schade. Bij arbitraal vonnis van 27 september 2021 heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat NIOC aan Crescent c.s. moet betalen een bedrag van US$ 2.429.970.000,--. Deze twee vonnissen worden hierna aangeduid als de arbitrale vonnissen.
2.2
Bij verzoekschrift van 23 juni 2022 hebben Crescent c.s. de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van de arbitrale vonnissen op de voet van art. 1075 (oud) Rv in verbinding met het Verdrag over de erkenning en de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken (hierna: Verdrag van New York)1., althans art. 1076 (oud) Rv.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen.2.
2.4
NIOC heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft betoogd dat zij ontvankelijk is in het hoger beroep, primair omdat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod niet van toepassing is en subsidiair omdat sprake is van doorbrekingsgronden.
2.5
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.3.Daartoe heeft het hof onder meer geoordeeld dat het asymmetrisch appelverbod van toepassing is, dat NIOC niettemin in haar hoger beroep kan worden ontvangen omdat zij doorbrekingsgronden heeft gesteld, maar dat deze doorbrekingsgronden niet opgaan.
Over het asymmetrisch appelverbod heeft het hof overwogen dat dit verbod ook geldt voor buitenlandse arbitrale vonnissen waarop het Verdrag van New York van toepassing is. Hoger beroep tegen een toegewezen verzoek staat daarom niet open, behalve als zich een doorbrekingsgrond voordoet, of als onverkorte toepassing van het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod een schending van art. 6 EVRM oplevert. Het hof heeft daarbij verwezen naar HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679 (Rosneft/Yukos Capital), nadien herhaald in HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:555. (rov. 6.4)
Er is geen grond om het asymmetrisch appelverbod niet toe te passen. Uit het arrest in de zaak Rosneft/Yukos Capital en de (hiervoor genoemde) daaropvolgende arresten waarin de Hoge Raad het asymmetrische appelverbod heeft herhaald, volgt dat het er niet toe doet welke weigeringsgrond voor het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging wordt ingeroepen. De kern is dat de exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen bij toelating van hoger beroep en cassatieberoep tegen de exequaturverlening aanmerkelijk bezwaarlijker zou zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen; dat levert strijd op met het in art. III van het Verdrag van New York neergelegde discriminatieverbod. (rov. 6.6)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 6.2-6.10 ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de art. 985-991 Rv en de in die bepalingen geregelde mogelijkheden van hoger beroep en beroep in cassatie. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat art. 1075 (oud) Rv in verbinding met art. III Verdrag van New York in de weg staat aan hoger beroep en beroep in cassatie tegen verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis. De uitleg van die bepalingen in het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010 is onjuist, althans aan herziening toe, aldus het onderdeel.
3.2
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om van het oordeel in zijn arrest van 25 juni 2010 terug te komen.4.De rechtsopvatting die het onderdeel bepleit, is daarin niet aanvaard. De in het onderdeel aangevoerde argumenten leiden nu evenmin tot een ander oordeel. Het onderdeel is dan ook tevergeefs voorgesteld.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt NIOC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Crescent c.s. begroot op € 873,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien NIOC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 23 januari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑01‑2026
Rechtbank Rotterdam 5 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10660.
Gerechtshof Den Haag 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2552.
HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679 (Rosneft/Yukos Capital); vgl. ook HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:555.
Conclusie 24‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis. Terugkomen van Rosneft/Yukos Capital (ECLI:NL:HR:2010:BM1679)? Slagende doorbrekingsgrond in verband met een schending van het beginsel van hoor en wederhoor?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04670
Zitting 24 oktober 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
Iran National Iranian Oil Company
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven
tegen
1. Crescent Gas Corporation Limited
2. Crescent Petroleum Company International Limited
advocaat: mr. T.T. van Zanten
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Crescent Gas Corporation Limited en Crescent Petroleum Company International Limited (hierna: CGC en CPCIL en gezamenlijk Crescent c.s.) hebben de voorzieningenrechter verzocht om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van een in het Verenigd Koninkrijk (Londen) tussen hen en Iran National Iranian Oil Company (hierna: NIOC) gewezen arbitraal vonnis. NIOC heeft zich tegen dit verzoek verzet.
1.2
In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen. Daartegen is NIOC in hoger beroep opgekomen. Zij heeft aangevoerd dat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod niet geldt en dat er hoe dan ook sprake is van doorbrekingsgronden. Het hof heeft het hoger beroep verworpen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Volgens het hof is overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge Raad (Rosneft/ Yukos Capital1.) wél een asymmetrisch rechtsmiddelenverbod van toepassing en gaan de aangevoerde doorbrekingsgronden niet op.
1.3
In cassatie voert NIOC in de eerste plaats aan dat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod niet geldt, omdat de Hoge Raad zou moeten terugkomen van de in Rosneft/ Yukos Capital geformuleerde uitgangspunten. In de tweede plaats stelt NIOC dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op een doorbrekingsgrond niet slaagt. M.i. kunnen beide klachten niet slagen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In deze zaak staan de volgende feiten vast, grotendeels ontleend aan de beschikking van het hof Den Haag van 22 oktober 2024.2.
2.2
Crescent c.s. maken onderdeel uit van de Crescent Petroleum groep, die zich toelegt op onder meer de winning, productie en verhandeling van olie en gas, voornamelijk in het Midden-Oosten. CGC is een dochteronderneming van CPCIL. NIOC is de Iraanse staatsoliemaatschappij.
2.3
Op 25 april 2001 hebben NIOC en CPCIL een Gas Sales and Purchase Contract (hierna: de GSPC) gesloten. Op grond daarvan zou NIOC bepaalde hoeveelheden aardgas gaan leveren aan CPCIL voor een periode van 25 jaar, aanvankelijk met ingang van 1 januari 2003, later met ingang van 1 december 2005. De GSPC is nadien acht keer gewijzigd door middel van twee wijzigingsovereenkomsten en zes sideletters. De laatste daarvan dateert van 7 juli 2004.
2.4
Art. 22 van de GSPC bevat bepalingen over het toepasselijk recht en een arbitrageclausule. Annex 2 van de GSPC bevat de Procedures for Arbitration.
2.5
In 2003 heeft CPCIL haar rechten en verplichtingen uit hoofde van de GSPC overgedragen aan CGC.
2.6
Op 15 juli 2009 hebben Crescent c.s. een arbitrageprocedure tegen NIOC aanhangig gemaakt. Partijen kwamen Londen als plaats van arbitrage overeen.
2.7
Op 25 februari 2010 heeft het scheidsgerecht bestaande uit drie arbiters, een gefaseerde behandeling van de arbitrage bevolen. In de eerste fase zou worden beslist over jurisdictie en aansprakelijkheid. Wanneer het scheidsgerecht bevoegd en NIOC aansprakelijk zou zijn, zou daarna de zogenoemde quantumfase volgen. Daarin zou de hoogte van de schadevorderingen van Crescent c.s. aan bod komen.
2.8
Op 16 april 2012 heeft de Rechtbank Teheran een vonnis gewezen waarin een aantal personen strafrechtelijk is veroordeeld wegens (onder andere) corruptie bij de totstandkoming van het GSPC. Dit vonnis is op 30 september 2013 vernietigd door de 20e kamer van de Hoge Raad van Iran.
2.9
Op 31 juli 2014 heeft het scheidsgerecht, in de eerste fase, een beslissing gegeven, de Award on Jurisdiction and Liability. Het tribunaal bestond uit de arbiters dr. G. Griffith, dr. K. Hossain en dr. A. Noori (hierna: Griffith, Hossain en Noori). In dat vonnis (hierna: de Liability Award) heeft het tribunaal het volgende beslist: dat het scheidsgerecht bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en dat – kort gezegd – NIOC toerekenbaar tekort is geschoten onder de GSPC en aansprakelijk is voor de door Crescent c.s. geleden schade.
2.10
De Liability Award is ondertekend door Griffith en Hossain. Noori heeft deze niet ondertekend. Aan de Liability Award is een schriftelijke en niet-ondertekende verklaring van Noori gehecht. In die verklaring staat:
“I have been heavily involved in international arbitration since 1987 and this is the first time where I feel I am unable to sign the award of a Tribunal of which I am a member. This is not because I dissent from the majority’s findings and holdings, but because of something more fundamental: lack of due process in the composition of the Tribunal and lack of due process in the entire proceedings, as I will elucidate later.”
2.11
In augustus 2014 heeft NIOC bij de Engelse High Court of Justice (hierna: de High Court) een procedure aanhangig gemaakt die strekt tot vernietiging van de Liability Award.
2.12
In de vernietigingsprocedure zijn drie vonnissen gewezen. Na een procedurele beslissing van 23 februari 2015 heeft de High Court bij vonnissen van 4 maart 2016 en 18 juli 2016 Crescent c.s. in het gelijk gesteld en het vernietigingsberoep van NIOC afgewezen.
2.13
In augustus 2016 is Noori als arbiter afgetreden. Daarna heeft de arbitrageprocedure tot eind 2019 diverse wisselingen van arbiters gekend. Op 27 september 2021 heeft het scheidsgerecht een tweede arbitraal vonnis gewezen (hierna: de Remedies Award), dat door alle arbiters is ondertekend. In dat vonnis heeft het tribunaal beslist dat NIOC aan Crescent c.s. een bedrag van $ 2.429.970.000,- moet betalen, te vermeerderen met rente.
2.14
NIOC heeft op 25 oktober 2021 de High Court of Justice verzocht om haar op grond van art. 69 EAA (English Arbitration Act) verlof te verlenen hoger beroep in te stellen tegen de veroordeling tot betaling van $ 1.344.700.000 -- in onderdeel A.(I) van de Remedies Award.
2.15
Bij vonnis van 30 juni 2022 heeft de High Court het gevraagde verlof geweigerd.
2.16
NIOC heeft, eveneens op 25 oktober 2021, bij de High Court of Justice op grond van art. 67EAA hoger beroep ingesteld tegen de door het tribunaal aangenomen jurisdictie op het punt van de gevorderde schade die voortvloeit uit verplichtingen van CGC om het van NIOC af te nemen gas door te leveren aan CNGC en die heeft geleid tot de veroordeling tot betaling van $ 1.085.270.000,- in onderdeel A.(2) van de Remedies Award. Op verzoek van Crescent c.s. heeft de High Court op 21 oktober 2022 op het hoger beroep beslist door middel van een summary judgment. Daarbij is het hoger beroep van NIOC afgewezen, omdat “NIOC’s s. 67 application stands no realistic prospect of succes".
2.17
NIOC heeft diezelfde dag een verzoek tot appelverlof tegen de summary judgment ingediend. In dit hoger beroep is op 13 juli 2023 uitspraak gedaan. Het hoger beroep van NIOC is daarbij afgewezen.
2.18
Op 17 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam CGC verlof verleend om ten laste van NIOC conservatoir beslag te leggen op een onroerende zaak in Rotterdam. Op 20 mei 2022 is het beslag gelegd.3.
2.19
Op 14 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam CGC verlof verleend om ten laste van NIOC conservatoir beslag te leggen onder derden. CGC heeft dit beslag inmiddels doen leggen.4.
3. Procesverloop
3.1
Bij verzoekschrift van 23 juni 2022 hebben Crescent c.s. zich gewend tot de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam en verzocht om – kort gezegd – de Liability Award en de Remedies Award te erkennen en Crescent c.s. van een verlof tot tenuitvoerlegging te voorzien.
3.2
3.3
Bij beschikking van 5 december 2022 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken toegewezen.
3.4
NIOC heeft in haar verzoekschrift in hoger beroep van 6 februari 2023 verschillende bezwaren aangevoerd tegen het oordeel van voorzieningenrechter. Primair heeft NIOC zich op het standpunt gesteld dat er geen asymmetrisch rechtsmiddelenverbod van toepassing is en subsidiair dat sprake is van doorbrekingsgronden, omdat in de procedure bij de voorzieningenrechter het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden.
3.5
Het hof heeft in zijn beschikking van 22 oktober 2024 geoordeeld, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, dat tegen beslissingen als die van de rechtbank geen hoger beroep openstaat, behoudens de aanwezigheid van doorbrekingsgronden (rov. 6.2-6.10). Daarbij is het hof aan verschillende bezwaren van NIOC tegen dit rechtsmiddelenverbod gemotiveerd voorbijgegaan.
