Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.4.4.1
VIII.4.4.1 Tenuitvoerlegging van voorwaardelijke sancties wegens het begaan van een nieuw feit
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593985:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze terminologie is afkomstig van Mulder en door mij ontleend aan Bleichrodt 1996, p. 1.
Ook de vaststelling dat een bijzondere voorwaarde is overtreden zou schuld aan een strafbaar feit kunnen impliceren. Te denken valt aan de vaststelling van overtreding van een contact- of locatieverbod welke vaststelling tevens het begaan van belaging of huisvredebreuk inhoudt.
Aldus over de TBS met voorwaarden (art. 38 lid 1 Sr) Bleichrodt 1996, p. 218 onder verwijzing naar Kamerstukken II 1971/72, 11 932, nr. 3, p. 17. Zie tevens Hofstee, ’Art. 38 Sr’, in: NLR, aant. 4. Met betrekking tot de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging (art. 38g lid 2 Sr) wordt aangenomen dat dezelfde voorwaarden kunnen worden gesteld als aan de TBS met voorwaarden, zie Hofstee, ‘Art. 38g Sr’ in: NLR, aant. 3. Zie over het voorwaardelijk sepot in vergelijkbare zin Bleichrodt 1996, p. 202-203; Reijntjes, ‘Art. 167 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 17.3.
Aldus Bleichrodt 1996, p. 228-229.
Zie voor verdragsschendingen in dit verband § VI.7.1.
Zie in dit verband nadrukkelijk HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 201, m.nt. Schalken.
HR 3 mei 1994, NJ 1994, 578, m.nt. Van Veen.
Zie voor meer kritiek op het gebrek aan “wetssystematisch vakmanschap” van de wetgever bij de rechterlijke competentieverdeling rondom de ISD-maatregel Mevis, annotatie bij: HR 18 november 2008, NJ 2009, 292.
Aldus Wiersinga, ‘Art. 38r Sr’, in: T&C Sr, aant. 1.
Zie o.a. Rb. Utrecht 4 juni 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6276; Rb. Middelburg 26 oktober 2009, ECLI:NL:RBMID:2009:BK1162; Rb. Utrecht 30 augustus 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6397; Rb. Amsterdam 25 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU 6184; Rb. Utrecht 27 december 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7398; Rb. Midden-Nederland, 8 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ4810; Rb. Overijssel 1 mei 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:2204; Rb. Rotterdam 21 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:3008.
Het Nederlandse sanctiearsenaal kent naast onvoorwaardelijke ook diverse voorwaardelijke sanctiemodaliteiten.1 Daarbij wordt de opgelegde sanctie niet (verder) ten uitvoer gelegd, zolang de betrokkene bepaalde gedragsvoorschriften naleeft. Sancties die onder voorwaarden niet of niet volledig ten uitvoer gelegd worden, zijn gebaseerd op veroordeling wegens een strafbaar feit. Dientengevolge is de oplegging daarvan met de onschuldpresumptie in overeenstemming. Het voorwaardelijke deel van de sanctie heeft evenwel een getrapte structuur.2 In eerste instantie wordt volstaan met gedragsvoorschriften, maar worden zij niet nageleefd dan kan alsnog een meer ingrijpende reactie plaatsvinden. In die tweede fase zal dus moeten worden vastgesteld dat een voorwaarde niet is nageleefd. Daarbij kan de onschuldpresumptie in het gedrang komen. Dit zal het geval kunnen zijn wanneer de constatering dat een voorwaarde niet is nageleefd, inhoudt dat de betrokkene een nieuw strafbaar feit heeft begaan. Dreigende strijd met de onschuldpresumptie beperkt zich niet exclusief tot gevallen waarin aan de voorwaardelijke modaliteit de voorwaarde is verbonden dat gedurende de proeftijd geen strafbare feiten zullen worden begaan.3 Wel wordt in die gevallen van de over naleving van de voorwaarden oordelende instantie verlangd zich uitdrukkelijk te buigen over het begaan van een strafbaar feit door de betrokkene. De kans dat dat oordeel zich met de onschuldpresumptie niet verdraagt is daarom in die gevallen wel het grootst.
