Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.4.1:4.3.4.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.4.1
4.3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588735:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
114. Zoals hiervoor aan bod kwam, is het eerste criterium op basis waarvan derdenwerking tegen een anterieure derde mogelijk is, de bevoegdheid van de schuldenaar om met de retentor een overeenkomst aan te gaan. De toekenning van die bevoegdheid is dan de rechtvaardiging voor de doorwerking jegens de derde. Het is echter goed mogelijk dat de eigenaar – in afwijking bijvoorbeeld van de situatie in Gegaste uien (waarin doorslaggevend was dat Noordermeer aan de Klerk ‘de vrije hand liet’) en in afwijking van middellijke vertegenwoordiging (waarvan alleen sprake is als de middellijk vertegenwoordiger krachtens bevoegdheid handelt) – weliswaar zijn zaak uit handen heeft gegeven, maar zijn wederpartij wel beperkingen heeft opgelegd ten aanzien van de beschikking over zijn zaak. Het zou wellicht logisch zijn om meer terughoudend te zijn met het aannemen van derdenwerking van de exoneratieclausule bij gebreke van bevoegdheid. Er is dan geen sprake van het ‘laten van de vrije hand’. Maar art. 3:291 lid 2 BW kent een vangnet. Het staat niet alleen derdenwerking van het retentierecht jegens de ouder gerechtigde toe, indien deze bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan, maar ook als de bevoegdheid ontbrak. In dat geval kan de retentor toch de afgifte aan de ouder gerechtigde opschorten, indien de retentor ‘niet hoefde te twijfelen aan de bevoegdheid van zijn wederpartij tot het aangaan van de overeenkomst’. Dit ‘niet hoeven te twijfelen’ duid ik hierna om praktische redenen aan als ‘goede trouw’ van de retentor. In deze paragraaf ga ik in paragraaf 4.3.4.2 eerst figuren met een vergelijkbare strekking elders in het vermogensrecht na. In paragraaf 4.3.4.3 ga ik in op de goede trouw in abstracto: waarom is derdenwerking mogelijk, wanneer de retentor ervan uit mocht gaan dat zijn wederpartij bevoegd was om de overeenkomst met hem te sluiten? Ten slotte, in paragraaf 4.3.4.4, ga ik in op de goede trouw in concreto: hoe moet de goede trouw van de retentor worden ingevuld?