3.6
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat er geen doorbrekingsgronden zijn die slagen (rov. 6.11-6.14). Wat betreft de stelling van NIOC dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zou zijn gesteld om een uitspraak van de Iraanse Hoge Raad in het geding te brengen, waarbij sprake zou zijn van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, heeft het hof overwogen dat NIOC meerdere gelegenheden heeft gehad om stukken in het geding te brengen en dat het beginsel van hoor en wederhoor niet meebrengt dat er een onbeperkte mogelijkheid bestaat om stukken in het geding te brengen (rov. 6.13).
3.7
Het hof heeft NIOC evenmin ontvankelijk geacht in haar hoger beroep voor zover dat gericht is tegen de beslissing van de rechtbank om de procedure niet aan te houden, zoals NIOC had verzocht, wegens internationale litispendentie (rov. 6.15-6.17).
3.8
Ook is NIOC niet-ontvankelijk in haar verzoek om (de feitelijke vaststellingen zoals deze blijken uit) het vonnis van de rechtbank Teheran te erkennen (rov. 6.18-6.21).
3.9
Ten slotte heeft het hof overwogen dat de inhoudelijke bezwaren van NIOC geen behandeling behoeven en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd (rov. 6.22-6.23).
3.10
NIOC heeft op 22 december 2024 tijdig5.cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 22 oktober 2024. Crescent c.s. hebben verweer gevoerd. NIOC heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht6.en Crescent c.s. hebben gedupliceerd.
3.11
Volledigheidshalve is nog te vermelden dat NIOC in deze zaak eerder cassatieberoep heeft ingesteld, namelijk tegen de afwijzing van een wrakingsverzoek door het hof Den Haag in een uitspraak van 13 oktober 2023. De Hoge Raad heeft dit cassatieberoep niet ontvankelijk verklaard.7.
4. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.1
Ambtshalve moet worden beoordeeld of, gelet op het rechtsmiddelenverbod, het cassatieberoep ontvankelijk is.
4.2
Dat is het geval. Het rechtsmiddelenverbod heeft betrekking op de beslissing waarin een rechter een verlof tot tenuitvoerlegging heeft verleend.8.Het cassatieberoep van NIOC is echter niet gericht tegen een beslissing dat een verlof tot tenuitvoerlegging wordt verleend, maar tegen de oordelen van het hof dat (i) in deze zaak het rechtsmiddelenverbod van toepassing is en dat dit de bestreden uitspraak raakt, en (ii) de door NIOC gestelde doorbrekingsgronden niet opgaan. Dergelijke beslissingen vallen niet onder het rechtsmiddelenverbod.9.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen de toepassing van het rechtsmiddelenverbod. Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof over de door NIOC aangevoerde doorbrekingsgronden.
Onderdeel 1: verzoek om terug te komen van Rosneft/Yukos Capital
5.2
Onderdeel 1 valt uiteen in twee subonderdelen.
5.3
Subonderdeel 1.1 strekt ertoe dat de Hoge Raad terugkomt van zijn jurisprudentie waarin de Hoge Raad het rechtsmiddelenverbod heeft aanvaard voor een Nederlandse beslissing waarin een verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis is gegeven. Het oordeel van het hof in rov. 6.2-6.10 zou daarom onjuist zijn. De argumenten die NIOC hiertoe aanvoert, zullen hierna worden besproken.
5.4
Bij de bespreking van het subonderdeel moet het volgende voorop worden gesteld.
5.5
Op grond van art. 1062 lid 3 Rv (in verbinding met art. 1073 lid 1 Rv) is het niet mogelijk om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de rechterlijke beslissing waarin verlof tot tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis wordt gegeven. Als daarentegen sprake is van een weigering van een verlof tot tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis, dan kan op grond van art. 1063 lid 4 Rv wel hoger beroep (en op grond van lid 5 Rv: cassatie) worden ingesteld. Deze regeling wordt het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod genoemd.
5.6
In de uitspraak Rosneft/Yukos Capital heeft de Hoge Raad beslist dat het asymmetrische rechtsmiddelenverbod ook geldt voor een verlof tot tenuitvoerlegging van een in het buitenland gewezen arbitraal vonnis.10.Het in art. III van het Verdrag van New York neergelegde discriminatieverbod laat niet toe dat voor het verlof tot tenuitvoerlegging van binnenlandse arbitrale vonnissen wel een asymmetrisch rechtsmiddelenverbod geldt, maar dat dit niet het geval zou zijn voor het verlof tot tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen (voor zover afkomstig uit een verdragsstaat). Dan zou namelijk sprake zijn van een aanmerkelijk bezwaarlijker procedure voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen dan voor de tenuitvoerlegging van nationale arbitrale vonnissen. Zie de volgende rechtsoverweging:
“3.4 Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat bij vergelijking van de processuele voorschriften betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van enerzijds nationale arbitrale vonnissen en anderzijds onder het Verdrag van New York vallende buitenlandse arbitrale vonnissen, blijkt dat de laatstbedoelde processuele voorschriften "substantially more onerous conditions or higher fees or charges" inhouden wanneer zij hoger beroep en cassatieberoep zouden toelaten tegen een verlof tot tenuitvoerlegging, waar die - tot extra kosten en tot een verlenging van de procedure leidende - rechtsmiddelen, zoals volgt uit art. 1062 lid 4 [thans art. 1063 lid 4 Rv, A-G] in verbinding met art. 1064 lid 1 Rv., niet openstaan tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis.
De exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen zou daarom bij toelating van hoger beroep en cassatieberoep tegen de exequaturverlening aanmerkelijk bezwaarlijker zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen. Dat zou in strijd zijn met het in art. III van het Verdrag van New York neergelegde discriminatieverbod. Aldus doet zich een geval voor waarin een verdrag een afwijkende voorziening inhoudt als bedoeld in art. 1075 Rv., die in de weg staat aan overeenkomstige toepassing van art. 985 tot en met 991 Rv. voorzover daarin hoger beroep en beroep in cassatie worden opengesteld zonder onderscheid tussen een toewijzende en een afwijzende beslissing op een verzoek tot tenuitvoerlegging.”
5.7
Wel tekent de Hoge Raad aan dat de uitsluiting van een rechtsmiddel op de in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde gronden kan worden doorbroken (rov. 3.5).
5.8
Het feit dat in het land van tenuitvoerlegging geen vernietiging of herroeping van het buitenlandse arbitrale vonnis kan worden verkregen, brengt op zichzelf niet mee dat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod niet toelaatbaar is. Bij de vraag of sprake is van een ‘substantially more onerous condition’ komt het namelijk aan op een vergelijking van de processuele voorschriften van het land van tenuitvoerlegging met betrekking tot enerzijds binnenlandse arbitrale vonnissen en anderzijds buitenlandse onder het verdrag vallende arbitrale vonnissen, en niet om een vergelijking met de processuele voorschriften van het land waar het arbitrale vonnis is gewezen (rov. 3.7.2-3.7.3).
5.9
Het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod levert op zichzelf ook geen schending van art. 6 EVRM op. Dit kan echter anders zijn als de asymmetrie de wederpartij in een zodanig nadelige positie plaatst, dat van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geen sprake is. Als in het land waar het arbitrale vonnis is gewezen de rechtsmiddelen van vernietiging of herroeping van het arbitrale vonnis bestaan en die procedure is gevoerd of alsnog kan worden gevoerd, levert de asymmetrie geen schending op van door art. 6 EVRM beschermde rechten. Daarbij is niet van belang tot welke uitkomst die procedure heeft geleid of naar verwachting zal leiden (rov. 3.8.4).
5.10
De interpretatie van art. III van het Verdrag door de Hoge Raad in Rosneft/Yukos Capital geniet brede steun in de Nederlandse literatuur.11.Voor zover mij bekend is alleen Van den Berg kritisch over het arrest.12.Een nuance hierbij is dat Meijer en Peters menen dat hoger beroep tegen een verlofverlening wél mogelijk zou moeten zijn ingeval de vernietiging van een arbitraal vonnis in het land van arbitrage er niet toe leidt dat de erkenning of een verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland wordt geweigerd.13.Volgens hen was de concrete uitkomst in Rosneft/Yukos Capital daarom incorrect, omdat dit scenario zich in die zaak voordeed. In zoverre geven zij Van den Berg gelijk.
5.11
Ook in internationale literatuur wordt de leer van de Hoge Raad niet bestreden.14.
5.12
NIOC heeft verschillende argumenten aangevoerd waarom de Hoge Raad zou moeten terugkomen van zijn vaste jurisprudentie. Deze bezwaren zijn grotendeels ontleend aan publicaties van Van den Berg.15.
5.13
Allereerst voert NIOC aan dat de Hoge Raad bij zijn oordeel dat ook voor buitenlandse arbitrale vonnissen (gewezen in een verdragsstaat) het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod geldt, ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat naar Nederlands recht geen rechtsmiddelen openstaan tegen de beslissing waarbij een verlof tot tenuitvoerlegging van een Nederlands arbitraal wordt verleend, en dat dit zou betekenen dat één van de uitgangspunten voor het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod wegvalt.16.Volgens NIOC staat er wel een rechtsmiddel open tegen een dergelijke beslissing, omdat (thans) art. 1062 lid 3-4 Rv en 1064 Rv bepalen dat vernietiging of herroeping van een Nederlands arbitraal vonnis van rechtswege meebrengt dat het verlof tot tenuitvoerlegging daarvan is vernietigd of herroepen.
5.14
Dit argument gaat niet op.
5.15
In Rosneft/Yukos Capital heeft de Hoge Raad onder ogen gezien dat de mogelijkheid om vernietiging of herroeping van een binnenlands arbitraal vonnis te verzoeken, bij toewijzing van het verzoek tot vernietiging van een eerder verleend verlof tot tenuitvoerlegging leidt. Geoordeeld is echter dat dit geen consequenties dient te hebben voor de vraag of er een rechtsmiddelenverbod geldt voor een verlof tot tenuitvoerlegging. In het licht van de verdragsregeling is er volgens de Hoge Raad geen reden om het ontbreken van de mogelijkheid om in Nederland vernietiging of herroeping van een buitenlands arbitraal vonnis te verzoeken, te compenseren met het openstellen van hoger beroep en cassatieberoep tegen de verlening van het exequatur. Indien de mogelijkheden tot aantasting in het land waar het arbitrale vonnis is gewezen, beperkt zijn, hebben partijen daarmee bij het sluiten van de arbitrageovereenkomst rekening kunnen houden, aldus de Hoge Raad (rov. 3.7.1-3.7.2).
5.16
De Hoge Raad houdt dus vast aan het wezenlijke onderscheid tussen vernietiging of herroeping van een arbitraal vonnis enerzijds, en het verlof tot tenuitvoerlegging anderzijds. Bij de vraag of de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal strijd oplevert met het discriminatieverbod uit het Verdrag van New York, moet daarom buiten beschouwing blijven dat van een binnenlands arbitraal vonnis vernietiging en herroeping kan worden verzocht.
5.17
Tegen deze achtergrond is er geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheid voor een partij bij een binnenlands arbitraal vonnis om vernietiging of herroeping van dat vonnis te verzoeken, gelijk moet worden gesteld met het openstaan van een rechtsmiddel tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis.
5.18
Hierbij komt dat zich feitelijk niet voordoet dat – als gevolg van de leer in Rosneft/Yukos Capital – sprake is van een achterstelling van een partij bij een in het buitenland (verdragsstaat) gewezen arbitraal vonnis. Wanneer een buitenlands arbitraal vonnis in het land waarin het arbitrale vonnis is uitgesproken wordt vernietigd of herroepen, én die buitenlandse rechterlijke uitspraak in Nederland kan worden erkend, dan moet worden aangenomen dat dat leidt tot afwijzing van een verzoek tot tenuitvoerlegging.17.Als reeds verlof is verleend, kan een partij in een executiegeschil om schorsing van de tenuitvoerlegging verzoeken.18.Het is ook mogelijk dat art. 1064 lid 4 (oud) Rv naar analogie kan worden toegepast, waarmee van rechtswege sprake zou zijn van vernietiging van een eerder verleende verlof tot tenuitvoerlegging.19.Terzijde: NIOC héeft ook in het buitenland (het VK) om vernietiging van het arbitrale vonnis verzocht, maar dat verzoek is afgewezen (zie onder 2.11 e.v.).