Het niet-begaan van een nieuw strafbaar feit is als algemene, dwingende voorwaarde verbonden aan de voorwaardelijke veroordeling (zie art. 14c lid 1 sub a Sr), de voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15a lid 1 sub a Sr), de voorwaardelijke plaatsing in een ISD (art. 38p lid 3 sub a Sr), de voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (art. 77z lid 1 sub a Sr) en de voorwaardelijke beëindiging daarvan (77ta lid 1 sub a Sr). Bij andere voorwaardelijke sanctiemodaliteiten wordt die voorwaarde niet genoemd, maar moet ervan worden uitgegaan dat die voorwaarde als bijzondere voorwaarde ‘het gedrag van de betrokkene betreffende’ wel mag, maar niet behoeft te worden gesteld.4 Het begaan hebben van een strafbaar feit is daarnaast een afzonderlijke grond voor de herroeping van gratie (art. 17 lid 2 Gratiewet). Die grond is evenwel verbonden aan de voorwaarde van een onherroepelijke veroordeling, juist omdat het niet past dat bij Koninklijk Besluit zou worden geoordeeld over het al dan niet begaan van een strafbaar feit.5 Daardoor doet zich het geschetste probleem bij de voorwaardelijke gratiëring niet voor.
Tot herroeping van de voorwaardelijkheid is bij alle andere modaliteiten een rechter bevoegd. Die waarborg is echter onvoldoende om een schending van de onschuldpresumptie te voorkomen in die gevallen waarin de rechter vaststelt dat de betrokkene een strafbaar feit heeft begaan waarvoor hij nog afzonderlijk wordt vervolgd.6 Tot 1986 gold dat tot tenuitvoerlegging op grond van overtreding van de algemene voorwaarde eerst kon worden overgegaan nadat veroordeling wegens een nieuw strafbaar feit onherroepelijk was geworden (zie art. 14h Sr (oud)). Dat vereiste is inmiddels vervallen, maar in het gros van de gevallen lost het probleem zich op doordat de vordering tot tenuitvoerlegging wegens overtreding van de algemene voorwaarde gelijktijdig wordt beoordeeld door dezelfde rechter die de berechting van het nieuwe feit op zich neemt. Deze kan de vordering alleen toewijzen indien hij gelijktijdig een veroordeling wegens het nieuwe feit uitspreekt (zie art. 14g lid 3 Sr).7 Hoewel de formulering van artikel 15i lid 2 Sr iets afwijkt, geldt hetzelfde voor de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.8
Executie wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde moet daarentegen worden gevorderd ten overstaan van de rechter die de voorwaardelijke straf oplegde.9 Dat geldt ook voor de voorwaardelijke TBS-modaliteiten (art. 509j lid 3 Sv). Die kennen immers geen algemene voorwaarde van het niet-begaan van een nieuw strafbaar feit. Een wetssystematische oneffenheid10 is dat over de voorwaardelijke ISD steeds moet worden geoordeeld door de rechter die over het feit waarop de ISD is gebaseerd in eerste aanleg oordeelde, terwijl voor de voorwaardelijke ISD als gezegd wel de algemene voorwaarde van het niet-begaan van een strafbaar feit geldt (zie art. 509z lid 2 Sv). De vaststelling dat de ISD-maatregel ten uitvoer kan worden gelegd op de grond dat de verdachte een nieuw feit heeft begaan, terwijl de verdachte voor een andere rechter wegens dat feit wordt vervolgd, verdraagt zich doorgaans niet met artikel 6 lid 2 EVRM.
Deze kwestie zal zich slechts sporadisch voordoen, omdat de officier van justitie na het plegen van een nieuw strafbaar feit dikwijls niet de tenuitvoerlegging, maar een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal vorderen.11 Meer problemen in de praktijk zijn te verwachten van het niet-plegen van strafbare feiten als bijzondere voorwaarde bij voorwaardelijke modaliteiten van de terbeschikkingstelling. Een blik op de feitenrechtspraak leert dat het gebruikelijk is bij de oplegging van TBS met voorwaarden daaraan als bijzondere voorwaarde te verbinden dat de verdachte geen nieuwe delicten zal begaan.12 Er moet mijns inziens rekening mee worden gehouden dat de omzetting van die TBS met voorwaarden in TBS met dwangverpleging op de grond dat de verdachte een nieuw strafbaar feit gepleegd heeft, terwijl de verdachte afzonderlijk wordt vervolgd voor dat nieuwe feit onder omstandigheden schending van artikel 6 lid 2 EVRM zal opleveren. Het verdient overweging of in het kader van de voorwaardelijke modaliteiten van de TBS dezelfde bevoegdheidsverdeling als voorzien in artikel 14g en 15i Sr zou kunnen gelden. Daaraan zou in elk geval het verschil tussen algemene en bijzondere voorwaarden niet in de weg hoeven staan.