Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.4.2:1.4.2 De formele betekenis van het onderzoek in de enquêteprocedure
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.4.2
1.4.2 De formele betekenis van het onderzoek in de enquêteprocedure
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456694:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 27 mei 1999, JOR 1999/121, m.nt. L.L.M. Prinsen (Gucci), r.o. 3.11.
Zie § 5.3.3.
HR 27 september 2000, NJ 2000/653, JOR 2000/217, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2000,p. 444-445, m.nt. S.M. Bartman, AA 2000, p. 873-880, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Gucci).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Gucci-zaak oordeelde de Ondernemingskamer dat indien de relevante feiten ter zake van het aangevochten beleid reeds naar aanleiding van de behandeling van het verzoek op grond van artikel 2:345 BW vaststaan en een onderzoek naar die feiten geen nader te dier zake relevante gegevens aan het licht zal of kan brengen en in die zin dus zonder voldoende zin zou zijn, zij bevoegd is ook zonder een onderzoek naar de feiten door een door haar aangestelde onderzoeker te oordelen dat van wanbeleid sprake is en de gevraagde en door haar passend geachte voorzieningen te treffen dan wel uit te spreken dat het beleid van de rechtspersoon zoals dat uit de vaststaande feiten blijkt niet als wanbeleid is te kwalificeren.1 Die situatie deed zich naar het oordeel van de Ondernemingskamer voor. Op die grond wees zij het verzoek van LVMH tot het houden van een enquête af, maar verstond zij dat er sprake was van wanbeleid van Gucci op een paar in de beschikking uitgewerkte gronden.
Vanuit het perspectief van het bewijsrecht valt voor dit standpunt wel iets te zeggen. Het verslag van het onderzoek is een bewijsmiddel: een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Rv. De hoofdregel van het bewijsrecht is neergelegd in artikel 149, tweede volzin, Rv: “Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.” Kennelijk was de Ondernemingskamer van oordeel dat Gucci de door LVMH gestelde feiten, op grond waarvan de Ondernemingskamer tot wanbeleid concludeerde, niet of niet voldoende gemotiveerd had betwist. Men zou zich inderdaad kunnen afvragen wat de zin is van een onderzoek als de feiten vaststaan. Daar valt echter tegenin te brengen dat de taken van de onderzoekers niet beperkt zijn tot het vaststellen van de feiten. Zij hebben ook als taak het beoordelen van het door de rechtspersoon gevoerde beleid.2 Dat pleit tegen de bewijsrechtelijke benadering van de Ondernemingskamer.
Haar beslissing om zonder onderzoek direct te concluderen tot wanbeleid was uiteraard ook in strijd met de niet voor tweeërlei uitleg vatbare wettekst. Daaruit blijkt dat de Ondernemingskamer pas bevoegd is tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:355 BW in verbinding met art. 2:356 BW “indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken”. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Hoge Raad de beschikking van de Ondernemingskamer vernietigde.3 De Hoge Raad motiveerde zijn beslissing niet alleen met een beroep op de wettekst en de wetsgeschiedenis, maar beriep zich ook op de strekking van het enquêterecht:
“(…) ook op grond van de strekking van de wet [moet] worden aangenomen dat de Ondernemingskamer niet de bevoegdheid heeft gekregen zelfstandig op basis van door haar vastgestelde feiten te oordelen dat van wanbeleid is gebleken en op basis van uitsluitend haar eigen oordeel voorzieningen te treffen. Die strekking houdt in dat de wet voorziet in een aparte rechtsgang bij een daartoe speciaal aangewezen rechterlijke instantie ter zake van het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Dat onderzoek vormt de kern van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht. De Ondernemingskamer kan in aansluiting op het verslag van dat onderzoek voorzieningen treffen, doch nodig is dat niet. Indien er geen aanleiding bestaat voor het instellen van een onderzoek als hier bedoeld en behoefte bestaat aan voorzieningen staat de gewone procedure bij de burgerlijke rechter, met alle daaraan verbonden waarborgen, open.”
Met deze uitspraak is de formele positie van het onderzoek in de enquêteprocedure verankerd.