5.19
Als daarentegen in het land (verdragsstaat) waarin het buitenlandse arbitrale vonnis is gewezen, níet de mogelijkheid bestaat tot vernietiging of herroeping van het arbitrale vonnis, dan kan dat betekenen dat het asymmetrische rechtsmiddelenverbod strijd oplevert met art. 6 EVRM (rov. 3.8.4 van Rosneft/Yukos Capital). Het rechtsmiddelenverbod zal dan buiten toepassing moeten blijven. Hiermee is duidelijk dat door de Hoge Raad onder ogen is gezien dat het al dan niet bestaan van de mogelijkheid om vernietiging of herroeping van het buitenlandse arbitrale vonnis te verzoeken, gevolgen kan hebben voor het asymmetrische rechtsmiddelenverbod ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging, en dat niet slechts in abstracto naar de kwestie is gekeken.
5.20
Ook hierom is er geen reden om aan te nemen dat een verwerende partij bij een verlof tot tenuitvoerlegging van een binnenlands arbitraal vonnis ‘in wezen’ of ‘indirect’ wel een rechtsmiddel ten dienste staat tegen een verleend verlof (waardoor Rosneft/Yukos Capital op een onjuist uitgangspunt zou berusten). De verwerende partij kan om vernietiging of herroeping van het binnenlandse arbitrale vonnis verzoeken, maar dat kan de verwerende partij bij een buitenlands arbitraal vonnis ook; en als dat laatste niet het geval is, heeft het consequenties voor het rechtsmiddelenverbod.
5.21
Het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting.
5.22
In de tweede plaats voert NIOC aan dat het uitgangspunt dat openstelling van hoger beroep en cassatie tegen een verlof tot tenuitvoerlegging zou leiden tot hogere kosten en een verlenging van de procedure niet zou opgaan. (Nederlandse) vernietigings- en/of herroepingsprocedures duren doorgaans al lang en brengen veel kosten met zich, terwijl het verkrijgen van een verlof tot tenuitvoerlegging (en de daarop volgende tenuitvoerlegging zelf) in Nederland eenvoudig en snel mogelijk is.20.Ook in dit opzicht zou Rosneft/Yukos Capital op een onjuist uitgangspunt berusten, aldus NIOC.
5.23
Ook dit argument biedt geen nieuw of ander perspectief ten opzichte van de stand van het recht ten tijde van Rosneft/Yukos Capital.
5.24
Hoe langzaam of snel een vernietigings- of herroepingsprocedure duurt, kan in het midden blijven. Het lijdt immers geen twijfel dat het instellen van een rechtsmiddel tegen een verlof tot tenuitvoerlegging, díe procedure in tijd verlengt en tot hogere kosten leidt. Nu het bij het discriminatieverbod van art. III van het Verdrag alleen gaat om een vergelijking tussen de nationale procedures voor enerzijds de erkenning of tenuitvoerlegging van een binnenlands arbitraal vonnis, en anderzijds die voor erkenning of tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis, is duidelijk dat het enkele feit van een langere procedure en hogere kosten, al leidt tot strijd met het discriminatieverbod. Anders dan door NIOC wordt betoogd is niet in te zien waarom dit niet het geval is “omdat de regels met betrekking tot erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen [niet, A-G] noodzakelijkerwijs identiek moeten zijn aan de regels die toepasselijk zijn op erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen die in de Lidstaat [verdragsstaat, A-G] zijn gewezen” (procesinleiding, p. 11). Dat moge zo zijn, maar het al dan niet gelden van een rechtsmiddelenverbod kan moeilijk gezien worden als een verschil van ondergeschikte betekenis (en in feite wordt dit ook niet betoogd door NIOC). De Hoge Raad heeft in Rosneft/Yukos Capital dan ook terecht aangenomen dat wanneer hoger beroep en cassatieberoep tegen een verlof tot tenuitvoerlegging zouden zijn toegelaten, de exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen vanwege extra kosten en een verlenging van de procedure, aanmerkelijk bezwaarlijker zou zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen. Daarbij heeft de Hoge Raad voor wat betreft de uitleg van het criterium ‘aanmerkelijk bezwaarlijker voorwaarden’ (‘substantially more onerous conditions or higher fees or charges’), de ontstaansgeschiedenis van het Verdrag van New York betrokken (rov. 3.3.). Er zijn ook in de literatuur geen aanknopingspunten dat de Hoge Raad het begrip ‘aanmerkelijk bezwaarlijker voorwaarden’ onjuist zou hebben uitgelegd.
5.25
Dat een verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis (binnenlands of buitenlands), uitvoerbaar bij voorraad is, maakt het voorgaande niet anders. Niet alleen maakt dit geen verschil uit voor de hiervoor gemaakte vergelijking tussen een verlofprocedure waarbij wél hoger beroep en cassatie kan worden ingesteld, en een verlofprocedure waarbij dat niet het geval is. Daarbij komt nog dat het bijzonder risicovol is voor een partij om tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis over te gaan terwijl de appel- of cassatieprocedure tegen de verlofverlening nog loopt.
5.26
Wat NIOC ten slotte verder nog heeft aangevoerd onder “ad c) – aanmerkelijk bezwaarlijker”,21.komt voor een groot deel neer op een herhaling van de hiervoor besproken standpunten van NIOC of bouwt daarop voort. Dat geldt ook voor de schriftelijke toelichting van NIOC (nrs. 2.3-2.24).22.
5.27
Hoe dan ook kan hetgeen NIOC heeft aangevoerd gelet op wat hiervoor uiteen is gezet niet tot cassatie leiden.
5.28
Subonderdeel 1.2 voert aan dat het hof in rov. 6.7-6.8 en 6.10 heeft miskend dat art. III van het Verdrag niet is geschreven om door middel van een processuele regel de facto corruptie te faciliteren (doordat een beslissing van de rechter op een beroep op die corruptie in hoger beroep of cassatie niet zou kunnen worden beoordeeld). Betoogd wordt, kort samengevat, dat NIOC in het kader van door haar aangevoerde weigeringsgronden ook heeft aangevoerd dat geen sprake is van een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst, omdat deze onder invloed van corruptie en/of in strijd met de openbare orde tot stand is gekomen. Het hof is hier ten onrechte niet op ingegaan, waarbij het kennelijk en ten onrechte heeft aangenomen dat het asymmetrische rechtsmiddelenverbod daaraan in de weg zou staan.
5.29
Het subonderdeel slaagt niet.
5.30
Het argument dat geen sprake is van een geldige arbitrageovereenkomst omdat deze onder invloed van corruptie tot stand is gekomen, is door de voorzieningenrechter beoordeeld in het kader van de toetsing aan de weigeringsgronden van art. 1075 lid 2 Rv, in verbinding met art. V van het Verdrag van New York. Art. V, aanhef en lid 1 onder a, van het Verdrag geeft als weigeringsgrond, kort gezegd, dat de arbitrageovereenkomst ongeldig is naar het daarop toepasselijke recht.23.De voorzieningenrechter heeft het beroep op deze weigeringsgrond verworpen (rov. 4.11-4.16).
5.31
Hiermee is duidelijk dat de vraag of de arbitrageovereenkomst onder corruptie tot stand is gekomen, onder het rechtsmiddelenverbod valt. Het oordeel hierover maakt immers deel uit van de beslissing van de voorzieningenrechter over het verlof tot tenuitvoerlegging. Daarmee wordt het geraakt door het rechtsmiddelenverbod (vgl. onder 4.2).
5.32
Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat ook voor het argument dat de arbitrageovereenkomst onder invloed van corruptie het asymmetrische rechtsmiddelenverbod eraan in de weg staat dat dit in hoger beroep opnieuw wordt beoordeeld (rov. 6.7-6.10). Een herbeoordeling door het hof was derhalve niet mogelijk. Er zijn geen aanknopingspunten dat een uitzondering op het asymmetrische rechtsmiddelenverbod zou gelden als een partij zich erop beroept dat de arbitrageovereenkomst onder invloed van corruptie tot stand is gekomen.
5.33
Ten overvloede is nog op te merken dat NIOC ook reeds in de arbitrale procedure én in de vernietigingsprocedure heeft aangevoerd dat de arbitrale overeenkomst onder invloed van corruptie tot stand is gekomen. Die stellingen zijn daar verworpen.24.
Onderdeel 2: doorbrekingsgronden
5.34
Onderdeel 2 voert aan dat het hof in rov. 6.11-6.13 en 7 onjuist of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de aangevoerde doorbrekingsgronden geen van alle slagen. Volgens NIOC heeft de voorzieningenrechter haar ten onrechte niet meer in de gelegenheid gesteld om een uitspraak van de Iraanse Hoge Raad van 8 juni 2015 in het geding te brengen. Hiermee is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, omdat NIOC het recht is ontnomen om zich naar behoren te verweren tegen een door Crescent c.s. twee dagen vóór de mondelinge behandeling van 21 oktober 2022 met een productie naar voren gebracht punt (dat erop neerkwam dat het vonnis van de rechtbank Teheran over de beweerdelijke corruptie zou zijn vernietigd) naar aanleiding van het verweer van NIOC over de beweerdelijk op corrupte wijze totstandgekomen GSPC. In de uitspraak van de Iraanse Hoge Raad van 8 juni 2015 waarop NIOC doelt, zou het vonnis van de rechtbank Teheran over de beweerdelijke corruptie (voor een deel) zijn bekrachtigd, aldus NIOC.
5.35
Met betrekking tot dit onderdeel geldt het volgende.
5.36
De voorzieningenrechter heeft over de uitspraak van de Iraanse Hoge Raad van 8 juni 2015 en over het verloop van het partijdebat in dit verband het volgende overwogen:
“4.14. In deze procedure doet NIOC als bewijs van de door haar gestelde corruptie een beroep op het Teheran-vonnis. In dat vonnis zijn verschillende natuurlijke personen veroordeeld tot gevangenisstraffen en/of boetes vanwege corruptie bij onder meer de totstandkoming van de GSPC. Niet in geschil is dat, zoals Crescent c.s. hebben gesteld en NIOC later heeft bevestigd (…), dat het Teheran-vonnis is vernietigd door de Iraanse Hoge Raad op 30 september 2013. NIOC stelt echter dat de Iraanse Hoge Raad op 8 juni 2015 de uitspraak van 30 september 2013 heeft vernietigd en het Teheran-vonnis, met uitzondering van het verlagen van bepaalde geldelijke straffen, heeft bekrachtigd. In reactie daarop betwisten Crescent c.s. het bestaan en de gestelde inhoud van het arrest van de Iraanse Hoge Raad van 8 juni 2015 en voeren zij aan dat het beroep van NIOC op die uitspraak te laat is ingesteld.
4.15.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het scheidsgerecht bij zijn beslissing in de Liability Award op de hoogte was van de inhoud van het Teheran-vonnis. Crescent c.s. hebben het tribunaal ook in kennis gesteld van de uitspraak van 30 september 2013. NIOC betwistte toen nog dat het Teheran-vonnis was vernietigd. Het scheidsgerecht heeft zich niet gebonden geacht aan de beslissing in het Teheran-vonnis, maar heeft wel tot op zekere hoogte bepaalde vaststellingen in dat vonnis meegenomen bij zijn beoordeling in de Liability Award (…). In de vernietigingsprocedures daartegen – waarvan de laatste dateert van 18 juli 2016 – zijn meerdere vonnissen uitgesproken. In het kader van het beroep op artikel 67 EAA lag het op de weg van NIOC om in de vernietigingsprocedure het arrest van de Iraanse Hoge Raad van 8 juni 2015 over te leggen als bewijs van de door haar gestelde corruptie. Dat heeft zij nagelaten en ook gedurende de verdere arbitrageprocedure en de procedures bij de High Court met betrekking tot de Remedies Award heeft NIOC blijkbaar geen melding gemaakt van die uitspraak. Voor het eerst in deze procedure verwijst NIOC daar naar. Crescent c.s. stellen terecht dat dit tardief is. De uitspraak is geen nieuw bewijs dat een inhoudelijke beoordeling in deze exequaturprocedure rechtvaardigt. Dat klemt temeer, nu NIOC zelfs ruim 7 jaar nadat het zou zijn gewezen niet in staat is om een afschrift van die uitspraak in het geding te brengen. Zij heeft enkel een eerste en een laatste pagina van de uitspraak overgelegd, met een niet-beëdigde vertaling. Dat is onvoldoende om het bestaan en de inhoud – de gestelde inhoud wordt door Crescent c.s. betwist – van die uitspraak aan te tonen.
NIOC heeft verzocht om haar in staat te stellen, onder meer, een volledige en gecertificeerde kopie van het arrest in het geding te brengen en daarvoor een nadere schriftelijke ronde te gelasten. Dat verzoek moet alleen al worden afgewezen op grond van NIOC’s eigen uitlatingen tijdens de mondelinge behandeling op 24 oktober 2022 [de voortzetting van de mondelinge behandeling van 21 oktober 2022, A-G]. Aan haar verzoek voegde zij immers toe “als we dat al mogen krijgen”. (…). Een aanhouding voor het in het geding brengen van stukken waarvan niet eens duidelijk is dat en wanneer ze overgelegd kunnen worden, is in strijd met de goede procesorde. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat Crescent c.s. er terecht op wijzen dat NIOC beroep doet op een stuk dat al 7 jaar oud zou zijn. Voorts is relevant dat het NIOC al vanaf 20 mei 2022 duidelijk moest zijn dat deze exequaturprocedure gevoerd zou gaan worden. Zij heeft dan ook genoeg tijd gehad om in haar ogen relevante stukken te verzamelen en in het geding te brengen. Gelet op al het voorgaande worden de fundamentele beginselen van het procesrecht niet geschonden door NIOC daartoe niet (meer) in de gelegenheid te stellen. Dat zij heeft nagelaten om tijdig stukken te verzamelen en op een zitting wil citeren uit niet overgelegde stukken, waartegen Crescent c.s., gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, terecht bezwaar gemaakt hebben, zijn keuzes geweest die voor haar eigen rekening en risico komen. (…)
(…)
4.34.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat het op de weg van NIOC lag om de (proces)stukken met betrekking tot het arrest van de Iraanse Hoge Raad van 8 juni 2015 (…) over te leggen in de vernietigingsprocedures, waar de inhoudelijke beoordeling van de vraag of de GSPC nietig is bij uitstek dient plaats te vinden. (…)
4.35.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van NIOC om een nadere schriftelijke ronde wordt afgewezen.”
5.37
In hoger beroep heeft het hof hierover het volgende overwogen:
“6.13 De in het beroepschrift aangevoerde doorbrekingsgronden slagen geen van alle. (…) Ook de stelling dat – in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor – niet voldoende gelegenheid is geweest voor NIOC om stukken in het geding te brengen, waaronder een uitspraak van de Iraanse Hoge Raad (…) – wordt verworpen. NIOC heeft meerdere gelegenheden gehad om stukken in het geding te brengen, te weten bij het verweerschrift, in de aanloop naar en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 21 oktober 2022 en ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling op 24 oktober 2022. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt niet mee dat er een onbeperkte mogelijkheid bestaat om stukken in het geding te brengen.”
5.38
De kern van het oordeel van het hof is dus dat NIOC meerdere gelegenheden heeft gehad om stukken in het geding te brengen, namelijk (i) bij het verweerschrift; (ii) in de aanloop naar en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 21 oktober 2022 en (iii) ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 oktober 2022. Zij heeft echter geen gebruik gemaakt van die mogelijkheden. Nu het beginsel van hoor en wederhoor niet meebrengt dat er een onbeperkte mogelijkheid bestaat om stukken in het geding te brengen, hoefde de voorzieningenrechter het verzoek van NIOC om een nadere schriftelijke ronde niet te honoreren.
5.39
Dit oordeel is juist en zeker niet onbegrijpelijk. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag de rechter een aanbod tot het in het geding brengen van schriftelijke stukken passeren, omdat van een partij verwacht mag worden dat zij dit uit zichzelf doet.25.Anders dan NIOC in haar procesinleiding suggereert, is voor het in het geding brengen van een schriftelijk stuk ook geen ‘goedkeuring’ van de rechter’ nodig.26.In dit opzicht verschilt het aanbod (of het verzoek) om een schriftelijk stuk in het geding te brengen van een aanbod tot getuigenbewijs, omdat voor het horen van getuigen rechterlijke tussenkomst is vereist.
5.40
Dit laat onverlet dat er situaties zijn waarin de rechter uit een oogpunt van waarheidsvinding (en onder omstandigheden ook vanuit een oogpunt van hoor en wederhoor) wél gehouden kan zijn om toe te laten dat een partij nadere schriftelijke stukken in het geding brengt.27.Ook kan zich voordoen dat een partij in redelijkheid erop mocht vertrouwen dat zij nog gelegenheid zou krijgen om een schriftelijk stuk te overleggen.28.En uiteraard moet een partij in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op stellingen en bewijsstukken van de wederpartij.29.De omstandigheden waaronder een partij haar zaak bepleit, mogen er ook niet toe leiden dat zij op een substantieel nadeel komt te staan ten opzichte van de wederpartij.30.Maar er bestaat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geen onbeperkte mogelijkheid om stukken in het geding te brengen.31.
5.41
In de voorliggende zaak zijn er geen goede redenen die de voorzieningenrechter ertoe hadden moeten brengen om het verzoek van NIOC om een nadere schriftelijke ronde te honoreren. Niet alleen gaat het om een uitspraak van 8 juni 2015, zodat NIOC al ruim vóór de onderhavige procedure deze uitspraak had kunnen proberen te verkrijgen waarna zij deze direct zou kunnen hebben overleggen. Daarbij komt dat ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg naar eigen zeggen van NIOC onzeker was of zij de uitspraak op enig concreet aan te geven moment wél in handen zou krijgen.32.Ook dit heeft de voorzieningenrechter terecht bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
5.42
Bovendien was de uitspraak van de Iraanse Hoge Raad van 30 september 2013, waarin het vonnis van de rechtbank Teheran is vernietigd, al onderdeel van het partijdebat in de arbitrageprocedure.33.Het onderwerp waarop het vonnis van de rechtbank Teheran betrekking had – de al dan niet corrupte totstandkoming van de arbitrale overeenkomst – was ook al heel lang onderwerp van het partijdebat tussen partijen. Ook was dit aan de orde in de vernietigingsprocedure in het Verenigd Koninkrijk.34.In de vernietigingsprocedure heeft NIOC de uitspraak van 8 juni 2015 evenwel niet overgelegd, terwijl die procedure op 8 juni 2015 nog liep.35.Ook in andere procedures van na die datum heeft NIOC geen melding gemaakt van de uitspraak van 8 juni 2015.36.In de onderhavige exequaturprocedure heeft NIOC in haar verweerschrift slechts verwezen naar het vonnis van de rechtbank Teheran (nadat Crescent c.s. in dit verband in hun verzoekschrift al aan een uitspraak van de Iraanse rechter hadden gerefereerd)37.en niet naar de uitspraken van 30 september 2013 en van 8 juni 2015.38.
5.43
NIOC heeft nog gesteld dat het niet in haar macht lag om de uitspraak van 8 juni 2015 direct te overleggen nadat Crescent c.s. twee dagen vóór de mondelinge behandeling van 21 oktober 2022 met een productie het punt naar voren bracht dat het vonnis van de rechtbank Teheran over de beweerdelijke corruptie zou zijn vernietigd.39.De termijn die de voorzieningenrechter voor het overleggen van nadere stukken na de mondelinge behandeling van 21 oktober 2022 heeft gegeven, namelijk tot 21 oktober 2022 om 17.00 uur,40.zou voor NIOC niet voldoende zijn geweest. Gezien de hiervoor weergegeven omstandigheden is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat de voorzieningenrechter in dit betoog van NIOC geen reden heeft gezien om NIOC nader in de gelegenheid te stellen om de uitspraak van 8 juni 2015 in het geding te brengen.
5.44
Ten slotte verdient vermelding dat NIOC hoe dan ook in de gelegenheid is geweest om te reageren op de productie over de uitspraak van de Iraanse Hoge Raad van 30 september 2013 die Crescent twee dagen vóór de mondelinge behandeling van 21 oktober 2022 heeft overgelegd. Op 21 oktober en 24 oktober 2022 heeft immers een mondelinge behandeling plaatsgevonden. NIOC heeft tijdens de mondelinge behandeling ook gereageerd op deze productie.41.De voorzieningenrechter heeft deze reactie bovendien meegenomen bij de beoordeling (rov. 4.15). Ook in zoverre is dus geen sprake geweest van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
5.45
De slotsom is dat de conclusie van het hof dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden, juist is.
Slotsom
5.46
Geen van de onderdelen slaagt, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑10‑2025
HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679, NJ 2012/55 m.nt. H.J. Snijders (Rosneft/Yukos Capital).
Hof Den Haag 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2552, rov. 3.2 e.v.
Rb. Rotterdam 5 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10660, rov. 2.16.
Rb. Rotterdam 5 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10660, rov. 2.17.
Zie hetgeen vermeld in art. 1075 Rv (oud) (Stb. 1986, 372, p. 16), HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3110, JOR 2018/102 m.nt. R.J. van Galen (Poorthuis & Dekker q.q./Propertize c.s.), rov. 3.7.2, en HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1990, NJ 2023/64 m.nt. H.J. Snijders (Kazachstan/Ascom c.s.), rov. 4.1.3-4.1.5. Hieruit volgt dat een cassatietermijn van twee maanden van toepassing is in de onderhavige zaak.
Tegen het verzoek daartoe (procesinleiding, p. 18) was bezwaar gemaakt door Crescent c.s. (verweerschrift in cassatie, nrs. 4.1-4.3), maar de Hoge Raad heeft NIOC toegestaan om een schriftelijke toelichting in te dienen.
HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918, JBPR 2024/60 m.nt H.L. Wattel (NIOC/Schreuder c.s.), rov. 3.1 e.v.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1990, NJ 2023/64 m.nt. H.J. Snijders (Kazachstan/Ascom c.s.), rov. rov. 3.1.2.
Zie o.m. F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XXIV) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 168 en 184; B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, ‘Ontvankelijkheid van en belang bij cassatieberoep’, B.T.M. van der Wiel e.a. (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 166.
HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679, NJ 2012/55 m.nt. H.J. Snijders (Rosneft/Yukos Capital).
Zie instemmend bijvoorbeeld G.J. Meijer & N. Peters, ‘The application of the non-discrimination principle of Article III NYC in the Netherlands’, TvA 2024/73, p. 236-242; annotatie van H.J. Snijders bij HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679, NJ 2012/55 m.nt. H.J. Snijders (Rosneft/Yukos Capital), nr. 4; N. Peters, The fundamentals of international commercial arbitration, Apeldoorn: Maklu 2020, p. 67 (impliciet); GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1075 Rv (H.J. Snijders), aant. 9 (actueel tot en met 1 mei 2018); H.J. Snijders, ‘Débat en l’Honneur d’Albert Jan van den Berg: A-National Awards, Non-Discrimination and Enforcement of Annulled Awards’, TvA 2024/70, p. 207-209.
A.J. van den Berg, ‘The New York Convention as interpreted by the Netherlands Supreme Court’, TvA 2024/71, p. 216-220; A.J. van den Berg, ‘Replique’, TvA 2024/75, p. 249-250; A.J. van den Berg, ‘Enforcement of Arbitral Awards Annulled in Russia’, Journal of International Arbitration (2011), Vol. 28, no. 6, p. 617-641, met name p. 626 e.v.
G.J. Meijer & N. Peters, ‘The application of the non-discrimination principle of Article III NYC in the Netherlands’, TvA 2024/73, p. 241.
Zie A. Börner, ‘Article III’, in: H. Kronke e.a. (red.), Recognition and Enforcement of Foreign Arbitral Awards – A Global Commentary on the New York Convention, Alphen aan den Rijn: Wolters Kluwer 2025, p. 133; ICCA’s Guide to the Interpretation of the 1958 New York Convention (2nd edition) 2024, p. 29 en 67-68; M. Scherer, 'New York Convention, Article III [Recognition and Enforcement of Arbitral Awards; General Rule]', in: R. Wolff (red.), New York Convention: Article-by-Article Commentary (Second Edition), Verlag C.H. Beck oHG 2019, nr. 25; UNCITRAL Secretariat Guide on the Convention on the Recognition and Enforcement of Foreign Arbitral Awards, 2016 Edition, p. 90-93; M.R.P. Paulsson, The 1958 New York Convention in Action, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2016, p. 134. Zie voorts nog dupliek, nr. 8.
Procesinleiding, p. 7. Zie voor de publicaties van Van den Berg noot 12.
Procesinleiding, p. 7-8.
Vgl. HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2992, NJ 2019/223 m.nt. H.J. Snijders (X/OJSC), rov. 3.4.5-3.4.6, en HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:918, NJ 2019/224 m.nt. H.J. Snijders (DIAG/Tsjechië), rov. 3.5.5-3.5.8.
Zie over schorsing randnummer 2.25 van de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2015:311) voor HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194, NJ 2015/454 m.nt. L. Strikwerda (Çukurova/Sonera).
Zie daarover N. Peters, Openbare orde en arbitrage (oratie), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 24.
Procesinleiding, p. 8-10.
Procesinleiding, p. 10 e.v.
NIOC wijst in haar schriftelijke toelichting ook op buitenlandse jurisprudentie over art. III van het Verdrag, maar de inhoud van deze jurisprudentie staat m.i. niet op gespannen voet met het oordeel van de Hoge Raad in Rosneft/Yukos Capital. Idem, dupliek, nr. 6.
De tekst van art. V luidt als volgt: “De erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak zullen slechts dan, op verzoek van de partij tegen wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan, geweigerd worden, indien die partij aan de bevoegde autoriteit van het land waar de erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, het bewijs levert:a) dat de partijen bij de in artikel II bedoelde overeenkomst krachtens het op hen toepasselijke recht onbekwaam waren die overeenkomst aan te gaan, of dat die overeenkomst niet geldig is krachtens het recht waaraan partijen haar hebben onderworpen, of – indien elke aanwijzing hieromtrent ontbreekt – krachtens het recht van het land waar de uitspraak werd gewezen; of (…)”
Zie bestreden uitspraak, rov. 3.9 en 3.12; beschikking eerste aanleg, rov. 4.13 en 4.25; repliek van Crescent c.s. eerste aanleg van 24 oktober 2022, par. 10.
Zie bijv. HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204 (X/Y), rov. 3.5; HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453 m.nt. L. Strikwerda (NRSC/Kompas), rov. 3.5.4. Zie verder Asser Procesrecht/Asser 3 2023/211.
Procesinleiding NIOC, p. 17.
Zie in dit verband HR 22 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0188 (X/Y), rov. 3.3-3.4; HR 27 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2407, NJ 1998/328 m.nt. H.J. Snijders (X/Delta Lloyd), rov. 3.7, waarin de relevantie van de omstandigheden van het geval wordt benadrukt. Dat de rechter overlegging wel mag toestaan, wordt onderkend in de literatuur. Zie M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020 (tweede druk), p. 63.
Vgl. HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0540, NJ 1993/79 m.nt. H.J. Snijders. In zo’n geval zou het direct wijzen van een einduitspraak een verrassingsbeslissing kunnen opleveren. Zie in dat verband M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020 (tweede druk), p. 100.
Zie bijvoorbeeld HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt H.J. Snijders (Dipasa Europe/X), rov. 3.5.1; HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1751 (X/Provincie Noord-Holland c.s.), rov. 3.3.2; HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263 (X/Warnaar c.s.), rov. 5.2; HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:587 (X c.s./Y), rov. 3.2.2.
Zie bijvoorbeeld EHRM 4 juni 2013, nr. 7963/05 (Vasilev/Bulgarije), rov. 32.
Zie HR 22 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0188 (X/Y), rov. 3.3-3.4; HR 27 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2407, NJ 1998/328 m.nt. H.J. Snijders (X/Delta Lloyd), rov. 3.7.
Zie proces-verbaal mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 4-5; beschikking eerste aanleg, rov. 4.15. Dat NIOC in hoger beroep de uitspraak van 8 juni 2015 heeft overgelegd, doet hier niets aan af. Zie beroepschrift NIOC, productie 34. NIOC heeft overigens wel de eerste en laatste pagina van het Iraanse arrest van 8 juni 2015 in eerste aanleg overgelegd, zie akte overlegging producties NIOC van 24 oktober 2022, productie 13.
Beschikking eerste aanleg, rov. 4.15; e-mail van Crescent c.s. d.d. 19 oktober 2022, nr. 6.
Zie verzoekschrift Crescent c.s. in eerste aanleg, nrs. 5.6-5.19 en 6.3-6.10; verweerschrift NIOC in eerste aanleg, nrs. 6.1-6.13; verweerschrift van Crescent c.s. in hoger beroep, nr. 131; bestreden uitspraak, rov. 3.9 en 3.12; beschikking eerste aanleg, rov. 4.13 en 4.25; repliek van Crescent c.s. eerste aanleg van 24 oktober 2022, par. 10. NIOC heeft op de uitspraak van de Iraanse rechter van 16 april 2012 ook een beroep gedaan in verband met haar betoog over de beweerdelijk vereiste goedkeuring van het Iraanse parlement om geschillen aan arbitrage te onderwerpen (verweerschrift NIOC in eerste aanleg, nrs. 5.3-5.4), maar dit beroep heeft de rechtbank in eerste aanleg geheel als tardief verworpen in rov. 4.12; het niet verder in de gelegenheid stellen van NIOC om de uitspraak van 8 juni 2015 over te leggen in rov. 4.14-4.15 is een oordeel van rechtbank in de context van het beroep op corruptie.
Beschikking eerste aanleg, rov. 4.15; repliek van Crescent c.s. eerste aanleg van 24 oktober 2022, nrs. 5.14-5.27; beroepschrift NIOC, nr. 6.16.
Beschikking eerste aanleg, rov. 4.15; repliek van Crescent c.s. eerste aanleg van 24 oktober 2022, nrs. 5.14-5.27; beroepschrift NIOC, nr. 6.16.
Verzoekschrift Crescent c.s. in eerste aanleg, nr. 5.6.
Verweerschrift NIOC in eerste aanleg, nrs. 3.11, 6.9 en 6.13.1; spreekaantekeningen eerste aanleg van NIOC van 21 oktober 2022, nr. 6.2 en proces-verbaal eerste aanleg, p. 5.
Procesinleiding, p. 17-18, met verwijzing naar proces-verbaal mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 4-5. Zie ook akte overlegging producties NIOC van 21 oktober 2022, nrs. 1-3; beroepschrift NIOC, nr. 5.2.1.
Zie proces-verbaal mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 4. NIOC heeft overigens op 24 oktober 2022 – dus na de gestelde deadline - de eerste en laatste pagina van het Iraanse arrest van 8 juni 2015 overgelegd, zie akte overlegging producties NIOC van 24 oktober 2022, productie 13.
Spreekaantekeningen NIOC 21 oktober 2022, nrs. 6.1-6.4; proces-verbaal eerste aanleg, p. 2 en 4-5.
Beroepschrift 22‑12‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen,
National Iranian Oil Company , een vennootschap naar vreemd recht gevestigd te Teheran, Iran (‘NIOC’), die voor deze zaak woonplaats heeft gekozen aan de Dr Lelykade 10-C te (2583 CM) Den Haag, ten kantore van mr. A.H.M. van den Steenhoven en mr M.A.M. Wagemakers, advocaten bij de Hoge Raad, die door NIOC zijn aangewezen om haar als zodanig te vertegenwoordigen en die dit verzoekschrift voor haar ondertekenen en indienen.
Verweerders in dezen zijn:
- 1.
Crescent Gas Corporation Limited, een vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden, gevestigd in Tortola (Britse Maagdeneilanden) (hierna: ‘CGC’);
- 2.
Crescent Petroleum Company International Limited, een vennootschap naar het recht van Bermuda, gevestigd te Hamilton (Bermuda) (hierna: ‘CPCIL’), Die in vorige instanties woonplaats hebben gekozen ten kantore van hun advocaat mr. N. Peters, Postbus 4023, 2301 RA Leiden,
hierna tezamen te noemen: ‘Crescent c.s.’.
NIOC stelt hierbij cassatieberoep in tegen de eindbeschikking, uitgesproken op 22 oktober 2024, van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), gewezen in de zaak met zaaknummer 200.323.344/01, tussen NIOC als appellante en verweerders als geïntimeerden (de ‘beschikking’).
Inleiding
Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om een toegewezen verzoek van de zijde van Crescent c.s. om erkenning van een arbitrale Liability Award en om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitrale Remedies Award, beiden gewezen in het Verenigd Koninkrijk. Daarbij is NIOC veroordeeld tot betaling aan Crescent c.s. van een bedrag van in totaal ruim $ 2,4 miljard. De Awards zijn gegeven in een op 15 juli 2009 door Crescent c.s. aanhangig gemaakte arbitrageprocedure in een geschil rond de levering van gas.
Bij beschikking van 5 december 2022 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de Liability Arard erkend aan CGC verlof gegeven tot tenuitvoerlegging van de Remedies Award ten laste van NIOC.
NIOC is op 6 februari 2023 van deze beschikkingen hoger beroep gekomen, waarbij zij onder meer heeft aangevoerd dat van een appelverbod geen sprake is en daarnaast (zekerheidshalve) ook doorbrekingsgronden heeft aangevoerd.
In de bestreden beschikking heeft hof Den Haag — voor zover in cassatie van belang — geoordeeld dat sprake is van een appelverbod (rov. 6.2-6.10), dat het beroep op doorbrekingsgronden niet slaagt (rov. 6.11 – 6.14) en dat van een zelfstandig verzoek tot erkenning van het vonnis van de ter zake bevoegde rechtbank te Teheran van 16 april 2012 geen sprake is (rov. 6.19 – 6.21). In dat vonnis zijn verschillende natuurlijke personen veroordeeld tot gevangenisstraffen en/of boetes vanwege corruptie bij onder meer de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen die aanleiding heeft gegeven tot het arbitrale vonnis.1. Dit staat in cassatie (op zijn minst genomen) veronderstellenderwijs vast.
NIOC voert tegen de bestreden beschikking aan het navolgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in de beschikking is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden:
Inleiding
In deze zaak hebben Crescent cs verzocht om;
- —
erkenning van een in het Verenigd Koninkrijk gewezen arbitrale Liability Award; en
- —
erkenning van de daarop volgende Remedies Award en om die van een verlof tot tenuitvoerlegging te voorzien.
(Rb rov. 3.1, onbestreden)
NIOC heeft zich daartegen verweerd met een beroep op weigeringsgronden op voet van artikel V van het Verdrag van New York, althans van artikel 1076 Rv.
Oordelen hof
NIOC heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag verwierp het hoger beroep (rov. 6.23) en oordeelde:
Met betrekking tot het rechtsmiddelenverbod, dat
- a.
in lijn met de huidige rechtspraak van de Hoge Raad, het asymmetrisch appelverbod van toepassing is (rov.6.2, 6.4, 6.6, 6.9, 6.10, 6.16, 6.17).
En met betrekking tot de gestelde doorbrekingsgronden, dat:
- b.
het beroep op corruptie wordt verworpen (rov. 6.8)
- c.
artikel 6 EVRM niet is geschonden (6.9);
- d.
de bij repliek in hoger beroep aangevoerde nadere doorbrekingsgronden te laat zijn voorgesteld (rov 6.12);
- e.
de aangevoerde doorbrekingsgronden niet slagen. Daarbij verwierp het hof ook de stelling dat NIOC onvoldoende gelegenheid heeft gehad om stukken in het geding te brengen (rov 6.13);
- f.
het oordeel van de rechtbank dat artikel 139 van de Iraanse Grondwet tardief is -ook als dit oordeel onjuist zou zijn-geen schending is van hoor en wederhoor oplevert (rov 6.14)
- g.
het verzoek van NIOC om erkenning van de feiten uit een Iraans strafvonnis niet ontvankelijk is (6.21);
- h.
de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd (rov. 6.23 en 7)
In cassatie richt NIOC primair klachten tegen 's‑hofs oordeel over de toepasselijkheid van het asymmetrisch appelverbod. Dat is niet van toepassing op de exequaturprocedure van buitenlandse arbitrale vonnissen en in ieder geval niet in zaken waarin corruptie aan de orde is. Voorzover nodig worden daartoe ook doorbrekingsgronden aangevoerd.
Daarnaast wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de (voorzover nodig) in hoger beroep gestelde doorbrekingsgronden niet slagen. Dat vormt het onderwerp van middelonderdeel 2. Voor de beoordeling van die klachten zijn geen doorbrekingsgronden nodig.
Klachten
1. Onderdeel 1; Asymmetrisch rechtsmiddelenverbod is niet van toepassing
1.1
In rov. 6.2–6.9, culminerend in 6.10, heeft het hof ten onrechte geen toepassing gegeven aan de bepalingen van art. 985 tot en met 991 Rv en de in die artikelen geregelde mogelijkheden van hoger beroep en beroep in cassatie, in verband met een door het hof aangenomen appelverbod. Het hof heeft in dat kader verwezen naar het arrest van Uw Raad van 25 juni 20102. en de daarin gegeven uitleg van art. 1075 (oud) Rv in verbinding met art. III Verdrag van New York 1958 (hierna: ‘Verdrag van New York’). Art. 1075 (oud) Rv in verbinding met art. III Verdrag van New York staat, anders dan het hof oordeelde, echter niet in de weg aan hoger beroep en beroep in cassatie tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis. De uitleg van die artikelen in voormeld arrest van Uw Raad van 25 juni 2010 is onjuist, althans aan herziening toe.
Toelichting
Het hof oordeelde in rov. 6.6 dat er geen reden is om het asymmetrisch appelverbod niet toe te passen op de exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen, omdat toelating van hoger beroep en cassatieberoep aanmerkelijk bezwaarlijker zou zijn. Dat zou strijd opleveren met artikel III van het Verdrag van New York. Het hof wees in dat verband op het arrest van Uw Raad van 25 juni 2010 (Rosneft/Yukos Capital) en de in rov. 6.4 vermelde arresten van 1 mei 2015 (Çurkova/Sonera)3. en 31 maart 2017 (Nelux).4.
Recent is de juistheid van deze uitleg van art. III Verdrag van New York in verbinding met art. 1075 (oud) Rv en de daaruit voortvloeiende regel dat in zaken als de onderhavige sprake zou zijn van een asymmetrisch appelverbod (opnieuw) onderwerp van debat geweest tussen vooraanstaande schrijvers op dit gebied.5. NIOC meent, mede in het licht van de argumenten die in deze discussie naar voren zijn gebracht, dat aanleiding bestaat om van deze regel terug te komen.
In rov. 3.4 overwoog uw Raad en het arrest van 25 juni 2010 dat moet worden geoordeeld dat, bij vergelijking van de processuele voorschriften betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van enerzijds nationale arbitrale vonnissen en anderzijds onder het Verdrag van New York vallende buitenlandse arbitrale vonnissen, blijkt dat de laatstbedoelde processuele voorschriften ‘substantially more onerous conditions or higher fees or charges’ inhouden wanneer zij hoger beroep en cassatieberoep zouden toelaten tegen een verlof tot tenuitvoerlegging, waar die — tot extra kosten en tot een verlenging van de procedure leidende — rechtsmiddelen, zoals volgt uit art. 1062 lid 4 in verbinding met art. 1064 lid 1 (oud) Rv, niet openstaan tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis. Daarom zou de exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen bij toelating van hoger beroep en cassatie beroep tegen verlofverlening, aanmerkelijk bezwaarlijker zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse vonnissen. Dat zou in strijd zijn met het discriminatieverbod van art. III Verdrag van York. Het Verdrag van New York zou aldus in de weg staan aan overeenkomstige toepassing van art. 985 tot en met 991 Rv.
Deze regel is door Uw Raad zonder veel verdere omhaal herhaald in de arresten van 1 mei 2015 (rov. 3.2.3) en 31 maart 2017 (rov. 3.4.4., tweede alinea).
Blijkens hetgeen Uw Raad op 25 juni 2010 heeft overwogen in de aan rov. 3.4 voorafgaande overwegingen 3.2 en 3.3, heeft Uw Raad daarbij van belang geacht dat uit het bepaalde in art. 1062 lid 4 (oud) Rv in verbinding met art. 1064 lid 1 (oud) Rv volgt dat tegen de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van een Nederlandse arbitraal vonnis geen hoger beroep of beroep in cassatie openstaat. Art. III van het Verdrag van New York, zoals uitgelegd aan de hand van de daartoe geldende criteria van art. 31 Weens Verdragenverdrag, geeft volgens Uw Raad geen duidelijk antwoord op de vraag wat moet worden verstaan onder ‘substantially more onerous conditions or higher fees of charges’. Wel zou uit de ontstaansgeschiedenis van art. III van het Verdrag volgen dat dit artikel ertoe strekt om te verzekeren dat arbitrale vonnissen onder het verdrag ten uitvoer kunnen worden gelegd met toepassing van een eenvoudige en snelle procedure, die in elk geval niet aanmerkelijk bezwaarlijker mag zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen. De in het artikel bedoelde ‘conditions’ hebben uitsluitend werking op procedurele voorschriften en niet op de materiële voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging.
Kort gezegd ging het er bij het oordeel van Uw Raad van 25 juni 2010 (rov. 3.4) derhalve om dat:
- a)
de wet tegen een gegeven verlof tot tenuitvoerlegging van Nederlandse arbitrale vonnissen niet voorziet in rechtsmiddelen, terwijl in art. 985 e.v. Rv wel is voorzien in rechtsmiddelen,
- b)
het toelaten van laatstbedoelde rechtsmiddelen (hoger beroep en cassatieberoep) tegen een verlof tot tenuitvoerlegging zou leiden tot extra kosten en tot een verlenging van de procedure, en
- c)
het toelaten van hoger beroep en cassatieberoep tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis daarom moet worden gezien als aanmerkelijk bezwaarlijker, hetgeen niet is toegelaten volgens art. III Verdrag van New York.
Dat staat, volgens Uw Raad, in de weg aan overeenkomstige toepassing van de artikelen 985 tot en met 991 Rv, waarnaar in art. 1075 (oud) Rv wordt verwezen (rov. 3.6.2). De vraag of het buitenlandse arbitrale vonnis in het land waar het is gewezen kan worden vernietigd of herroepen, moet worden beantwoord naar het recht van dat land, en in Nederland kan een buitenlands arbitraal vonnis niet worden herroepen of vernietigd. Dat zou geen reden zijn om ter zake bestaande mogelijkheden in Nederland te compenseren met het openstellen van beroep en cassatieberoep tegen de verlening van de exequatur (rov. 3.7.2).
NIOC meent dat om meerdere redenen6. van de eerdere beslissingen van Uw Raad op dit punt moet worden teruggekomen.
Ad a) — rechtsmiddelen
In de eerste plaats geldt dat, anders dan Uw Raad rov. 3.2–3.4 tot uitgangspunt heeft genomen, naar Nederlands recht wel degelijk rechtsmiddelen openstaan tegen de beslissing waarbij verlof tot tenuitvoerlegging van een Nederlandse arbitraal vonnis wordt verleend. Art. 1062 lid 4 (oud) Rv luidt immers:
‘Verleent de voorzieningenrechter van de rechtbank het verlof tot tenuitvoerlegging, dan staat de wederpartij van de verzoeker slechts de rechtsmiddelen genoemd in art. 1064, eerste lid, open. Vernietiging of herroeping van het arbitrale vonnis brengt van rechtswege die van het verlof tot tenuitvoerlegging met zich mede.’
[onderstreping adv.]
Art. 1064 lid 1 (oud) Rv wijst ter zake naar de mogelijkheid om van een arbitraal vonnis de vernietigen herroeping te vorderen. Indien een vernietigingsprocedure of een herroepingsprocedure slaagt, dan brengt een dergelijke beslissing van rechtswege met zich dat het eerder verleende verlof tot tenuitvoerlegging met onmiddellijke ingang haar gelding verliest.
In geval van vernietiging van een uitspraak van een lagere rechter in hoger beroep of in cassatie, geldt exact hetzelfde. Een dergelijke vernietiging heeft directe werking.7. Op het moment dat de vernietiging wordt uitgesproken — en dus voordat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan en ongeacht of er nog een rechtsmiddel wordt of kan worden aangewend — verliezen de vernietigde beslissingen hun werking. Vernietiging heeft bovendien terugwerkende kracht, zodat de vernietigde beslissing geacht wordt nimmer te hebben bestaan.8.
Kortom, een partij die zich zonder succes heeft verzet tegen toewijzing van een verzoek tot tenuitvoerlegging, hoeft van de wetgever niet te berusten in de toewijzing van dat verzoek. Hem wordt daartoe niet de rechtsgang van hoger beroep (en cassatie) geboden, maar — bij wijze van alternatief — de mogelijkheid van een actie tot vernietiging of herroeping, die — indien succesvol — ook leidt tot de vernietiging van een eerder verleende verlof tot tenuitvoerlegging. Aldus is wel degelijk een rechtsmiddel beschikbaar tegen een verleend verlof tot tenuitvoerlegging, zij het dat dit niet in de vorm gegoten is van een hoger beroep (of cassatieberoep).
Volgens art. 1064 lid 3 (oud) Rv kan de partij die het aangaat niet alleen binnen drie maanden na het depot van het vonnis, maar ook binnen drie maanden na aanvang van de executie, vernietiging van een arbitraal vorderen.
In zoverre staan derhalve bij verlofverlening voor de tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis aan de verwerende partij derhalve wel degelijk rechtsmiddelen ter beschikking (zij het niet rechtstreeks tegen de verlofverlening) die, indien zij slagen, tot exact hetzelfde gevolg leiden als het geval is bij de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie tegen verlofverlening tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis. Dat betekent dat het hiervoor achter a) geformuleerde uitgangspunt niet opgaat.
Ad b) — snelheid van de procedure
Naar de mening van NIOC gaat het uitgangspunt dat het toelaten van hoger beroep en cassatieberoep tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis zou leiden tot hogere kosten en verlenging van de procedure, evenmin op. Herroepingsprocedures en — met name — vernietigingsprocedures (de procedures waarvan de verweerder in de verlofprocedure zich moet bedienen om vernietiging van een verleend verlof tot tenuitvoerlegging teweeg te kunnen brengen) kunnen (zeer) lang duren en brengen dikwijls hoge kosten voor partijen met zich.
In dat verband wordt erop gewezen dat in geval van een Nederlands arbitraal vonnis dat wordt gewezen in een arbitrage die voor 1 januari 2015 aanhangig is gemaakt, zelfs in drie instanties over de zaak kan worden geprocedeerd. Gelet op het bepaalde in art. 1062 lid 4 (oud) Rv zal voor de partij die verlof tot tenuitvoerlegging heeft verzocht pas ‘aan het eind van de rit’ duidelijk worden of en in hoeverre een verleend verlof uiteindelijk al dan niet in stand blijft indien de verwerende partij (al dan niet gebruikmakend van de extra termijn van drie maanden na betekening van het vonnis met verlof, zoals die volgt uit het bepaalde in art. 1064 lid 3 (oud) Rv) een vernietigingsprocedure of herroepingsprocedure entameert. Die onduidelijkheid kan vele jaren duren.9. Daar staat tegenover dat de vorderingen tot vernietiging en herroeping de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis niet schorst; dat volgt uit art. 1066 lid 1 (oud) Rv (voor de herroepingsvordering in verbinding met art. 1068 lid 2 (oud) Rv, laatste volzin). Ondanks een aanhangige vernietigingsprocedure kan een arbitraal vonnissen derhalve direct ten uitvoer worden gelegd (uiteraard op risico van de schuldeiser).
Voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een in het buitenland gewezen vonnis verwijst art. 1075 (oud) Rv naar de bepalingen van de artikelen 985 tot en met 991 Rv. Art. 988 Rv ziet op de beschikking waarbij al dan niet verlof wordt verleend. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad zonder zekerheidsstelling (voor zover niet anders wordt beslist). Ook indien hoger beroep en beroep in cassatie wordt toegelaten, kan na verlofverlening een buitenlands arbitraal vonnis derhalve (in beginsel) direct in Nederland ten uitvoer worden gelegd.
De mogelijkheden om een buitenlands arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen nadat verlof is gekregen, verschillen dan ook niet van de mogelijkheden om een Nederlands arbitraal vonnis na verlofverlening ten uitvoer te leggen.
Daarmee voorziet de regeling van art. 1075 (oud) Rv in verbinding met de artikelen 985 tot en met 991 Rv — net als bij nationale arbitrale vonnissen — in een eenvoudige en snelle procedure met betrekking tot het verzoek tot verlof tot tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen, die in zoverre de facto ook niet verschilt van de procedure voor Nederlandse arbitrale vonnissen. Het openhouden van de mogelijkheid van hoger beroep en/of cassatieberoep maakt dat niet anders. Het verlof kan immers door middel van een eenvoudige en snelle procedure worden verkregen en het vonnis kan direct daarna ten uitvoer worden gelegd.
Voorzover hoger beroep en cassatieberoep al zouden ‘meetellen’ bij de gewenste snelheid bij de verkrijging van verlof, geldt dat zelfs aannemelijk dat met hoger beroep en cassatie tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis beduidend sneller verloopt dan een vernietigingsprocedure in Nederland tegen een alhier bewezen arbitraal vonnis.
Aldus gaat naar de mening van NIOC ook het achter b) bedoelde uitgangspunt in het arrest van 25 juni 2010 niet op.
ad c) — aanmerkelijk bezwaarlijker
In het verlengde van hetgeen hiervoor achter 1.1.a en 1.1.b is betoogd, kan het uitgangspunt dat het openstellen van hoger beroep en beroep in cassatie tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis aanmerkelijk bezwaarlijker is dan de procedure met betrekking tot een Nederlandse arbitraal vonnis geen stand houden. Ook bij verlofverlening tot tenuitvoerlegging van een Nederlandse arbitraal vonnis, kan dat verlof immers worden aangetast door middel van rechtsmiddelen (namelijk die van vernietiging en/of herroeping), waarbij het slagen van deze rechtsmiddelen exact hetzelfde effect zullen hebben als een slagen het hoger beroep of cassatieberoep tegen verlofverlening tot een vordering van een buitenlands vonnis. (Ook) met de rechtsmiddelen vernietiging en/of herroeping zal doorgaans veel tijd en veel geld gemoeid zijn, terwijl het aanwenden van die rechtsmiddelen de mogelijkheid om het arbitrale vonnis na verlofverlening ten uitvoer te leggen niet schorst, evenmin als dat het geval is bij verlofverlening tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis, omdat (ook) die beslissing (in beginsel) uitvoerbaar bij voorraad is.
Overigens is een verbod tot instelling van een rechtsmiddel in zaken als de onderhavige nooit absoluut. Door middel van beroep op een doorbrekingsgrond kan tegen verlof tot tenuitvoerlegging een rechtsmiddel worden aangewend.
Het oordeel van uw Raad dat het openstellen van hoger beroep en cassatieberoep tegen verlofverlening van buitenlandse vonnissen aanmerkelijk bezwarender is dan de procedure met betrekking tot Nederlandse arbitrale vonnissen, steunt voornamelijk op de uitgangspunten dat: a) tegen verlofverlening tot tenuitvoerlegging van Nederlandse arbitrale vonnissen ook rechtsmiddelen mogelijk zijn die tot exact hetzelfde effect leiden als hoger beroep en cassatieberoep, en b) ook met die rechtsmiddelen veel tijd (en geld) gemoeid kan zijn, terwijl het dan ook lang kan duren voordat zekerheid bestaat of het verlof tot tenuitvoerlegging uiteindelijk in stand zou blijven. Die uitgangspunten zijn, zo blijkt uit het voorgaande, niet houdbaar.
Bovendien heeft Uw Raad in het arrest van 25 juni 2010 (herhaald in 2015 en 2017) naar de mening van NIOC onvoldoende oog gehad voor het uitgangspunt in art. III Verdrag van New York dat het de Lidstaten niet is toegestaan om de procedures voor de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen die in een andere staat zijn gewezen aanmerkelijk bezwaarlijker te maken dan het geval is bij procedures van nationale arbitrale vonnissen. Los van het feit dat — het zij herhaald — uit het voorgaande reeds volgt dat het openstellen van hoger beroep en cassatieberoep tegen verlofverlening tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis, niet aanmerkelijk bezwaarlijker is, valt het oordeel van Uw Raad op dit punt ook niet goed te rijmen met het feit dat een dergelijke verlofverlening uitvoerbaar bij voorraad is. Het buitenlandse arbitrale vonnis kan na verlofverlening derhalve direct tenuitvoergelegd, zoals dat ook het geval is bij Nederlandse arbitrale vonnissen. In dat geval is geen sprake van een substantiële verzwaring van de eisen die worden gesteld aan de procedure tot verlofverlening van buitenlandse arbitrale vonnissen indien tegen de verlofverlening en rechtsmiddelen openstaan.
NIOC wijst er in dat verband op dat vooraanstaande commentatoren bevestigen dat het bepaalde in de tweede volzin van art. III Verdrag van New York niet met zich brengt dat de procedurele regels met betrekking tot erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen noodzakelijkerwijs identiek moeten zijn aan de regels die toepasselijk zijn op erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen die in de Lidstaat zelf zijn gewezen.10.
Dat benadrukt nog maar eens dat Staten een zekere vrijheid hebben bij het formuleren en handhaven van regels van procesrecht inzake de procedure tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging voor buitenlandse vonnissen. Die vrijheid eindigt waar de regels van procesrecht in kwestie aanmerkelijk bezwaarlijker zijn of worden dan de regels die gelden voor verlof tot tenuitvoerlegging van nationale vonnissen. Voor zover Uw Raad bedoeld heeft de procesgang voor binnenlandse en buitenlandse arbitrale vonnissen (zoveel mogelijk) ‘gelijk te trekken’, zou een dergelijke bedoeling derhalve getuigen van een onjuiste opvatting met betrekking tot de uitgangspunten in art. III Verdrag van New York. Die bepaling laat immers wel degelijk afwijkende procedurele regels voor buitenlandse arbitrale vonnissen toe11. en, zoals uit het hier voorgaande reeds bleek, verschillen de in Nederland geldende regels voor binnenlandse en buitenlandse vonnissen wat betreft de mogelijkheden op een verlof aan te tasten en wat betreft de duur en kosten, niet wezenlijk van elkaar.
Tot slot kan er in dit verband op worden gewezen dat de mogelijkheid om op grond van het bepaalde in art. 985 tot en met 991 Rv hoger beroep (en beroep in cassatie) in te stellen geen voorwaarde is voor het verkrijgen van een verlof tot tenuitvoerlegging. Ook in dat verband zij herhaald dat een verlof tot tenuitvoerlegging dat wordt verleend, direct ten uitvoer kan worden gelegd en dat niet behoeft te worden gewacht tot een eventuele procedure in hoger beroep en/of cassatie is afgerond. In zoverre geldt derhalve dat geen sprake is van een ‘substantially more onerous condition’. ‘Condition’ betekent in dit verband immers naar normaal spraakgebruik ‘voorwaarde’ en van een voorwaarde voor het verkrijgen van verlof is geen sprake.
Bij voorwaarden in die zin kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het voorafgaand aan het verlof tot tenuitvoerlegging verplicht verkrijgen van erkenning van het arbitrale vonnis,12. of het verplicht voorafgaand aan tenuitvoerlegging moeten stellen van zekerheid.13. Van voorwaarde met een daarmee vergelijkbare aard is geen sprake bij het toelaten van hoger beroep en cassatie, na verlofverlening.
1.2
Het hof besliste in rov. 6.7– 6.8 en 6.10 dat het beroep op corruptie in het licht van een drietal verdragen (rov 6.7) niet slaagt, zodat het ook om die reden niet toekomt aan toepassing van de bepalingen in art. 985–991 Rv, waarin is vastgelegd dat van een verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis, hoger beroep en cassatieberoep mogelijk is. NIOC heeft haar beroep op corruptie echter ook aan de orde gesteld in het kader van de geldigheid van de arbitrageovereenkomst. De geldigheid van de arbitrageovereenkomst is een afwijzingsgrond die voortvloeit uit het bepaalde in art. V lid 1, aanhef en a Verdrag van New York. Indien sprake is van corruptie, kan dat er bovendien toe leiden dat de tenuitvoerlegging van een daarop gebaseerd arbitraal vonnis in strijd komt met de openbare orde. Dat is een afwijzingsgrond die voortvloeit uit het bepaalde in art. V lid 2, aanhef en onder b Verdrag van New York. De vraag of een geldige overeenkomst tot arbitrage (of arbitraal beding) aanwezig is, moet vol en niet terughoudend worden getoetst.
Indien en voor zover in art. III Verdrag van New York al een regel zou kunnen worden gelezen die zou meebrengen dat tegen verlofverlening voor de tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis geen hoger beroep of cassatieberoep mogelijk is, dan geldt in ieder geval dat art. III Verdrag van New York niet is geschreven om door middel van een processuele regel de facto corruptie te faciliteren, doordat een beslissing van de rechter op een beroep op die corruptie in hoger beroep of cassatie niet zou kunnen worden beoordeeld. Dit heeft het hof miskend.
Toelichting
Geen geldige arbitrageovereenkomst
In hoger beroep heeft NIOC in grief I aan de orde gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de arbitrageovereenkomst geldig is omdat geen sprake zou zijn corruptie (beroepschrift par. 6.28)
Als feitelijke onderbouwing daarvoor heeft NIOC toen in haar beroepschrift in hoger beroep gesteld en verwezen naar: (i) het Iraanse strafvonnis (par. 6.8-6.13) en (ii) overgelegde producties waaronder een geheime Consultancy Agreement (par. 6.9, productie 23), bankafschriften (par. 6.9, productie 24) en een Agreement strekkende tot het bevorderen van een 'sound and cooperative relationship ' met NIOC (par. 6.9, prod 25, art. 1a).
Ad (i) Het iraanse strafvonnis
De hieraan ontleende stellingen betroffen: par. 6.8 (betalingen aan [naam 1]), 6.9–6.10 (corrupte overeenkomsten en onderonsje tussen [naam 2] en [naam 3] op basis waarvan exclusiviteit werd gegund), 6.11 –6.12 (de door [naam 1] en [naam 4] gearrangeerde bespreking met de minister), en de relatie tussen de Sixth Side Letter illegale afspraken tussen [naam 2] en [naam 1]).
Het beroep op dat strafvonnis heeft het hof (rov. 6.19-6.20) in eerste aanleg als niet gedaan geoordeeld. In hoger beroep was dat niet ontvankelijk want te laat (rov. 6.21).
Ad ii) Andere overgelegde producties
NIOC heeft gesteld (beroepschrift par. 6.28) dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er sprake is van een geldige arbitrageovereenkomst omdat:
- a.
par. 6.9: In een Consultancy Agreement een geheime afspraak met de minister tot stand is gebracht. Die strekte ertoe alle problemen met de GSPC te bespreken, in strijd staand beleid exclusiviteit te verlenen voor het vervoer en de verkoop van Iraans gas. De afgesproken vergoeding hiervoor was USD 3,2-5 mio. NIOC heeft deze corrupte afspraak gestaafd met overlegging van producties 23–25 en 29;
- b.
par. 6.10: ook uit de door Crescent cs overgelegde als productie 1 overgelegde overeenkomst (laatste bijlage, voorlaatste pagina, art 1A) blijkt van dat exclusieve recht waarmee uitvoering werd gegeven aan die corrupte afspraak;
- c.
par. 6.13 – 6.14: Die totstandkoming van de GSPC illegaal was en dat zulks ook blijkt uit een aanhoudingsbevel; productie 36;
- d.
par. 6.24: de Engelse Serious Fraud office op verzoek van de Noorse autoriteiten documenten in beslag heeft genomen, Daaruit blijkt van corruptie, namelijk geheime afspraken met [naam 5] (prod. 27, 28 en 31. Hij was onder andere directeur gasmarketing en export van NIOC;
- e.
par. 6.25 en 6.26: De corrupte plannen en afspraken blijken ook uit een email van 4 augustus 2000 van [naam 6] , zijnde een medewerker van [naam 5]; rechtskeuze voor ‘Bermudan Law’ omdat de ‘OECD Convention on combatting bribery of officials in international business transactions’ niet geldt in Bermuda.; productie 18. En de tot standbrenging van de GSPC met behulp van onder andere pressure from the foreign ministry; productie 19 en het zo laag mogelijk houden van de prijs ; productie 20.
NIOC heeft er in eerste aanleg op gewezen dat deze corruptie naar het toepasselijke Iraanse recht en de (transnationale)14. openbare orde de gehele overeenkomst inclusief de arbitrageclausule ongeldig en niet-afdwingbaar maakt (par. 6.13-6.13.1).
Hierover heeft het hof niet geoordeeld. Met rov. 6.23 heeft het hof wel rov. 4.16 (en de daaraan voorafgaande rov 4.11–5.15) van de rechtbank bekrachtigd. Daarin werd het verweer dat er geen rechtsgeldige arbitrageovereenkomst is verworpen en daarmee het beroep van NIOC op artikel V aanhef en lid a van het Verdrag van New York.
Uit 's‑hofs oordeel tot bekrachtiging blijkt niet dat daarin voornoemde gemotiveerde stellingen van NIOC zijn betrokken. In dat verband wordt ook gewezen op hetgeen hierna met betrekking tot middelonderdeel 2 naar voren is gebracht op blz. 16 van deze procesinleiding. Daarmee geldende stellingen van NIOC over de corruptie in cassatie veronderstellenderwijs als uitgangspunt. In het licht daarvan kon het hof niet oordelen dat de in het arrest van Uw Raad van 25 juni 2010 gegeven uitleg van art. III Verdrag van New York eraan in de weg stond dat dit beroep op corruptie in de verlofprocedure in hoger beroep en (zo nodig) cassatie aan het oordeel van de rechter zou kunnen worden onderworpen.
Openbare orde
Het voorgaande geldt mutatis mutandis ook voor het beroep op het feit dat het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging corruptie zou worden gefaciliteerd. Daarop gerichte stellingen liggen besloten in hoofdstuk 6 van het verweerschrift in eerste aanleg en zijn ook als zodanig opgevat door de voorzieningenrechter in haar vonnis van 5 december 2022 (onder meer rov. 4.23). In hoger beroep is in het beroepschrift in par. 6.28 ook gegrift tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat van strijd met de openbare orde geen sprake zou zijn. Nu art. III Verdrag van New York er niet door is geschreven om corruptie te faciliteren, staat die regel er ook niet aan in de weg dat dit oordeel van de voorzieningenrechter in de verlofprocedure in hoger beroep en, zo nodig, cassatie wordt beoordeeld.
Bij het voorgaande is tevens van belang dat toegang tot de overheidsrechter geldt als een fundamenteel recht. Dat volgt uit artt 17 Grondwet en 6 EVRM. Daarvan wordt afstand gedaan met een geldige arbitrageovereenkomst. Als het corruptieverweer zou slagen, dan tast dat die geldigheid aan en daarmee het recht van NIOC tot toegang tot de overheidsrechter. Erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis waarmee dat recht is geschonden is dan in elk geval in strijd met de Nederlandse openbare orde (artikel V lid 2 sub b Verdrag van New York).
Het hof heeft een en ander miskend.
2. Onderdeel 2; Doorbrekingsgronden slagen wel
In rov. 6.11–6.12, culminerend in rov. 6.13 en 7 heeft het hof onjuist en of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat de aangevoerde doorbrekingsgronden geen van alle slagen en bekrachtigde het de beschikking van de rechtbank.
Daarin werd in rov. 4.15 ten onrechte geoordeeld dat NIOC niet meer in de gelegenheid werd gesteld om een uitspraak van de Iraanse Hoge Raad in het geding te brengen op grond van uitlatingen namens NIOC waaruit de rechter afleidde dat niet duidelijk was dat en wanneer zij de beschikking zou krijgen over die uitspraak. Daarmee is NIOC haar recht ontnomen om zich naar behoren te verweren tegen een door Crescent twee dagen voor de mondelinge behandeling naar voren gebrachte nieuwe stelling naar aanleiding van het verweer van NIOC. Dat komt neer op schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
Toelichting
NIOC heeft aan haar verweer tot afwijzing van de verzochte erkenning en tenuitvoerlegging onder andere ten grondslag gelegd dat de GSPC onder invloed van corruptie tot stand is gekomen. Ter adstructie van die stelling heeft zij verwezen naar een vonnis van de rechtbank Teheran d.d. 16 april 2012, waarin de Iraanse rechter overeenkomstig heeft geoordeeld.15.
De Iraanse Hoge Raad heeft dat vonnis grotendeels bekrachtigd. NIOC heeft dat gesteld16. (zie daarover rov. 4.14 rechtbank) en de rechtbank heeft daar inhoudelijk niet over beslist, maar dat argument als een tardief onbehandeld gelaten. In hoger beroep heeft NIOC dit (onder meer) in het kader van grief I weer aan de orde gesteld.17. Het hof heeft die stellingen vervolgens inhoudelijk ook onbehandeld gelaten en het vonnis van de rechtbank (derhalve ook dat punt) bekrachtigd.18. Daarmee staat in ieder geval veronderstellenderwijs vast dat het vonnis van de rechtbank Teheran d.d. 16 april 2012 door de Hoge Raad van Iran ieder geval wat de corruptie betreft in stand is gelaten. Daarmee staat die corruptie eveneens veronderstellenderwijs vast.
Wat betreft de gang van zaken in de procedure in feitelijke aanleg met betrekking tot het beroep door NIOC op het vonnis van de rechtbank Teheran d.d. 16 april 2012 geldt het volgende.
Crescent cs hebben hiervan als eerste gewag gemaakt in hun verzoekschrift, waarna er een uitgebreid partijdebat heeft plaatsgevonden.19.
Daarna brachten Crescent cs hierover zelf op 19 oktober 2022 een krantenbericht uit de Islamic Republican in het geding, waaruit zou volgen dat de Iraanse Hoge Raad het corruptie vonnis van de rechtbank in Teheran zou hebben vernietigd (Productie 16 bij brief overlegging producties Crescent cs d.d. 19 oktober 2022)
Twee dagen later, op 21 oktober 2022, stelde Crescent zich ter mondelinge behandeling in eerste aanleg op het standpunt dat het Teheran vonnis door de Iraanse Hoge Raad was vernietigd (EA PV p. 4). NIOC verzocht daarop het arrest van de Iraanse Hoge Raad in het geding te mogen brengen zodra daarvoor goedkeuring was verkregen. Toen is ook namens NIOC gesteld dat de Iraanse Hoge Raad het vonnis in stand heeft gelaten met uitzondering van de boetes (spreekaantekeningen NIOC par. 1.2 en 6.3). Mr. De Korte heeft toen namens NIOC ook gesteld dat:
- —
NIOC geen partij was in die strafzaak en dat het niet makkelijk is om een niet geanonimiseerd strafvonnis te verkrijgen;
- —
De reproductie daarvan via de Iraanse instanties moet verlopen; en
- —
Dat hij hiervoor in de gelegenheid wil worden gesteld.
(EA PV, p. 4)
Ter zitting heeft mr De Korte daaraan nog toegevoegd ‘als we dat al mogen krijgen’ en ‘als zj daar de beschikking over kan krijgen’ (EA PV p. 5)
Daarmee heeft er een uitgebreid partijdebat over het arrest van de Iraanse Hoge Raad plaatsgevonden, waarin Cresent cs daags voor de mondelingen behandeling is toegestaan om een krantenartikel te overleggen en zich daarop te beroepen. Vervolgens is NIOC niet toegestaan om dat te weerleggen omdat voorshands onzeker was of NIOC de beschikking zou kunnen krijgen over een afschrift van het betwiste strafarrest van de Iraanse Hoge Raad. De bekrachtiging door het hof hiervan is onjuist, maar zonder nadere motivering in elk geval onbegrijpelijk.
Verzoek tot schriftelijke toelichting
Op deze zaak is het oude arbitragerecht van toepassing. Dan geldt een korte cassatietermijn van twee maanden. Daarnaast heeft de voortvarende behandeling van de zaak hinder ondervonden door het op Iran toepasselijke sanctieregime.
Een en ander stond eraan in de weg al het relevante materiaal uitgebreid te presenteren. Nader debat over dit materiaal is onder meer relevant omdat er over de door het hof geoordeelde asymmetrische rechtsmiddelenverbod recentelijk een uitgebreide discussie is gevoerd in de literatuur door vooraanstaande rechtsgeleerden op het gebied van (internationale) arbitrage.
In deze zaak liggen voor de internationale arbitragepraktijk belangwekkende rechtsvragen ter beoordeling voor. Hierom verzoekt NIOC uw Raad haar toe te staan de zaak schriftelijk toe te lichten.
Conclusie
Op bovenstaande gronden verzoekt NIOC de Hoge Raad de bestreden beschikking te vernietigen en te verwijzen.
Deze procesinleiding is ingediend via het digitale portaal van de Hoge Raad.
Den Haag, 22 december 2024
Advocaten bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑12‑2024
Vonnis Vzr. Rotterdam, rov. 4.14
HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679 (Rosneft/Yukos Capital)
HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194
HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:555
A.J. van den Berg, The New York Convention as interpreted by the Netherlands Supreme Court, TvA 2024/71; G.J. Meijer en N Peters, The application of the non-discrimination principle of Article III NYC in the Netherlands, TvA 2024/73 en A.J. van den Berg, Replique, TvA 2024/75
Onder meer ontleend aan A.J. van den Berg, The New York Convention as interpreted by the Netherlands Supreme Court, TvA 2024/71. Zijn argumenten worden in de reactie op dit artikel van de hand van GJ. Meijer en N. Peters, The application of the non-discrimination principle of Article III NYC in the Netherlands, TvA 2024/73 niet weerlegd. Zie in dat verband A.J. van den Berg, Replique, TvA 2024/75
zie HR 28 september 1984, NJ 1985/83 en HR 14 december 1990, NJ 1991/307
HR 19 december 2014, NJ 2015/168 en HR 3 juni 2016, NJ 2016/358
zo is bijvoorbeeld de vernietigingsprocedure in verband met de arbitrale vonnissen in Yukos in 2014 gestart en loopt op het moment van indiening van de onderhavige procesinleiding het (inmiddels) tweede cassatieberoep in die vernietigingsprocedure.
zie in dit verband onder meer Fouchard Gaillard Goldman, International Commercial Arbitration 982, par. 1671 (E. Gaillard, J. Savage eds., 1999); Andreas Börner, Article III, in Recognition and Enforcement of Foreign Arbitral Awards: A Global Commentary on the New York Convention 115, 119 (H. Kronke, P. Nacimiento et al. eds., 2010).
in dat verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de uitspraak van het Cour d'Appel de Paris van 22 maart 2001, Gouvernement de la Fédération de Russie v. Compagnie Noga d'importation et d'exportation, waarin werd geoordeeld dat, hoewel verlof gewoonlijk wordt verleend in een procedure zonder tegenspraak (dit is naar Frans recht immers niet dwingend voorgeschreven), verlofverlening in een procedure op tegenspraak niet kan worden gezien als aanmerkelijk bezwaarlijker in de zin van art. III Verdrag van New York.
T.K. Bulkhandling GmbH v. Meridian Success International Ltd., Court of First Instance, High Court of Hong Kong Special Administrative Division, 28 November 1990, 1998 No. MP 4765. Zie ook Shandong Hongri Acron Chemical Joint Stock Company Limited v. PetroChina International (Hong Kong) Corporation Limited, Court of Appeal, Hong Kong, 13 June 2011, 25 July 2011 and 11 August 2011, XXXVI Y.B. Com. Arb. 287 (2011).
Zie daarover E.O. Igbokwe, Dealing with bribery and corruption in international arbitration (2023), nrs 302 en 303 met in voetnoten uitgebreide verwijzingen naar literatuur: ‘(…) Given that the majority of countries consider the prohibition of bribery and corruption as fundamental, this broad consensus should be the decisive criterion in determining the existence of and what constitutes transnational public policy (…) Accordingly, contemporary scholarly writings not only appeared to overwhelmingly be in favour of the existence of the concept of transnational public policy, but there also appears to be a general acknowledgement that the prohibition of bribery and corruption is part of that policy.’
EA Verweerschrift NIOC, §1.3 (erkenning feitelijke vaststelling feiten door Iraanse rechter) en 3.11 (strafrechtelijke veroordelingen betrokkenen bij GSCP en GSCP is in strijd met openbare orde). Verder EA Spreekaantekeningen NIOC §6.6.
EA Spreekaantekeningen NIOC § 6.3. (verdict is in stand gebleven, afgezien van de opgelegde boetes/ Crescent cs handelen in strijd met 21 Rv)
Beroepschrift 6.3, 6.15 e.v.
EA Spreekaantekeningen NIOC § 6.3. (verdict is in stand gebleven, afgezien van de opgelegde boetes/ Crescent cs handelen in strijd met 21 Rv)
EA verzoekschrift Crescent 5.7-5.11 en EA verweerschrift 3.11, 5.4, 5.6 en 6.9.